Dagboek, maandag 17 april
Al dagenlang lag ik in bed, zonder kracht om op te staan. Niets deed echt pijn, maar mijn hoofd tolde en ik voelde me leeg; ik zag het nut niet meer van opstaan.
Waarom zou ik nog? dacht ik. Mijn hele leven heb ik gewerktkinderen grootgebracht, mijn ouders naar hun laatste rustplaats begeleid. Nu is alles af en ben ik alleen overgebleven, zonder echte taak. De jaren zijn voorbij gevlogen, haast zonder dat ik het doorhad.
Ik wilde niets meer. Terwijl ik door de kamer keek, zag ik stofdraden hangen in de hoeken van het plafond. Mijn blik viel op het raam, waar mijn moestuin lagnu overwoekerd door onkruid. Terwijl het licht werd buiten, sloot ik mijn ogen en viel in slaap.
In mijn droom zag ik plots mijn moeder. Dat was bijzonder; sinds haar dood, drie jaar geleden, had zij zich maar één keer eerder aan mij laten zien in een droom. Liefdevol keek ze mij aan en ze stak haar handen naar me uit, alsof ze me wilde omarmen en geruststellen, zoals vroeger. Maar tussen ons voelde ik een onzichtbare muur.
Mijn lieve Evelien, sprak ze. Morgen is jouw laatste dag
Ik werd ruw uit de droom getrokken, schuddebevangen schoot ik overeind.
Hoezo mijn laatste dag? Is het al klaar? Waarom zo vroeg? riep ik uit, zonder te weten tegen wie.
Voor mijn geestesoog zag ik mezelf liggen op ditzelfde bed, levenloos. Mijn kinderen zouden straks komen, familie, kennissen Een huis vol rommel, de moestuin verwilderd, het eten op. Plots voelde ik een drang om alles op orde te brengen.
Ik rende het huis door, niet wetend waar te beginnen. In de keuken mengde ik haastig het deeg. Dat rijst wel tot vanavond, dan bak ik appeltaart. Als ik het nog haal tot dan.
Ik liet een teiltje met water vollopen, pakte een doek en begon elke hoek stofvrij te maken, alles werd opgeruimd. De vloer schrobde ik.
Zo, het huis is schoner dan ooit! zuchtte ik.
Nu de tuin nog. Ik werkte als een bezetene, niets voelen van honger of vermoeidheid. In mijn hoofd bonkte alleen: Laatste dag! Laatste dag!
Pas toen ik het onkruid uit de laatste rij had getrokken, voelde ik hoe zwaar mijn benen waren geworden.
Even zitten. Nee, straks, eerst nog het deeg.
Ik sprong weer naar binnen.
Niet veel later stonden de appeltaarten op tafel.
Morgen komen de kinderen, dan drinken ze thee met taart en denken aan hun moeder, fluisterde ik met tranen in mijn ogen. Laat ik zelf ook even proeven. Wat zijn ze zacht van binnen!
Ik zat bij het raam, mijmerend:
Het is toch een geschenk om te leven.
Maar veel omhanden had ik niet meer. Tijd om mijn mooiste kleding uit te zoeken.
Uit de kast haalde ik die nieuwe blauwe jurk die ik nog nooit aan had gehad.
Voor de spiegel stak ik mijn haar op, bracht wat make-up aan en trok de jurk zorgvuldig aan. Ik keek naar mijn spiegelbeeld en moest grinniken.
Wat een plaatje, zo kan ik beter trouwen dan sterven!
Maar het lot is niet te bedriegen… Dus legde ik me neer op bed.
Ik was amper gaan liggen, toen ik het geluid van een auto hoorde stoppen voor het huis. Een claxon klonk.
Naar de buren zeker, dacht ik, die kregen vaker bezoek.
Even later klopte iemand aan. Nog een keer. Zijn dat toch de kinderen? Ik gluurde door het gordijn, maar de auto was vreemd.
Wat een bak! Wie zou dat zijn? mompelde ik en liep naar de deur. Ik haalde de haak van het slot en opende.
Op de stoep stond een man, goed gekleed en prettig om te zien. Zijn nette pak deed denken aan een bruiloft.
Bent u Evelien? vroeg hij.
Ja…
Ik ben voor u gekomen. Het spijt me dat ik wat vertraging had
Kan ik u ergens mee helpen? vroeg ik onwetend.
Ja zei de man verlegen. Of nee u zult het misschien gek vinden.
Misschien bent u wel verkeerd?
Nee, ik ben echt voor u hier. Mijn excuses voor de onverwachte komst.
Het is wat laat voor bezoek. Waarmee kan ik u helpen?
Ik begrijp het, het is laat. Mijn tijdinschatting was wat ongelukkig, ik ben ver komen rijden en raakte ook nog de weg kwijt.
Toen ik nog steeds niet begreep wie hij was, zei hij:
Ik heet Sebastiaan. En ik wil u graag beter leren kennen.
Dat is ongebruikelijk, dacht ik.
Hoe kent u mij dan? vroeg ik.
Ik had u al via Skype een vriendschapsverzoek gestuurd, maar u komt daar zelden. Dus heb ik u opgezochtvraag maar niet hoe, dat verhaal komt nog wel. En nu ben ik hier.
Wat moet ik in Vredesnaam hiermee? vroeg ik me af.
Sebastiaan, ik ontmoet al lang niemand meer en wil niets veranderen aan mijn leven. U kunt beter weer naar huis gaan.
Daar heeft u gelijk in, ik had beter eerst kunnen bellen. Dag, Evelien.
Hij draaide zich om, liep naar zijn auto maar kwam halverwege terug en drukte mij een doos goede bonbons in handen.
Neem me niet kwalijk
Hij liep de tuin uit.
Zijn gezicht liet me niet loshij had uren gereden, wie weet had hij honger.
Sebastiaan, wacht! Kom binnen voor een kop thee.
Graag, zei hij opgelucht.
We gingen naar binnen.
Was even je handen, de handdoek hangt daar.
Ik schonk de thee in en zette de taarten op tafel.
Heeft u trek? vroeg ik.
Als dat mag?
Natuurlijk, eet gerust.
Ik merkte dat ik zelf ook uitgehongerd was en zette wat meer op tafelgelukkig had ik genoeg gemaakt.
Eet smakelijk, zeiden we tegelijk, waarna we moesten lachen.
Het was voor het eerst in tijden dat ik met plezier at. Zijn aanwezigheid voelde op de een of andere manier vertrouwd. Sebastiaan bleek verrassend geestig en na een uur had ik de indruk dat ik hem mijn hele leven kende.
Evelien, als ik ergens mee kan helpen, zeg het maar.
Ik keek naar zijn nette overhemd en lachte even.
Hulp? Nou, de schuur is ingezakt, het hek op instorten
Sebastiaan leek even na te denken.
Dat regel ik voor je, alles komt in orde.
Hij stond op om te vertrekken.
Dank voor alles…ik blijf niet slapen, begrijp dat dat raar zou zijn. Tot ziens, Evelien.
Dag, Sebastiaan, goede reis!
Ik ruimde op, bleef nog even zitten en ging daarna naar bedof eigenlijk, mijn laatste rust.
Vermoeid viel ik vrijwel meteen in slaap.
Dochter, waarom liep je gisteren zo weg zonder goed te luisteren? hoorde ik mijn moeders stem. Vandaag is de laatste dag van je eenzame leven. We weten hoe zwaar het voor je is geweest, dus sturen we je een engel om je te helpen. Jaag hem niet weg, hij zal op je letten. En jij, mijn lieve Evelien, wees ook goed voor hem.
Wie? Uw engel is al weggegaan, schrok zeker van het werk.
Mijn moeder sloeg een kruisje en loste op in het licht.
De volgende ochtend werd ik vroeg gewekt door lawaai voor het huis. Uit het raam zag ik een vrachtwagen vol bouwmaterialen. Er reed er nóg een het erf op, mannen stapten uit en begonnen planken uit te laden.
Ik heb niks besteld? dacht ik. Ik wilde al naar buiten rennen om hen weg te sturen, toen ik Sebastiaan zag aanwijzingen geven.
Later, toen ze klaar waren, vertrokken ze allemaal.
Ik liep naar buiten.
