Betaalde vriendschap
Kun je het je voorstellen, wat een geluk, zei Mirjam door de telefoon. Haar stem was altijd zo dat het een soort pijn opriep, ergens diep vanbinnen. Het zomerhuis, de sauna, frisse lucht. We zijn zo moe, Lieneke. Zo moe, je hebt geen idee.
Ik kon me dat juist heel goed voorstellen. Voor andermans vermoeidheid, andermans behoeften, andermans verlangens had ik altijd een luisterend oor. Mijn eigen wensen waren als van nature naar de achtergrond verdwenen en hielden op een gegeven moment zelfs helemaal op te spreken, alsof ze zich erbij neerlegden.
Natuurlijk, kom maar! zei ik. Je bent meer dan welkom.
En dat was oprecht. Op dát moment was het puur en waar. Ik wilde echt delen. Ik had zoveel in dat huisje gestoken, zoveel alleen meegemaakt daar, dat het geen stukje grond meer leek met een paar gebouwtjes, maar een levend iets was geworden, bijna familie. Die levendigheid wilde ik tonen. Tijdelijk schenken. Delen.
Dat is vaak zo bij mensen die iets moeilijks te boven zijn gekomen zonder te breken. Die willen geven. Dan lijkt de liefde die ze eindelijk voor zichzelf hebben geleerd groot genoeg, zodat er ook nog wat overblijft voor anderen. Het is geen naïviteit. Het is subtieler. Het is het geloof dat de mensen om je heen zo zijn als jij.
Lieneke van den Berg, zesenvijftig jaar, gepensioneerd lerares Nederlands, tweeënhalf jaar geleden gescheiden na een huwelijk van drieëntwintig jaar, eigenaresse van een klein appartementje in Amersfoort en een zomerhuisje dertig kilometer verderop bij het dorpje De Kersentuin. Dat is mijn profiel, mocht je willen. Maar een profiel zegt niets over de geur van het hout dat ik zelf had gebeitst vorige zomer. Zegt niets over hoe ik in september op het dak van het schuurtje stond, een nieuw laagje dakplaten aanbracht en dacht: Voor het eerst sinds jaren ben ik niet bang. Of over mijn handen met eeltplekken, die ik vroeger nooit had. Mijn nieuwe handigheid met één lucifer een vuur aansteken.
Het huisje was me toevallig toegewezen bij de boedelscheiding. Mijn ex-man Jan wilde er niet mee klooien, hij zei dat het een bouwval was, dat de grond drassig was, dat het huis eigenlijk gesloopt moest worden. Ik nam het aan. Niet uit koppigheid. Gewoon omdat ik iets voelde wat ik toen nog geen naam kon geven.
Later snapte ik het. Het was van mij. Voor het eerst, helemaal van mij.
Tweeënhalf jaar lang stak ik in dat huis wat ik voorheen in het gezin stak. Tijd, geld, aandacht, fantasie. Ik legde de vloer opnieuw. Vervanging van ramen. Een nieuwe kachel, klein, betegeld met Delfts blauwe bloemen op de zijkant. Een groentetuin achter het huis. Bessenstruiken, een paar appelbomen. De oude sauna opgeknapt, een nieuw plankje gemonteerd, bundels verse munt en tijm opgehangen. Uit een oude kast had ik een leeshoekje gemaakt, van schrootjesplanken een boekenplank tot aan het plafond. Water aangelegd, een druppelsysteem leren bedienen.
In het derde jaar was de bouwval geen bouwval meer. Het was een plek waar ik tot rust kwam. Waar ik s ochtends thee dronk op de veranda, luisterend naar vogels tussen de frambozen. s Avonds kaarsjes aanstak in weckpotten en las tot het donker werd. Waar ik zonder slaaptabletten sliep.
Ik schreeuwde het niet van de daken. Geen fotos op social media. Maar toen Mirjam belde over vermoeidheid en frisse lucht, zag ik het al voor me: het tuinhek opendoen, haar de appelbomen laten zien, samen bij de kachel zitten. Dat leek me juist.
