De ooievaar, die me zou afzetten bij mijn ouderlijk huis, blijkt ontzettend scheel te zijn. Hij laat me vallen bij het kindertehuis, de gestreste kip. En vanaf dat moment loopt echt alles in de soep.
Pas tegen mijn veertigste kruip ik eindelijk uit dat dal waarin die maffe vogel me had geknikkerd. Ik bouw een huis, trouw met een vrouw, koop een tweedehands auto. Nu hoef ik alleen nog maar iets te planten en iemand groot te brengen. Met Meintje gaan we er één opvoeden, dat lukt ons wel. Aan een tweede hebben we nooit gedacht.
Terwijl ik koffie zet, dwaal ik met mijn gedachten af naar het zaaien, groeien en deze akelige, druilerige ochtend. Mijn oma-onderbroek wappert vredig in de tocht. Die heb ik trouwens al veel langer dan ik Meintje ken. Wat een grap eigenlijk.
Er wordt tegen het balkonraam getikt. Zijn de jongens beneden weer duiven aan het jagen met stoeptegels? Zon ooievaar als tijdens mijn jeugd zou die boefjes niet misstaan.
Weer getik. Dan tikt het nog een keer. Wie kan dat zijn? Derde verdieping.
Ik schuif het gordijn opzij en daar schuifelt hij: diezelfde scheel kijkende ooievaar uit mijn kinderdromen.
Rot op, kreng! gil ik van schrik. Mijn boterham maakt een duikvlucht naar beneden.
Daan, echt, vergeef me, zegt de ooievaar terwijl hij zijn dunne snavel door het kiertje van de balkondeur steekt. Ik geef het toe, ik heb het verprutst. Knijp maar, neem het rechtervleugel, die is dikker.
Wegwezen! Ik probeer zijn lange stoknek weer naar buiten te duwen met twee handen om die verenstengel.
Niet zo gek doen, Daan… proest de ooievaar, luister nu even.
Kun je ook al praten tegenwoordig? mopper ik terwijl ik zijn nek in een knoop probeer te leggen. Nou, ik zal je eens…
Ik kom mijn excuus aanbieden, echt waar.
Je bent rijkelijk laat, snavelmans.
Op dat moment rinkelt de deurbel dringend. Meintje is thuis.
Wegwezen nou! snauw ik de ooievaar toe en geef hem een laatste zet naar buiten. En maak dat je uit mijn zicht bent als ik terugkom.
Automatisch draai ik me om en ren naar de voordeur.
Sorry, Daan, roept hij nog door het open bovenraampje. Echt, ik heb alles goedgemaakt!
Meintje stormt het appartement binnen, helemaal natgeregend maar haar gezicht straalt van geluk. Haar haren plakken aan haar wangen, haar ogen glimmen. Zou ze de ooievaar ook gezien hebben?
Zonder iets te zeggen smijt ze haar paraplu opzij en springt in mijn armen.
Vier! Vier! gilt ze uit volle borst.
Wat, vier? stamel ik.
We krijgen een vierling! roept Meintje dolenthousiast. Vier kleine krullenbolletjes!
Op dat moment begint het te dagen. De excuses van de ooievaar en de vierling die dingen hebben alles met elkaar te maken. Ik vlieg naar het balkon. Die schele ooievaar stijgt net op. Ik probeer nog zijn staart te grijpen.
Maar ik ben net te laat.
Blijf staan, rotvogel! schreeuw ik hem achterna. Wacht, snavelmans!
Heb het goedgemaakt! klinkt het van boven.
Ik draai me om. Achter me staat Meintje, tranen van geluk op haar wangen.







