André zat op een keukentabouret en keek hoe stofdeeltjes dansten in de gouden zonnestraal van de ondergaande zon. In appartement 48 aan de Vredestraat was het kraakhelder. Té kraakhelder.

Wout zat op een kruk in de keuken van zijn appartement aan de Lijnbaansgracht 104 en keek hoe stofdeeltjes dwarrelden in het gouden schijnsel van de ondergaande zon. Het was griezelig opgeruimd. Zelfs de lucht voelde strakgetrokken.

Drie maanden terug was Maartje vertrokken. Ze had drie koffers meegenomen, de grote varen in een rieten mandje, en vooral: hun kinderen, de tienjarige Tijl en zesjarige Noor. In het begin voelde dat als vrijheid. Geen tekenfilms meer in de ochtend, niet struikelen over een bak Duplo, geen gevloek over verloren sokken bij het ontbijt. Je kon de hutspot eten zó uit de pan, niemand die er wat van vond.

Maar na één week voelde die vrijheid als een hoop lucht zonder zuurstof. Wout ontdekte dat hij in al die jaren samenwonen lui was geworden. Hij wist niet meer waar de messen lagen, hoe de wasmachine werkte of hoe je het bed verschoonde. Bovenal raakte hij de kluts helemaal kwijt op vrijdagmiddag.

Pap, daar zijn we! Noor stormde de hal in, nog ruikend naar nat gras en appelshampoo. Wout klampte haar onhandig vast. Tijl volgde, zwijgend met zijn koptelefoon op, een snelle blik op zijn vader.

Hé, daar zijn jullie, twee rakkers. Alles voorbereid voor jullie komst, mompelde Wout, terwijl hij zijn blik afwendde van de brandschone kamer.

Deze keer zou alles anders gaan. Misschien, hoopte hij in zijn droom, als hij perfect zou zijn, zouden ze blijven. Hij had speciaal een nieuwe keramische pannenkoekenpan gekocht en een printje van een pannenkoekenrecept uit de Allerhande tussen zijn boterhammen gelegd.

Wat eten we vandaag? vroeg Tijl de volgende ochtend loom, met zijn slaperige stem in de keuken.

Pannenkoeken! Met frambozenjam, zoals jullie altijd wilden, antwoordde Wout dapper, terwijl het beslag klonterde. Net als bij mama.

Echt waar? Noor kroop boven op een kruk, haar ogen groot als rivierdruppels.

Wout verstijfde. Beter dan bij mama. Echt waar.

Een halve droom later leek de keuken op een trekvaart vol poedersuiker. Bloem in zijn wenkbrauwen, op de vloer, tussen de gordijnen. De eerste pannenkoek was een stoffig hoopje. De tweede zwartgeblakerd. De derde bobbelde als een maanlandschap.

Wout voelde boosheid als een koude regenbui naderen. Hij háátte die pan en zijn eigen handen die niet luisterden. Hij beet zijn tong bijna door, maar zag twee wachtende gezichten en hield zich stil.

Bijna klaar, hijgde hij, een glimlach die niet wilde landen.

Uiteindelijk lag er een stapel grillige, half verbrande maar heerlijk geurende pannenkoeken op tafel. Wout zette een glazen pot jam neer, zijn ogen strak op de kinderen. Noor proefde, sloot haar ogen.

Lekker, pap. Echt. Tijl knikte, zijn koptelefoon op, drie pannenkoeken zo verdwenen. Wout blies alle spanning uit zijn borst. Het voelde even als winnen. Heel eventjes werd de afstand tussen vader en kinderen dichtgesmeerd met een stroperig laagje beslag.

Maar als zondagavond kwam, werd alles stil. Dan kantelde de droom weer naar afscheid en leegte. Ze zaten samen op de bank, het licht vreemd en wiebelig als op een oude schildering.

Wout had speciaal een spelcomputer gekocht, zo eentje waar Tijl al maanden naar vroeg.

Tijl, hoe ver ben je? Eindbaas al te pakken? probeerde Wout luchtig.

Ja. Thanks pap. Vet apparaat, bromde Tijl zonder zijn ogen van het scherm te halen.

Noor, moet ik straks een verhaaltje voorlezen? Wout pakte een kleurrijk boek uit de kast.

Pap, wanneer komt mama mij halen? fluisterde Noor. Ze keek niet naar het boek, maar naar haar gympen naast de deur.

Over een uurtje, liefje. Waarom? Vond je het niet fijn hier vandaag? We hebben pannenkoeken, een Playstation, het lekkerste ijs in de vriezer. We kunnen morgen samen naar de Artis gaan, als jullie nog een dagje blijven…

Tijl legde de controller neer. Het werd akelig stil.