Mirjam Noordzij. Vierenvijftig. We kenden elkaar al sinds de lerarenopleiding, meer dan dertig jaar. Zij gaf aardrijkskunde, stopte er later mee, werd huismoeder. Haar man Koen had een klein handeltje, maar waar precies in, ik heb me daar nooit mee bemoeid. Ze woonden in een eigen huis in Leusden, hadden een hond, gingen elk jaar naar Spanje of Griekenland. Mirjam vertelde vaak dat ze moe was. Vroeg vaak iets. Vaak hielp ik haar. Dat was onze vriendschap, hoewel ik het nooit zo letterlijk had opgeschreven.
Behalve Mirjam en Koen kwamen er nog twee mee. Mirjam had dat geregeld. Wordt het gezelliger. Het waren oud-collegas: Antje van Erven en haar man Sander. Antje, achtenvijftig jaar, gaf natuurkunde, stil en altijd netjes. Sander werkte bij een garage. Ik had Antje eigenlijk nooit echt gekend. Maar Mirjam vond haar van ons soort en voorspelde dat het in ons vijven top zou worden.
Met zn vijven, plus de gastvrouw. Zo formuleerde ze het. Het viel me niet op.
Ik deed mijn best. Boodschappen gedaan voor vijf. Drie dagen aan menus uitgedacht. Goede thee, twee soorten koffie, kleine verpakkingen room gekocht voor mezelf, wist ik. Tafelkleden gewassen, gestreken. Gastenkamers opgemaakt met fris beddengoed, plaid op bed. In de sauna berkenhout klaargelegd, zelf geoogste berkenbos op water gezet. Bloemen uit de tuin op tafel.
Vrijdagochtend bakte ik een ouderwetse groentetaart. Maakte koude bieten-groentesoep, in de koelkast gezet. Gehaktballen gebakken met ui, salade van jonge komkommers en radijsjes. Alles op de veranda, onder een doek. Ramen open het huis rook naar hout, vers brood en munt.
Ze kwamen om vier uur, bijna een uur later dan beloofd. Mirjam en Koen in hun auto, Antje en Sander in de hunne. Beiden parkeerden tegelijk, alsof het afgesproken was. Ik hield het tuinhek open, glimlachte, wilde net iets zeggen toen Koen alles meteen in ogenschouw nam en zei: Ziet er nog goed uit had ik niet gedacht.
Mirjam gaf me twee zoenen op de wang, rook naar dure parfum. Antje knikte, vroeg gelijk waar ze de handen kon wassen. Sander zei niets, hij liep het erf op alsof hij vastgoed inspecteerde.
Tassen uit de autos. Ik hoopte dat er iets lekkers voor bij de koffie bij zat. Maar er was alleen een grote tas met spullen van Antje, kleding van Mirjam, Koens rugzak. Sander bracht iets in krantenpapier gewikkeld, ik dacht nog: misschien vis, kaas? Het bleek gereedschap. Niemand gebruikte dat later.
Mirjam trok een goedkoop flesje prosecco uit haar tas, zo eentje in de bonus, drie voor de prijs van twee. Overhandigde het met het gezicht van iemand die een waardevol cadeau meebrengt.
Voor bij het eten.
Ik bedankte, zette het aan de kant.
De kamers waren snel gekozen; Mirjam en Koen bekeken alles vluchtig en kozen de kamer met uitzicht op de tuin en het breedste bed. Antje en Sander namen de andere. Mijn kleine kamer, met dat oude bed die bleef van mij. Niemand vroeg of ik daar zelf zo tevreden mee was. Niemand stelde wat anders voor.
Dat was de eerste steek. Niet echt pijn, maar voelbaar, als een steentje in je schoen.
Het diner was luidruchtig. Koen voerde het woord. Mirjam lachte uitbundig. Antje at stilletjes maar vroeg om tweede keer opscheppen. Sander nam alle gehaktballen en vroeg toen pas of er nog meer waren. De soep viel in de smaak; de taart werd opgemaakt tot de kruimel. Mirjam opende haar prosecco, in gewone waterglazen want ik vond de wijnglazen niet direct. Ze riep een toost uit op de vakantie.
Daarna dook Koen, zonder te vragen, de servieskast in. Vond een flesje pruimenlikeur dat ik vorig jaar zelf had gemaakt, niet voor gasten bedoeld. Mirjam zag het en zei: Oh, precies goed. Ik kreeg de kans niet nee te zeggen; alles was al ingeschonken.
De likeur ging die avond helemaal op.
Na het eten ruimde niemand iets op. Mirjam geeuwde, zei dat ze moe was van de reis. Antje knikte. De mannen waren buiten, spraken zachtjes verder. Ik ruimde de tafel, waste alles af, bracht het afval weg. Ging terug naar de veranda niemand meer te zien.
Ik bleef even bij het raam staan. Buiten was het stil. Kikkers riepen bij de sloot. In de verte reed een auto weg.
Er lag iets zwaars in me, als een natte streng wol. Maar ik dacht: het is gewoon de eerste dag. Morgen is iedereen gewend.
Zaterdagochtend was ik om half zeven buiten. De dauw op het gras, appelbomen in mist, plechtig. Emmertje water gepakt, komkommers gegoten. De kachel aangestoken, water op het vuur, brood en kaas gesneden, zelfgemaakte jam erbij. Pap van havermout op melk met appel, zoals ik dat lekker vind.
In de loop van de ochtend kwamen de gasten uit hun bed, eerst Koen in joggingbroek, meteen op zoek naar de waterkoker. Of er geen eieren zijn? Waren er. Heb ik gekookt. Daarna Mirjam, dan Antje en Sander. Iedereen gegeten. Borden bleven staan. Mirjam wilde wandelen naar dat riviertje aan de weg. Koen wilde lekker zitten. Antje en Sander sloten zich bij hem aan.
Ik vroeg wie wil helpen opruimen. Straks, hoor. Even uitrusten.
Even werd de hele ochtend. Iedereen zat op de veranda met hun telefoon. De mannen vonden een spel kaarten. Mirjam bladerde wat, vroeg eens wat aan Antje. Ik deed de lunch. Aardappelsoep met dille en zure room. Champignons die ik zelf had geplukt en gedroogd. Komkommersalade. Zwartebessensap. Toen ik iedereen riep, kwam men snel, at met smaak.
Je kookt echt goed, zei Antje, voor het eerst meer dan drie seconden oe naar me gedraaid. Dat kom je niet vaak meer tegen.
Ja, dat kan ze, zei Mirjam, met een toon die deed denken alsof het over een ongevaarlijke eigenschap ging.
Na het eten nam ik mijn boek en wilde in de tuinstoel onder de appelboom, maar die was al bezet door Koen die er met een krant over zijn gezicht lag te slapen. Dan maar op een klapstoel aan het hek. Ik las nauwelijks een halve bladzij toen Mirjam me riep iets uit het schuurtje te halen, Antje vroeg middeltjes tegen muggen, Sander ontdekte dat de tuinslang lekte.
Ik regelde de slang, vond anti-mug, hielp Mirjam aan oude tijdschriften. Terug bij mijn boek lag dat op de grond, een hoekje gescheurd.
s Avonds stak ik de sauna aan. Had er speciaal berkenhout voor, helemaal zelf gekloofd in april. Want de mannen waren even bij buurman John die kippen hield. Ze kwamen pas na een uur terug, toen de sauna al bijna warm was.
Iedereen genoot. Koen bleef het langst in de hitte, gooide zonder te vragen extra kruiden op de kachel, bijna mijn hele mengsel opgemaakt. Mirjam stuurde me van alles halen: ander handdoek, ander takje berken, deze te stug. Antje vroeg om drinken. Ik bracht appelsap.
Toen iedereen klaar was, ruimde ik nog op. Het water inmiddels lauw. De spa uitgekoeld. Ik zat in het schemer op een houten plankje en keek naar de laatste gloeiende houtskool. Het was stil in mij, niet goed of slecht. Gewoon stil, als energie op is en de nieuwe nog niet.
Ik kleedde me om, liep naar binnen. De keuken lag overhoop: iemand had brood in brokken gesneden, kruimels overal. De beste koffie, die ik alleen voor mezelf bewaarde en moest halen bij het speciaalzaakje in de stad, was open, gemorst over het aanrecht.
Weer alles opgeruimd. Kruimels weggeveegd. Kopjes afgewassen. Koffie blik verder achterin de kast.
Het gevoel van het begin werd iets groter en vaster. Maar, zo sprak ik mezelf moed in: mensen zijn hier om uit te rusten, niet om spik en span te zijn. Je mag van gasten niet vragen om perfect te zijn. Net zoals ik me ooit trachtte wijs te maken dat Jan gewoon moe was, niet expres onaardig…
Het syndroom van de brave vrouw. Ooit gelezen in een tijdschrift en gedacht: dat gaat over anderen. Nu dacht ik midden in de nacht, staande met natte spons in de hand: misschien gaat het toch ook een beetje over mij.
Zondagochtend was ik vroeg wakker; half zes. Niet omdat ik wilde; ik lag gewoon wakker. Hoorde Koen snurken, hoorde de vloer kraken in de gang. Het huis, normaal rustig, was vol vreemds, en dat voelde niet als vreugde, maar als druk.
Buiten was het nog donker. Ik ging op mijn favoriete bankje onder de appelboom zitten, ras goudreinet. Gewoon kijken hoe het licht werd. Naar de vogels luisteren. Zulke ochtenden waren mijn heilige moment gevuld, zonder tekst.
Niet vandaag.
Binnen de ontbijttafel gedekt: pannenkoeken, kwark met room, frambozenjam, roerei met tomaat. Het moest er mooi uitzien, echt een zondags ontbijt.
Terwijl ik stond te bakken, kwam Sander binnen, zuchtte, keek naar de pan. Ik eet geen pannenkoeken. Heb je geen roerei met worst? Worst was er niet. Dan gewoon roerei.
Dus maakte ik roerei.
Toen kwam Antje, vroeg om stevige koffie. Ze kreeg van mijn beste koffie. Ze dronk het op zonder een woord te zeggen en liep weer weg.
Mirjam verscheen als laatste, bijna om elf uur. Ze zag de pannenkoeken en riep Koen erbij. Ze aten samen uitgebreid.
Lieneke, mogen we straks nog een keer naar de sauna? Het was gisteren zo fijn.
Het hout is bijna op, zei ik kalm.
Nog even stoken, daar word je warm van.
Het hout was niet op. Maar ik stookte de sauna niet meer.
Na het ontbijt trok ik naar de moestuin, wortels wieden. Handen deden het werk zonder denken; de aarde warm, geur typisch : hoogzomer. Niets specifieks in mijn hoofd gewoon verlopen gedachten observeren, zoals je naar wolken kijkt.
De dag schoof traag voorbij. Ik maakte lunch, ruimde op, bracht en haalde. De gasten rustten uit, konden dat vanzelfsprekend goed. Koen dommelde. Sander legde patience. Antje las op haar telefoon. Mirjam riep me af en toe, maar telkens gingen die gesprekken over haar eigen dingetjes, over mensen die ik niet kende, zodat ik alleen meehumde of knikte.
Persoonlijke grenzen in vriendschap dat zinnetje uit de Margriet kwam weer boven. Maar wat betekende dat praktisch? Zomaar opstaan bij een gesprek? Nee zeggen, hardop? Dan leek het zo grof, zo definitief. Alsof de hele wereld zou instorten als ik zei: Ik wil even alleen zijn.
Natuurlijk zou dat niet gebeuren. Maar ik wist dat toen nog niet.
Na het diner hingen de gasten in de houten schommelbank achter in de tuin. Koen en Sander gingen weer naar John. Ik ruimde alles op, veegde, bracht afval weg. Controleerde de kas. Haalde een plaid, wilde op de veranda gaan zitten.
Achterin, bij de bessenstruiken, hoorde ik stemmen uit het donker. Het was windstil en doodstil.
Goed geregeld zo, zei Antje. Haar stem droog, dalend aan het einde.
Zeg ik toch, Mirjam klonk tevreden. Zulke mensen, die vinden het heerlijk als er iemand langs komt; anders komt er nooit iemand, snap je? Zulke types vinden het jammer als je niks meeneemt voor ze.
Antje zei iets zachts. Mirjam lachte: Ach joh. Ze vindt het prima, doet alles zelf. Zeg nou eerlijk, als we naar een vakantiepark waren gegaan, hadden we voor drie dagen en faciliteiten driehonderd euro betaald, per persoon. En hier is alles gratis. Ik dacht deze winter al: we moeten eens bij haar langs, nu ze het zomerhuis opgeknapt heeft.
Even stil. Dan weer Antje:
Beetje zielig vind ik haar wel.
Ja, zei Mirjam. Beetje wel. Maar ja, zo is het nou eenmaal.
Ik stond daar met het plaid in de hand, aan de grond genageld. Zelfs de krekels hielden op.
Wat er toen gebeurde in mij had geen naam. Geen tranen, geen woede geen brandende woede in elk geval. Het was kouder, helderder. Alsof vloeistof ineens een kristal werd.
Zacht liep ik terug naar binnen. Deur dicht zonder te piepen. Deken op de kapstok. Naar de keuken. Lampje aan. Een notitieboekje uit de la gehaald.
Herstel na de scheiding. Ik dacht dat ik dat had afgerond. Dat ik mensen zonder roze bril kon bekijken. Blijkbaar niet. Nog niet helemaal.
Maar dat is te verhelpen.
Ik sloeg een nieuwe bladzijde om, zette alles op een rijtje.
Boodschappen. Ik wist precies wat ik had gekocht die vrijdagochtend. Vlees voor de gehaktballen, aardappels, champignons uit de voorraad, maar wist wat het op de markt kost, groente, melk, room, kwark, eieren. Brood, kaas, boter, drie soorten jam, deels van eigen fruit, deels gekocht. Thee, koffie, meel, gist. Appelsap, bessenlimonade.
Ik schreef het op. Dacht terug aan hoe ik vrijdag door de supermarkt liep, rekende, altijd een beetje extra meenam voor de zekerheid. Eerst was dat zorgzaamheid. Nu voelde het anders.
De drank. Die pruimenlikeur, door Koen gevonden. Ik rekende die niet in euros uit, maar in tijd. Van augustus tot oktober ben ik daar voor bezig, plukken, schillen, weken, zeven, bottelen. Twee flessen weg. Oké omgerekend naar geld.
Het hout voor de sauna. Speciaal gekocht berkenhout. Ik wist exact wat een kuub kost, hoeveel er doorheen ging.
Tot slot keek ik op de website van recreatiepark De Bosrand, vlakbij. Drie nachten, vijf personen. Volpension. Sauna. Ik zette het ernaast.
Schoof helpers fee Schoonmaak en service onderaan. Geen prijs, alleen genoteerd.
Het was bijna middernacht. Iedereen lag op bed; ik sloot het schrift. Lamp uit. Licht uit.
Die nacht sliep ik beter.
Op maandagochtend was de lucht grauw. Geen zon. Vogels klonk korter, haastiger. Geen dauw dit keer. Ik liep door de tuin en voelde alles stond op zijn plek.