Wat is dit? Je zou haast een huis kunnen bouwen hiervan!
Later die dag kwam er weer een wagen, nu met ijzeren platenvoor een hek, begreep ik later. Zo’n hek had de buurvrouw ook laten plaatsen; ik had het altijd mooi gevonden.
De mannen begonnen meteen te werken. Tussen hen liep Sebastiaan, die niet alleen aanstuurde, maar ook zelf flink de handen uit de mouwen stak.
Ik liep naar hem toe.
Sebastiaan, waarom doet u dit allemaal?
Maak je geen zorgen, Evelien. Blijf maar binnen, het wordt straks stevig kouder.
Ik voelde me verward: nooit had iemand zoiets voor mij gedaan. Ik had altijd alles zelf moeten regelenmijn huwelijk had niets opgeleverd, twee keer zelfs. Ik wist met zijn zorg niet goed om te gaan.
Ondertussen liep het werk gesmeerd. Na enkele dagen stond er een fonkelnieuw hek, een schuur, het huis kreeg een nieuwe vloer en zelfs de kachel werd gerepareerd. Toch bleef ik argwanendwaarom doet hij zoiets voor mij?
Wil hij geld soms? Maar dat heb ik niet eens in huis.
Toch moet het betaald ik geef wat ik kan.
Toen Sebastiaan, vermoeid maar zichtbaar trots, het huis binnenkwam, zei ik:
Sebastiaan, ik ben u zo dankbaar, maar waarom doet u dit allemaal?
Ach Evelien, dat hoeft u niet zo te zien.
Ik overhandigde hem een envelopje met euros.
Neem het aan, het is niet veel, maar de rest krijg je later.
Echt waar, Evelien? Waarom toch? U hoeft niet te betalen.
Toch, ik sta erop. Arbeid moet beloond.
Sebastiaan draaide zich om en vertrok. Even later hoorde ik zijn auto wegrijden.
Ik snelde naar buiten, maar hij was al weg. De volgende dag keerde hij niet terug, ook de week erna niet
Ik wist niet wat ik moest doen. Verdriet nestelde diep in mijn hart. Ik kon aan niets anders denkenik, verliefd als een jong meisje.
Waarom heb ik Sebastiaan beledigd? En wat moet ik nu zonder hem? dacht ik, alsof ik hem al mijn hele leven had gekend.
Terwijl ik doelloos over straat liep, hield de buurvrouw me staande. Die wist altijd alles, van iedereen.
Joh, Evelien, wegjagen zon man! Zie wat hij allemaal voor je gedaan heeftdaar vind je er niet snel weer zo een!
Hij is echt weg, zuchtte ik.
Nou, ik zal je wat vertellen: aan de rand van het dorp staat s nachts en s ochtends vroeg altijd zijn wagen geparkeerd.
Echt waar? vroeg ik.
Bij het bos, rechtsaf voor je het dorp weer uit bent.
Maar toen ik ging kijken, was er geen auto, geen Sebastiaan.
Ze heeft me voor de gek gehouden, besloot ik en sjokte terug naar huis.
Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Uiteindelijk stond ik op, sloeg een plaid om mijn schouders en zette me op het trapje buiten. Het was koud, ik trok de plaid hoog op.
Waarom ben ik zo ellendig? En waarom zo stom? zei ik hardop, terwijl ik de tranen niet meer terug kon houden.
Plots voelde ik twee armen om me heen, een mond op mijn natte wangen en lippen.
Evelien, huil alsjeblieft niet, zei Sebastiaan zacht.
Waar was je zo lang? Waarom ging je weg?
Ik kon niet eens weg, ik hou van jou.
Ik hou ook van jou, meer dan van het leven, antwoordde ik.
Ik drukte me aan hem, mijn engel gestuurd uit de hemel.
Dank je, mam, fluisterde ik en huilde opnieuwmaar nu van geluk.
Vandaag leerde ik iets kostbaars: wanneer je denkt dat het voorbij is, kan het leven altijd weer opnieuw beginnen. Zolang je de moed hebt om open te staan voor nieuwe kansen, en de warmte van een onbekende toelaat, wordt zelfs de laatste dag een nieuw begin.