Pap, zei hij. Het is hier lekker, en de Playstation is echt tof. Je doet je best. Dat merken we.

Wout grijnsde. Maar diep vanbinnen werd het krap en benauwd.

Dus… jullie vinden het leuk? vroeg hij hoopvol.

Noor kroop zacht tegen hem aan. Je bakt lekker, pap. Maar bij mama is het… thuis en gezellig.

Die woorden deden meer pijn dan de brief van de scheiding. Wout keek om zich heen. Designstoelen, glanzende keuken, nergens stof. Alles was goed, maar alles was koud.

Wat bedoel je met thuis, Noortje? Zijn stem trilde. Hebben jullie hier niet jullie kamers, speelgoed, knuffelbeer…?

Tijl keek op, serieus en ineens heel volwassen. Thuis is weten waar mijn sokken zijn. Of oude tekeningen op de koelkast. Weet je nog dat ik die prijs won met Minecraft-programmeren, drie jaar geleden?

Wout wilde natuurlijk antwoorden maar zijn keel kneep dicht. Hij was toen steeds voor zakenreis weg, misschien op een congres in Eindhoven of Hilversum, nooit thuis.

Mama wéét altijd voor welk wasmiddel ik allergisch ben, ging Tijl droevig verder. Gisteren vroeg je in welke klas ik zat. Je wil graag dat we je aardig vinden. Je hebt een pannenkoekrecept in één dag onthouden, maar ons niet in tien jaar.

Wout sloot zijn ogen, zijn handen op het gezicht. Het was waar. Hij was nooit echt hier geweest. Alleen geld binnengebracht, kaartjes gekocht voor Efteling en voetbal, maar nooit écht aanwezig.

Hij had nooit verloren van Maartje. Hij had verloren van zichzelf die man die dacht dat familie vanzelf bleef bestaan. Maar familie bouw je, elke dag opnieuw.

Toen ging de bel. Maartje stond voor de deur voor de kinderen.

Wout voelde zich oud. Hij trok Noor haar jasje aan, gaf Tijl zijn rugzak.

Dankjewel voor de pannenkoeken, pap, fluisterde Noor, een zachte kus op zijn neus.

Doei pap, mompelde Tijl, zijn hand even op Wouts schouder. De Playstation is echt top.

Maartje stond zwijgend in de deuropening, haar blik warm, bezorgd. Ze zag het bloem op zijn trui, de somberte in zijn gezicht.

Alles goed, Wout? vroeg ze zacht.

Hij knikte. Maartje… Noor zei dat het bij mij geen thuis is. Ze heeft gelijk.

Maartje zei niets, wachtte.

Ik kom voortaan wél. Niet alleen om ze op te halen en te laten logeren in een museum. Ik help Tijl met zijn project. En donderdag, als Noor haar dansvoorstelling heeft… Ik ben er. Goed?

Een zwakke glimlach verscheen. Je bent welkom, Wout.

De deur ging dicht. Wout werd alleen achtergelaten in zijn nagalmende flat, maar liep niet richting tv. Hij opende de koelkast. De witte deur was leeg en strak.

Hij zocht in de gang naar een verfrommeld tekeningetje van Tijl een oude, kromme auto, drie poppetjes. Met een oranje magneet hing hij het midden op de koelkast.

Daarna vond hij Tijls nummer op zijn mobiel.

Tijl, ik heb gekeken naar je robotica-rooster. Woensdag ben ik vrij. Zullen we samen naar die werkplaats gaan waar je zo enthousiast over was? Zonder pannenkoeken, zonder spelcomputer. Gewoon samen zijn.

Binnen een minuut een reactie: Is goed, pap. Ik heb er zin in.

Wout keek naar zijn handen, naar zijn reflectie in het raam. Toen wist hij, met een soort zekerheid uit een droom: een thuis ontstaat niet in een weekend. Maar vandaag had hij een eerste echte steen gelegd.

Hij begon de vaat af te wassen. Niet omdat het moest, maar omdat hij voelde dat zijn thuis, zijn échte thuis, niet moest bestaan uit oude vlekken. En nu wist hij: kinderen blijven niet voor pannenkoeken of spelcomputers. Kinderen blijven voor hun vader. Elke dag. Zonder recept.

Please rate
Bagattia News
André zat op een keukentabouret en keek hoe stofdeeltjes dansten in de gouden zonnestraal van de ondergaande zon. In appartement 48 aan de Vredestraat was het kraakhelder. Té kraakhelder.