Voor ontbijt gewone havermout op water met wat zout. Geen appel, geen jam. Brood, boter en kaas exact afgemeten. Waterkoker aan.
Mirjam kwam als eerste. Keek op tafel, trok een wenkbrauw op.
Pap?
Pap, bevestigde ik.
En verder niets?
Brood en kaas.
Mirjam zei niets. Schonk thee in, at haar pap zwijgzaam op. De anderen ook. Antje vroeg naar de jam. Die was op. Ze haalde haar schouders op.
Na het ontbijt begonnen mensen in te pakken. Alles traag en loom. Koen drentelde over het erf. Mirjam vroeg waar haar dagcrème gebleven was we vonden hem. Tassen in de autos.
Ik liep naar buiten met een briefje, mijn berekening netjes overgetikt.
Mirjam, wacht even.
Ze keek wantrouwig naar het blaadje.
Wat is dit?
De kosten voor verblijf en eten. Alles op een rijtje.
Een moment was het stil. Mirjam las of deed alsof. Keek me aan.
Serieus?
Volkomen.
Lieneke…
Ik reken niets voor het opruimen, de sauna, het hout dat ik zelf kloofde. Alleen boodschappen en gebruiksmaterialen.
Koen kwam kijken en zei direct: Dit meen je niet.
Nee, dit is geen grap.
Maar Lieneke, zo ga je toch niet om met vrienden? begon Mirjam, haar stem ineens feller. Zo doen we dat toch niet in Nederland!
En je noemt iemand niet zielig achter haar rug, zei ik, zonder woede. En je behandelt haar huis niet als gratis vakantiepark.
Mirjams gezicht veranderde. Snel.
Je luisterde stiekem mee.
Ik liep gewoon naar de veranda. Het was windstil.
Antje deed een stap opzij, Sander keek naar de grond.
Echt belachelijk, zei Mirjam met die strakke toon die ik nog uit oude tijden kende, als ze ruzie maakte met de schoolleiding. Je hebt zélf uitgenodigd. Wij drongen niet aan.
Klopt. Ik heb jullie uitgenodigd. Graag zelfs. Tot ik hoorde wat jullie over mij dachten.
Je hebt het verkeerd begrepen.
Letterlijk gehoord.
Stilte. Mirjam vouwde het briefje op, weer open.
En als we niet betalen? vroeg Koen.
Dan meld ik ongeoorloofd gebruik van privé-eigendom bij de vereniging van het park. Ik heb alle papieren in orde.
Je bent niet goed bij je hoofd, fluisterde Mirjam, meer verbaasd dan boos.
Volkomen. Bankrekening voor overmaken staat achterop.
Ik keerde me om en liep naar binnen. Buiten hoorde ik zacht maar scherp gefluister. Ik wilde geen details meer horen. Waterkoker aan. Kijken in de tuin. Appelbomen met kleine vruchtjes.
Een paar minuten later een appje: er wordt geld overgemaakt. Een derde minder dan op de rekening stond. Ik tik terug: Nog niet compleet. Korte tijd later volgen de rest van de euros. Uiteindelijk klopt het bedrag.
Telefoon weggelegd. Thee ingeschonken.
Buiten klonken autodeuren. Eerst een wagen, dan de andere. Geen klepperende poort. Ze waren vertrokken zonder te sluiten.
Ik deed het hek dicht.
Terug naar binnen.
In de logeerkamers dekbedden opgefrommeld, een half opgedronken bekertje appelsap op de vensterbank. In Antjes kamer was het iets netter, maar nog steeds achtergelaten op een hotelmanier. Alles schoongemaakt. Beddengoed in de wasmand. Ramen opengezet.
De proseccofles vond ik op de veranda. Puur leeg. Juist. Die even naar buiten gedragen.
In mijn eigen kamer alles op zijn plek. Natuurlijk. Maar iets moest veranderen. Ik wist niet meteen wat. Toen wist ik het: telefoon uit de tas. Mirjam Noordzij zoeken. Blokkeren. Antje van Erven. Blokkeren.
