Lieve dagboek,
Kees, we wachten al vijf jaar. Vijf. De artsen zeggen dat we geen kind meer krijgen. En nu
Kees, kijk! ik sta bevroren bij de poort, kan mijn eigen ogen niet geloven.
Kees strompelt onhandig over de drempel, bukken onder het gewicht van een mand met vers gevangen haring. De koele ochtendlucht van juli snijdt tot in de botten, maar wat ik op de oude bank bij de schutting zie, doet de kilte vergeten.
Wat is dat? vraagt Kees terwijl hij de mand neerzet en naar me toe loopt.
Op de versleten houten bank ligt een gevlochten mandje. In het zachte, vervaagde verbandje ligt een baby.
Zijn enorme, kastanjebruine ogen staren recht in mij zonder angst, zonder nieuwsgierigheid, gewoon starend.
God, zucht Kees, waar komt hij vandaan?
Voorzichtig streel ik over zijn donkere haar. Het kind beweegt zich geen gram, huilt niet hij knippert alleen.
In zijn kleine vuistje vind ik een vouwtje papier. Ik spreid het langzaam en lees de brief:
Alstublieft, help hem. Ik kan het niet. Sorry.
We moeten de politie bellen, zegt Kees, terwijl hij zich krabt op zijn achterhoofd. En het bij de gemeente melden.
Maar ik heb de jongen al opgepakt en tegen me aangeleund. Hij ruikt naar stoffige wegen en ongewassen haar. Het rompertje is gescheurd, maar schoon.
Anja, kijkt Kees bezorgd, we kunnen hem niet zomaar nemen.
Kunnen we wel, antwoord ik, haar ogen op hem gericht. Kees, we wachten al vijf jaar. Vijf. De artsen zeiden dat we geen kinderen zouden krijgen. En nu
Maar de wet, de papieren de ouders kunnen nog komen, protesteert hij.
Ik schud mijn hoofd. Geen ouders komen. Ik voel het.
Plots lacht de jongen breed, alsof hij ons gesprek begrijpt. Dat is genoeg. Via een kennis hebben we de voogdij en de papieren geregeld. 1993 was een roerige tijd.
Na een week merken we vreemde dingen. De jongen, die ik Ivo noem, reageert niet op geluiden. Eerst dachten we dat hij gewoon in zichzelf gekeerd was.
Maar toen de tractor van de buurman onder ons raam rolt, blijft Ivo volledig stil. Mijn hart trekt samen.
Kees, hij hoort niets, fluister ik s avonds terwijl ik de baby in de oude wieg leg die ik van mijn neef heb geërfd.
Kees staart lang naar het vuur in de kachel, zucht dan: Laten we naar de huisarts in Oosterwolde gaan, bij dokter Van den Berg.
De dokter onderzoekt Ivo en haalt de schouders op: Congenitale doofheid, volledig. Een operatie is geen optie, dit is geen geval voor ingrijpen.
Ik huilde de hele weg naar huis. Kees zwijgt, knijpt zo hard op het stuur dat zijn vingernagels wit worden. s Avonds, terwijl Ivo slaapt, haalt hij een fles uit de kast.
Kees, misschien is het beter
Nee, hij schenkt een half glas in één teug. We geven hem niet weg.
Wie?
Zijn. Nergens geven we hem aan, zegt hij beslist. We doen het zelf.
Maar hoe? Hoe leren we hem? Hoe
Kees onderbreekt me: Als het moet, leer jij het. Jij bent lerares, je verzint wel iets.
Die nacht kon ik geen oog dichtdoen. Ik lag, starend naar het plafond, en dacht:
Hoe leer je een kind dat niets hoort? Hoe geef je hem alles wat hij nodig heeft?
Dan besefte ik: hij heeft ogen, handen, een hart. Dus heeft hij alles wat nodig is.
De volgende dag pakte ik een schrift en begon een plan te maken. Boeken zoeken, uitvinden hoe je zonder geluid kunt onderwijzen. Vanaf dat moment veranderde ons leven voor altijd.
In de herfst werd Ivo tien. Hij zat bij het raam en tekende zonnebloemen. In zijn schetsboek dansten ze, draaiden ze in een eigen stille wals.
Kees, kijk, ik tik over Kees schouder terwijl ik de kamer binnenstroom.
Weer geel. Vandaag is hij blij.
De jaren hebben ons geleerd elkaar te verstaan zonder woorden. Eerst leerde ik de fingerspelling, daarna gebarentaal.
Kees leerde trager, maar de belangrijkste woorden zoon, ik hou van jou, trots kende hij al lang.
Er bestond geen speciale school voor kinderen als Ivo, dus onderwees ik hem thuis. