Cardioloog Van Bree was ooit naar een kuuroord aan de Schelde afgereisd om tot rust te komen. Hij had net besloten zijn baard bij te werken voor de avond, in de hoop zich onder de mensen te begeven. Wie de veertig gepasseerd is, kent wel dat verlangen al was Van Bree toen al ruim over de zestig. Maar ach, wie telt er zoiets op een plek waar niemand het precies weet?
Plotseling vloog de deur van zijn kamer open en stoof er een vrouw naar binnen. Om haar te beschrijven, zou je de handen van Rembrandt nodig hebben. Deze dame leek gemaakt voor colleges: je kon haar aanwijzen met een liniaal en zeggen: Dames bestaan uit Alles aan haar oogde monumentaal. Met een bulderende stem riep ze dat het geluk was dat juist dé beroemde cardioloog Van Bree uit Rotterdam uitgerekend híer verbleef een zegen, want de huismeester bracht nu meteen een patiënt naar de behandelkamer, en de vaste arts van het kuuroord was afwezig. Tja, een hartaanval plant je tenslotte niet om middernacht. En Van Bree voelde al aan zijn klompen dat deze vrouw hem niet zou laten ontsnappen: ze was fors, met minstens honderdtwintig kilo op de weegschaal, en midden op haar gezicht een vuurrode lippenstift als een zegel van de Helleveeg op een wit suikerbrood. Zulke vrouwen laten hun prooi niet gaan. Haar uitleggen dat zelfs een wonderdokter als hij niet veel kan met alleen een huismeester en een verpleegster in sneeuwpopkostuum, was zinloos.
Dus toog Van Bree met tegenzin naar de behandelruimte, waar de huismeester een man met wilde blik klaarstond met een brancard. En op die brancard lag, verzwaard door een medisch dossier, een slappe, baardige heer, een jonge professor met de bouw van een oude timmerman.
Hij ijlt maar, meldde de huismeester. Roept steeds tulp dit en tulp dat. Denkt dat hij in de Keukenhof is beland of zo. De verpleegster mat ondertussen zijn bloeddruk en schudde haar hoofd. Het stond beroerd: 70 over 50, en het leek alleen maar te dalen. Dat is geen bloeddruk, zei ze grappend. Meer de omvang van mijn enkels! En ze schoot in de lach. Van Bree kreeg het er kil van. In het dossier stond dat 180 over 100 voor deze man al opwarmen was.
Van Bree keek gespannen rond naar het benodigde materiaal. Toen hoorde hij snikken iets wat je in een behandelkamer niet verwacht. Hij draaide zich om en zag dat de verpleegster huilde. Hij vroeg wat er was. t Is zo zielig, meneer! snikte ze. Hij voelde een onbestemd onheil.
Toch maar adrenaline! riep hij, terwijl hij zijn handen met spiritus wreef. Je weet wel wat adrenaline is? En in welke spuit het moet? Maar de verpleegster jammerde: Ach, dat schaap zon sukkel en leunde snikkend tegen de deurpost.
Uiteindelijk nam Van Bree zelf de injectie ter hand. Op dat moment verstrakte de blik van de huismeester, die bij het zien van de dikke naald achteruit deinsde zon naald waarmee je walvisvaarders zou kunnen weren. Nog nooit had hij een zitvlak gezien dat daartegen bestand was. Van Bree zag hoe de ogen van de huismeester bijna naar binnen draaiden. De verpleegster huilde nog harder in de hoek. Als hij niet oppaste, zou ze uit nijd misschien met het meubilair naar beneden springen. Dus besloot Van Bree: allemaal aan de kant nou. Op het ingevallen borstbeen van de zieke plaatste hij de prik, en de huismeester viel terstond om als een omgehakte eik.
Och, de huismeester! Och, wat zielig! jammerde de verpleegster. Ben jullie wel goed snik? Waar is de geursteen? riep Van Bree woest. Gaan ze dood? Ik wil het niet zien! riep de verpleegster overstuur.
Op tafel stond nog een zware, gietijzeren lamp met het opschrift Willem I geneest de leeuw van angina, zeker vijf kilo zwaar. Even overwoog Van Bree daarmee de zwijnerij af te sluiten, maar hij bedacht zich. Er moest nu orde komen. Rust! Discipline en kalmte! bulderde hij.
Precies op dat moment kwam, met de ogen dicht, de baardige patiënt overeind op de brancard. De verpleegster werd streng: U moet niet zo tekeergaan, meneer! Ze drukte zijn hoofd vast met haar hand. De geursteen ligt in de kast.
