Maartje arriveerde thuis veel eerder dan afgesproken, met boodschappen van haar ouders. Alles voelde alsof het zweefde in een dikke Hollandse nevel; zelfs de appels leken te drімmen in haar tas. Ze wilde Tom verrassen, haar man, maar bij binnenkomst viel haar plan in een verdwazend doolhofhij stuurde haar linea recta naar de supermarkt.
De zware boodschappentas trok zo heftig aan Maartjes schouder dat ze een klein gilletje liet ontsnappen. Haar rug was één strakke lijn vol pijnde afgelopen maanden haar eeuwige schaduw. Voorzichtig zette ze de tassen neer op het hobbelige trottoir van het Leidseplein, waar de stoeptegels schots en scheef stonden, als een veld vol botergele tulpen.
Maartje slaakte een diepe zucht en voelde een draaiende beweging van haar ongeboren kindje. Zes maanden zwanger in een droom van mistige straten en eindeloze fietspadendat was geen grap. Ze had Tom zo gemist dat ze de laatste kilometers letterlijk de grachtenpalen telde vanuit de rammelende touringcar.
Wat zou Tom nu toch doen? Vast niet vermoedend dat ze al zo dichtbij wastien minuten lopen van hun flat in Haarlem. De straat voelde als een uitgerekte dijk, haar armen verlengden zich in het oneindige onder het gewicht van haar tas vol potten bramenjam, een homp boerenkaas en glimmende appels.
Na vijftig meter wist Maartje: dit gaat niet lukken. Haar rug wilde niet meer.
Ze haalde haar mobiele telefoon uit haar jaszak en toetste Toms naam.
“Tommetje, hoi,” fluisterde ze, de letters verstuivend als ochtendmist.
“Maartje? Wat is er? Is alles goed?” Toms stem klonk met een schrille ondertoon.
“Niets aan de hand. Ik ben er. Sta op de halte voor ons huis. Kom je me halen? De tassen zijn loodzwaar, mam heeft alles volgestouwd.”
Een stilte, zo plakkerig dat Maartje haar scherm controleerdewas hij nog aan de lijn?
“Je staat nu buiten? Echt? Waarom zeg je niks? We zouden toch donderdag?”
“Ik wilde je verrassen,” Maartje fronste. “Tom, ben je niet blij? Ik ben doodop. Kun je gewoon komen?”
“Wacht!” riep Tom plots. “Niet meteen naar boven komen. Ik bedoel, misschien wel, maar… Maartje, thuis is het nu gewoon leeg. Heb alles gisteren opgegeten. Kun je alsjeblieft even naar de Albert Heijn om de hoek? Koop wat rundvleesmooi stukje Hollands rund. Ik besloot niet te werken vandaag, neem vrij. Wil een heerlijke lunch maken, je fatsoenlijk verwelkomen.”
“Rundvlees, Tom?” Maartje knipperde traag. “Hoor je me wel? Zes maanden zwanger, twee tassen vol cadeautjes, en mijn rug doet vreselijk pijn! We hebben toch aardappelen en eieren thuis? Kom alsjeblieft gewoon.”
“Nee, je snapt het niet,” hij praatte steeds sneller, over haar heen. “Ik wil dat alles perfect is. Kost je niks, Albert Heijn is hiernaast. Vers rundvlees, nieuwe aardappelenonze zijn gerimpeld. Vraag iemand te helpen met dragen, of doe rustig aan… Voor ons! Ik bereid vast alles.”
Maartje bekeek haar rode handen, in haar hart wervelde een scherpe pijn.
“Tom, meen je dit?” Haar stem trilde. “Nu? In mijn toestand, die belachelijk zware tassenje wil dat ik boodschappen doe om te laten zien hoe gastvrij je bent? Kun je zelf niet even naar beneden komen?”
“Ik ben al bezig… met dingen klaarmaken! Ga ik nu weg, lukt het niet. Doe het voor mij, Maartje. Acht ons rundvlees, een zakje aardappelen. Ik wacht op je!”
De lijn werd verbroken. Maartje staarde naar de donkere telefoon alsof de regen erin was gevallen. De verwachting van een warme omhelzing veranderde in een reis naar het gekoelde vleesschap.
Misschien, dacht ze, bedenkt hij straks iets ongelooflijks? Ze zuchtte, hief haar plastic tassen juist op en waggelde richting supermarkt terwijl haar schoenen een droomspoor trokken over de natte klinkers.
Ze duwde haar winkelkarretje tussen slapend kassapersoneel door, terwijl een zoute geur van drop en augurken in de lucht zweefde. Rundvlees bleek zwaar, aardappelen nóg zwaarder. Buiten voelde ze haar vingers niet meerstar, als kromme wilgentakken.
Telefoon opnieuw.
“Heb je het?” Tom klonk opgewekt.
“Ik ben er bijna met alles,” snauwde Maartje. “Sta bijna bij het portiek. Doe open.”
“Niet! Wacht bij het bankje. Tien minuutjes nog.”
“Serieus? Tien? Mijn benen zijn dik als melkflessen van de tocht!”
“Verrassing nog niet af!” Volhardend. “Blijf zitten, even frisse lucht! Vijf minutenik zweer het. Anders lukt het niet!”