Toen voelde ik: opluchting. Echt. Niet het eindelijk er vanaf soort opluchting. Gewoon: het zware dat je steeds draagt, eindelijk kunnen neerleggen.
Ik liep de tuin in. Donkere lucht, maar ergens kwam zon door. Een gouden vlek langs de wolken.
Ik pakte de tuinschop. Door naar de groentebedden. Ritmisch werken. De grond warm, de geur typisch.
Na een halfuur kreeg ik rugpijn. Iemand liep aan de kant van het hek.
Mevrouw van den Berg! klonk een stem. Goedemiddag.
Buurman Kees, zestig, oud-monteur, moestuinman, weduwnaar. Rustige kerel, met wie ik wel eens via het hek over het weer praatte. Had me vorig seizoen geholpen met het zetten van een nieuwe schutting. Ik bracht hem af en toe honing van de bijenhouderij verderop.
Goedemiddag, Kees.
Hij hield een schaal met een theedoek erover omhoog.
Vers gebakken appelflappen. Veel te veel voor mij alleen. Neem maar, vers uit de oven.
Ik nam de schaal aan. Voelde de warmte door de doek.
Dank u, Kees.
Ik zag dat uw gasten vroeger weg zijn, zei hij. Geen vraag.
Klopt.
Alles goed zo?
Zeker.
Hij knikte. Typisch dorps; niet te opdringerig.
Zin in een kopje thee bij mij aan de keukentafel? Bankje bij het hek is net gerepareerd.
Ik keek hem aan; zijn gezicht recht, zonder haast of medelijden. Alleen een uitnodiging.
Graag. Ik ben er over een minuut.
Appelflappen op het aanrecht, handen gewassen, vest aan, deur door, hek uit.
Bankje prima. Brede planken, onder de oude perenboom. Kees bracht twee mokken sterke thee, suiker in het schaaltje erbij.
We zaten samen. Stilte, geen ongemak. De bladeren ritselden zacht.
Ik vraag me wel eens af, zei hij plots, hoe u dat hele huis en tuin doet, zo alleen.
Gaat vanzelf. Gewend geraakt.
Je ziet dat het goed loopt. Het zomerhuis is er mooi van geworden, vroeger zag het er niet uit.
Klopt.
Nu is het gezellig.
Ik nam een slok. Krachtige thee.
Kees, hoorde u vanochtend wat bij het hek?
Hij zweeg even.
Een beetje.
En, wat vindt u?
Ja, zo gaat dat soms. De een denkt dat het normaal is de ander te gebruiken. De ander doet alles maar, uit angst dat niemand meer komt.
Hij pakte een appelflap.
Lekker, he?
Ja, zei ik. Heerlijk.
De zon drong langs de wolken, de perenboom glansde in zijn bladeren.
Denkt u dat mensen die anderen misbruiken weten wat ze doen?
Hij dacht na.
Sommigen wel, die vinden het niet fout. Zolang de ander alles pikt. Anderen denken er niet over na. De helpers zijn meestal bang niemand over te houden; daarom zeggen ze niets.
Ik knikte. Het was precies zo.
Mijn vrouw was ook zo. Lieverdsziel. Voor iedereen klaarstaan. Stil huilen in de keuken en zeggen dat het goed was.
Heeft zij ooit nee geleerd?
Nee, zei hij eenvoudig. Niet meer gelukt.
Dat zei veel. Ik zei niks meer. Gewoon samen zitten, thee.
Goed gedaan van u, zei hij opeens. Met die rekening. Dat doen maar weinig mensen. Maar u deed het goed.
Zij denken daar anders over.
Zulke mensen vinden zichzelf nooit schuldig. Is kenmerkend.
Ik glimlachte. Voor het eerst sinds drie dagen oprecht.