De huismeester lag zo ver weg dat zijn pols niet te vinden was. Weer zakte de hand van de patiënt slap vanaf de brancard. En het leek hopeloos. Masseer het hart! riep Van Bree, terwijl hij de huismeester onder de brancard vandaan trok.
De verpleegster draaide de patiёnt op zijn buik, trok haar rok op en wilde over de brancard springen. Hartmassage, hartmassage, sufferds! schreeuwde Van Bree. De verpleegster draaide de man weer om, ging demonstratief op hem zitten waardoor de brancard kraakte. De huismeester kreeg een dot geursteen onder zijn neus; Van Bree keek toe: honderdtwintig kilo op zestig. De lucht verliet de patiënt als uit een lekke fietspomp.
Van Bree hees de huismeester overeind, een papperig geheel zonder scherpe hoeken: waar je hem ook vastpakte, glipte alles. Hij zette hem op een stoel. De verpleegster was nu ieder klaar denken kwijt nog even en ze zou de man tot moes drukken. Snel trok Van Bree haar van de patiënt, drukte haar geursteen onder de neus en zette haar naast de huismeester. Daar zaten ze als een paar verzopen kippen, met proppen watten in hun neus, een uitgezakte broek en een schort tot onder de oksels. Wat een spoedteam. Op geursteen geen reactie.
Toen kwam de patiënt omhoog als een vliegtuigstoel, ogen dicht, draaide zijn hoofd traag naar de bank. De huismeester zag het, verloor de moed, en viel voorover. Er verspreidden zich barsten als in een oud Delfts bord langs zijn voorhoofd, waar het de vloer raakte.
Lieve mensen sprak de patiënt zachtjes. Mag ik vriendelijk verzoeken me vanaf nu niet meer te behandelen?
En toen vertelde hij zijn verhaal. Van huis uit was hij altijd een hypotone Hollander geweest. Voor een sneeuwstorm liep de lucht uit hem als een slap ballonnetje. Bij onweer werd hij door de tocht heen en weer getrokken. Niet zijn schuld: zo was hij geboren. Zijn standaarddruk was 80 over 50. Soms nog lager. Maar een goede espresso bracht altijd uitkomst. Wat níet hielp: als een vrouw met een ketting van biljartballen haar lot op hem uitstortte door bovenop hem te gaan zitten. Even dacht hij: dat was het Zijn Roosje zou straks uit het toilet komen en zich rot schrikken. Zij was ziek, maar wie hier begraven zou moeten worden dat was hij.
Van Bree voelde spontaan zijn haar grijs worden. Hij greep het dossier: Roos Rijksma, stond er. Toen hij naar het kuuroord reisde, had hij nog gedacht: misschien een avontuur met een lokale dame… Maar nu voelde hij dat gevoel wegebben. Wat is dit nu weer? vroeg hij en hield het dossier voor de verpleegster.
Dat is gewoon een dossier, hoor, zei ze, met de watten nog uit haar neus. Maar dat is geen Roos Rijksma, zei Van Bree. Eerder een Lev Rosman.
Als arts had u dat moeten controleren, antwoordde ze.
Nou ja zeg mopperde Van Bree.
Beste mensen, klonk het van de patiënt. Ik heb hier mijn vrouw. Ik wilde Roos een karnemelkje brengen. Zij ging even naar het toilet, liet haar dossier bij mij, en toen werd ik ineens onwel. En de man hier, nota bene even bewees dat iets zachts toch dóór iets hards kan breken, zette mij op de brancard. En toen lag ik hier. Maar nu gaat het goed met me. Beter eigenlijk! Vroeger was het beroerd, nu ronduit uitstekend. Kill me now, zou je denken als je me nu een aansteker onder de voeten houdt, vertrek ik linea recta naar de maan en kijk vanuit de ruimte toe wat er beneden gebeurt. Zo lekker stevig is mijn bloeddruk nu. Wat u me gegeven hebt, weet ik niet, meneer de dokter, maar slapen zal ik komende tien jaar niet. Komt mooi uit dan kan ik eindelijk mijn nieuwe proefschrift afmaken.
Voorstel! zei de verpleegster toen de man en zijn karnemelk vertrokken waren. Wij waren hier nooit. Even wilde Van Bree haar alsnog met de lamp slaan, maar ze was hem voor: De huismeester neem ik voor mijn rekening.
Nooit meer, dacht Van Bree. In het kuuroord had hij verder niemand ontmoet. Misschien was dat ook maar beter.