Maartje liet zich met moeite op de houten bank bij hun portiek vallen. De tassen plofte ze naast zich. Ze voelde een opborrelende woede onder haar trui.
Tien minuten gleed voorbij. Toen twintig. Maartje voelde een kolkende verzuring in haar buik. Wat zou hij doen als ze binnenkwambloemen overal? Ontbijt bij kaarslicht? Een draaiorgelman in de hoek? Niets leek op te wegen tegen dit wachten in de Hollandse avondmist.
Na vijfendertig minuten kraakte de portiekdeur. Tom kwam aangerend, shirt binnenstebuiten, zweetdruppels op zijn voorhoofd, haar alle kanten op.
“Daar zit je! Wat zie je boos, joh. Wat een lekker weertje, hè?”
“Waarom ben je nat van het zweet? En je ruikt naar bleekmiddel.”
“Dat zul je zo zien!” riep Tom, haastte zich richting lift, sprong letterlijk van ongeduld.
Ze gingen naar boven. Tom gooide plechtig de deur open en wachtte op applaus. Maartje werd verwelkomd door een onwerkelijk mengsel van chloor en goedkopere luchtverfrisser”Frisse Noordzee”-parfum.
Ze keek de kamers inde gang, de keuken, de badkamer. Alles was brandschoon. Of juist leeg. Haar spulletjes verzameld in hoeken, de vloer nat van het dweilen, het stof was weg, hun huis leek een showroom in Den Haag.
“Nou?” Tom straalde als een gloednieuwe euromunt. “Mooi, hè?”
“Is dit alles?” vroeg Maartje zacht.
“Hoezo alles? Maartje, kijk nou! Drie uur boenen voor jou! Zelfs achter het bed gedweild, alles afgewassen, toilet glimt alsof het Koningsdag is! Wilde dat je aankwam in een zee van schoonte, meteen rust. Was alleen net niet klaar toen je belde.”
Maartje voelde de brok in haar keel, de kamer bewoog als kermisattractie.
“Je liet mij al die boodschappen sjouwen voor een schone vloer?”
“Ja! Ik probeer het eens goed te doen, omdat jij altijd klaagt dat ik niks doe! Je kwam te vroeg, dus je moest even wachten zodat ik klaar was. Maar ik dacht, dat waardeer je…”
“Tom, snap je wat je gedaan hebt?” Haar stem werd een storm op het IJsselmeer. “Mn gezondheid… Zwanger, zware tassen, en ik moest nog boodschappen voor jou doen? Alles wat ik wilde, was dat je me tegemoetkwam en mij vasthield!”
Tom bloosde, gooide de poetsdoek in de gootsteen.
“Ja hoor altijd niet goed! Ik sta hier sinds vijf uur te boenen als een gek, alles voor jou, alles om te verrassen. En jij zet nu dat gezicht op!”
“Ik wil geen brandschoon huis als ik er zelfs niet levend thuis kan komen,” snikte Maartje. “Al wat ik vroeg, was even mijn hand, samen naar huis. Geen parade van Jif!”
“Jij snapt ook nooit iets,” schreeuwde Tom terug. “Alles draait om jou! Ik ben ook moe! Ik heb niet geslapen, alleen maar nagedacht hoe ik jou gelukkig kon maken…”
Maartje kroop met haar hoofd in haar handen.
“Je wisselde mijn welzijn voor een glimmende wc-pot. Dat is toch gekkigheid?”
“Je kwam te vroeg! Jij was het die alles verpestte, niet ik. Als je pas donderdag was gekomen, was alles perfect verlopen. Maar nee, je moest nu alweer wat vinden. Je bent gewoon ondankbaar, Maartje!”
Tom stormde de slaapkamer in en smeet de deur dicht.
Het buikje van Maartje draaide opnieuw. Ze liet zich zwaar op een stoel vallen, keek naar het plastic tasje met vlees dat Tom niet eens in de koelkast had gelegd.
Na tien minuten schoof de deur piepend open.
“Moet ik dan toch koken?” mopperde Tom. “Of ga je ook weigeren te eten omdat je dwars wilt zijn?”
“Laat maar zitten, Tom.” Maartje draaide zich niet eens om. “Laat me gewoon met rust, ik wil slapen.”
“Doe wat je wilt,” mopperde Tom, knalde de deur weer dicht.
Maartje sleepte zich naar de badkamer. Ze keek in de spiegel: bleek, kringen onder haar ogen, haar warrig als een veld vol uitgebloeide hyacinten.
Hoe ze zich op de terugweg had verheugdhoe Tom haar zou omarmen, zou zeggen: “Gelukkig, je bent veilig thuis.” Ja, veilig Als Maartje later, na een eindeloos gevecht over het kleinste detail, spontaan wegliep, was het slechts in haar dromerige pyjama, richting de Hollandse weiden en haar ouders.
Iedereen raadde haar af te scheidenschoonouders, vrienden, zelfs Tom belde steeds, smeekte om haar terugkeer, zei dat hij alles begreep nu. Maar Maartje wist: ze kon niet samenleven met een man die een blinkend huis belangrijker vond dan de gezondheid van hun kindje.
Een huis vol chloorgeur brengt geen warmte als niemand je bij thuiskomst vasthoudt.