We zaten nog lang. Niks bijzonders besproken. Over slakken in de aardbeien dit jaar. Over waterpomp, die binnenkort aan vervanging toe is. Over een roman die hij uit had. Over de meesjes, die niet meer naar zijn voederhuisje kwamen. Daarna zwijgend.
Toen het echt donker werd, bedankte ik hem.
Dank voor de appelflappen en de thee.
Jij bedankt voor het gezelschap.
Ik liep naar huis, binnen, lampje aan in de keuken. Flappen onder een doek. Beker omgespoeld. In huis een ronde, alles op slot.
In mijn kamer, alles zoals het was. Bed. Boekenkast. Bes achter het raam, nu zwart silhouet in het donker.
Ik ging op bed zitten, sloeg het boek open op het blad waar ik vrijdag stopte. Een bladzijde gelezen. Weggelegd.
Het was weer stil. Mijn eigen stilte, aangeleerd in deze tweeënhalf jaar; eerst beangstigend, nu vertrouwd.
Wederkerigheid in contact weer zon zin uit een tijdschrift. Ik dacht altijd dat het over iets groots ging, maar nu begrijp ik: het is gewoon of iemand iets brengt naast zijn behoefte. Of een ontmoeting minstens zoveel achterlaat als je erin stopt.
Na dit bezoek was er minder. Minder likeur. Minder hout. Minder koffie. Minder rust. Maar iets anders was toegenomen helderheid, misschien, het vermogen grenzen te stellen. Daar is geen crisis of schreeuw voor nodig, alleen een briefje en een kalme stem.
Ik kroop onder de dekens. Hoorde buiten vogels nog ritselen. Kikkers zwegen, het was de avond niet.
Voordat ik insliep: ik moest morgen het stokje bij de komkommers repareren en de frambozen water geven. Kijken of de bessen geplukt konden. Genoeg te doen. Goede dingen.
Ik deed mijn ogen dicht.
Buiten was het donker. De Kersentuin was stil. In de verte reed een auto voorbij, het grind ruiste. Appelbomen stonden zwarter dan de lucht. De nacht was warm, stil.
Lieneke van den Berg, zesenvijftig, gepensioneerd lerares, eigenaresse van dit huis, deze tuin, deze rust, sliep.
s Ochtends wakker zoals altijd, half zeven. De lucht strakblauw. Dikke dauw, het gras was bijna wit. De zon liet het fonkelen bij het hek. In laarzen over het pad; luisteren naar het kraken van natte steentjes.
Stokje direct gerepareerd. Frambozen gegoten. Bessen waren bijna rijp, nog één dag. Ik voelde aan een trosje zwaar, sappig.
Binnen zette ik de waterkoker aan, sneed brood, haalde boter, kaas en zelfgemaakte blauwebessenjam uit de kast. Ontbijt voor mezelf. Niet wat gasten lekker vinden; wat ik wil.
Ik zat aan tafel, keek naar buiten.
Iets scharrelde in de appelboom een koolmees. Klein, geel, druk in de weer. Keek onder elk blad, zocht iets voor zichzelf.
Ik keek ernaar, at langzaam van mijn boterham met jam.
Toen, tijdens de thee, een stem bij het hek:
Mevrouw van den Berg! Goedemorgen! Lekker geslapen?
Ik stond op, deed het raam open. Daar stond Kees in zijn geruite overhemd, kennelijk ook vroeg uit de veren.
Goedemorgen, Kees. Prima geslapen.
Mooi zo. Ik heb kersengelei voor u. De eerste pot, wilt u proeven? Mag ik die brengen?
Ik keek naar zijn vaste blik. Geen poespas.
Graag, zei ik. De thee is net gezet.
Kom eraan.
Hij liep weg. Ik sloot het raam. Pakte een tweede mok. Die zette ik alvast klaar.
De mees zat nog in de boom buiten. Even later vloog ze weg, richting tuin. De tak wiegde nog na.
En de poort ging zacht open.







