DE GEVANGENE
De oude bus, die een geur van olie en uitlaat achterliet, bromde verder over het hobbelige platteland en liet een vrouw alleen achter langs de onverharde weg. Ze keek om zich heenhier leek alles onveranderd gebleven sinds zes jaar geleden. De weg was nog even modderig en vol met zwarte plassen, de struiken getooid met grijze spetters. In de schemering glinsterden in de verte gele vierkantjesde ramen van het dorp Spreuwel, een lang lint langs de bosrand. Er klonk geblaf van honden, en ganzen snaterden luidruchtig in het avondlicht.
Ja, hier is niets veranderd in zes jaar, dacht Minke, of althans bijna niets. Alleen bovenop de heuvel zag ze de rijen landbouwmachines niet meer staan, waar vroeger het erf van Jan Beekman lag, verlicht door schemerige lampen. Nu gapte daar slechts duisterniswat ervan geworden was, wist ze niet; waarschijnlijk hadden de erfgenamen alles verkocht en verdeeld.
Langzaam liep Minke naar de Dorpsstraat. Verwonderd zou ze niet zijn als iemand vanachter de woningen haar zo een kei achterna zou gooien. Ze voelde paarhorende, afkeurende blikken vanuit elk raam. Met haar sjaal diep over haar gezicht getrokken, hoopte ze onherkenbaar te blijven. Wat zou haar te wachten staan? Was haar ouderlijk huis nog wel overeind gebleven? Er bleef haar weinig anders over dan terugkeren naar haar wortels, al was het maar uit noodzaakde dorpsgenoten hadden haar immers gehaat sinds zij, zes jaar geleden, het halve dorp brodeloos had gemaakt.
Haar leven was niet zonder sporen gebleven, innerlijk en uiterlijk was ze veranderd. Van het onbezonnen, meisje met de scherpe blauwe ogen was weinig over. Minke was destijds een sprankelende brunette, opgewekt, zonder familie, wonend in een verouderde arbeiderswoning aan de rand van het beekdal. En van Jan Beekman werd in het dorp zowat heiligenstatus toegedicht de helft van de dorpsbewoners werkte bij hem. Uiteindelijk trok Minke bij hem in. Ze dacht het geluk gewonnen te hebben, meegetrokken in de belangrijke kring van zijn aandacht.
Alles pakte anders uit: Jan voelde zich heer en meester, een arrogante allesbepaler, terwijl zij niet meer dan een speelbal werd. Minke was nog bedwelmd van zijn aandacht om zijn ware aard direct te zien. Eerst hield hij haar uit de buurt van haar vriendinnen, daarna verbood hij haar ‘te uitdagende’ kleding en zelfs make-up. Haar leven werd langzaam een aaneenschakeling van verboden.
Ze zat thuis, wachtte op hem, kookte Hollandse stamp en hield het huis schoon. Werken buitenshuis mocht niet. Jan werd ziekelijk jaloers, in de ban van zijn eigen wantrouwen. Hoe ze ook probeerde uit te leggen dat ze trouw was, het hielp niets. Niet zij, maar hij was het probleem. Ze kon zich in alle bochten wringen, tevreden was Jan nooit. Toen hij zijn handen niet thuis kon houden, vluchtte Minke terug naar haar oude huisje, in de hoop dat alles slechts een nare droom was. Maar het waare kwaad moest nog komen.
De volgende dag stond Jan plotseling op de stoep. Minke was in de keuken de vloer aan het dweilen; ramen en deuren stonden open, frisse lucht stroomde naar binnen. De geur van sop en het gevoel van schoonmaak gaven rust. Met een trap tegen de emmer verspreidde Jan het water over heel de vloerMinke wist, dat het niet bij de emmer zou blijven.
Wat er daarna gebeurde, kon Minke zich maar vaag herinneren. Alsof haar geheugen haar wilde beschermen tegen die dag. Het eerste dat ze zich echt herinnerde, was de zwaan die in het erf stond, de politie die haar ondervroeg, terwijl ze een plastic zak met een keukenmes voor haar gezicht hielden. Buren verdrongen zich nieuwsgierig achter het hekwerk. Binnen was al het meubilair overhoop, de gordijnen afgerukt, en op de grond lag Jan.
“Dat is wat je krijgt!” klonk het vanachter het hek. “Had je maar minder met je kont moeten wiebelen!” “En wat kwam je tekort? Je leefde als een koningin bij hem!” “Jij hebt het voor iedereen verpest! Hoe moeten we nu rondkomen?”
Minke kreeg zes jaar gevangenisstraf, uit te zitten in een gewone vrouwengevangenis. Het waren zware jaren, maar niet zo erbarmelijk als ze had gevreesd. Door haar vriendelijke aard en luisterend oor vond ze vriendinnen, wat de dagen draaglijk maakte. Maar haar uiterlijk was veranderd; geen glans meer in haar blauwe ogen, het haar grauw en doordrenkt met grijze lokken, de zin om zich mooi te maken was verdwenen. Ze had nooit gedacht dat zij ooit achter de tralies zou belanden. Ze had lang gedacht dat daar enkel doorgewinterde types zaten. Maar zoals een Hollander zegt: Van het gelag en het gevang, zeg nooit: dat mij niet overkomen kan! Het leven kan in een oogwenk uiteenspatten. Nu was zij de gevangene.
Ze liep met gebogen hoofd richting haar huis, haar hart klopte onrustig. Bestond haar huis überhaupt nog? Misschien was het al tot brandhout omgehakt Maar daar stond het, verscholen tussen twee brede berken aan de rand van het beekdal. Een vertrouwde kilte steeg uit het dal; kikkers kwaakten, een beek kabbelde. Ze had deze plek talloze keren in haar dromen bezocht. Achter het dal begonnen de uitgestrekte bossen, waar paddenstoelen als cantharel, eekhoorntjesbrood en berkenboleten wachtend lonkten. Ze voelde de aandrang het bos in te rennen, met een rieten mandje aan haar arm.
Als een schim glipte Minke door het tuinhekje, tastte naar de sleutel onder de dakpan. Ze verwachtte een muffe, vochtige lucht, maar die bleef uit toen ze de deur opendeed. Met een klik zette ze het licht aan geel licht vulde de keuken. Alles was schoon, op de vensterbank bloeide een tros roze geraniums. Minke staarde ernaar, verbaasd. Ze liep door de woning, alles stond onaangeroerd op zijn plek. Iemand had duidelijk een oogje in het zeil gehouden.
Minke, hé Mínke! klonk het in de bijkeuken, waarna buurvrouw Trijntje zonder aarzeling binnenval. “Tjonge, wat ben jíj veranderd…” zei ze vol verbazing. “Ik zag het licht aan … en ben gelijk gekomen. Ik heb wat eten voor je meegenomen, je zal wel honger hebben na zo’n reis.” Ze zette een kan met melk en een in een doek gewikkeld brood op tafel. Dank je wel, glimlachte Minke, ben jij het die op het huis gepast heeft? Wie anders, meid! Je laat een huis niet onbewaakt achter, antwoordde Trijntje. Minke was diep geraakt; traantjes prikten in haar ooghoeken. Dank je wel, duizendmaal.
“Ik ga er weer vandoor,” zei Trijntje, “de mannen in het dorp zijn nog steeds niet over hun woede heen. Als mijn vent hoort dat ik hier ben geweest, krijg ik er van langs!”
Een last viel van Minkes schouders: er was toch nog één iemand in het dorp die haar steunde. Ze schonk zichzelf een glas verse melk in, en precies op dat moment werd er voorzichtig op de deur geklopt. Op de stoep stond een jongen van een jaar of dertien die onhandig een pakketje overhandigde. “van me moeder,” hakkelde hij, en toen Minke het in ontvangst nam, stoof hij er weer vandoor. Ze herkende hem nietde kinderen waren in zes jaar tijd opgeschoten en veranderd. Het pakje rook naar gerookt spek; het water liep haar in de mond.
Toen stormde Francien binnen, zonder aan te kloppen, en omhelsde Minke stevig. Ooit, voor Jan, waren ze beste vriendinnen geweest. Nu schoot Minke vol: “Ik dacht dat niemand nog met mij om zou willen gaan!” “Welnee,” zei Francien, “zolang er maar vrouwen zijn, is er onderling begrip. Wat de mannen erover zeggen doet er niet toehet was zelfverdediging. De mannen snappen dat niet, daarom zijn ze boos. Trijntje zei al dat je terug was. Ik kom maar even, heb wat seizoensgroenten uit de moestuin voor je neergelegd. Rust jij lekker uit vandaag, morgen praten we bij!
Zo geraakt was Minke, dat ze nauwelijks een hap door haar keel kreeg. Ze realiseerde zich dat ze de dorpsgenoten verkeerd had ingeschat. De vrouwen hadden zich in haar weten te verplaatsen. Toen ze zich s avonds in een schoon, nieuw opgemaakt bed nestelde, was ze nog amper in slaap gevallen of er werd zachtjes op het raam geklopt. Al in het donker herkende ze de forse gestalte van Wouter. Deze man was de feitelijke dorpsoudste; hij genoot overal respect.
“Kom niet naar buiten,” zei hij, “ik praat wel door het klapraam. We hebben met de mannen overlegd: het heeft geen zin om jou kwalijk te nemen wat er is gebeurd. De vrouwen begrijpen het misschien niet, maar het was niet jouw schuld. Natuurlijk is het karig zonder werk nu, maar Jan tja dat was ook niet de beste vent. Enfin hier heb je van ons allemaal wat geld voor de eerste weken. Toe maar, neem het aan!” Minke voelde zich beschaamd, maar Wouter gooide gewoon een oud leren beursje met euros door het raam, groette en verdwenen in de zachte Hollandse nacht.






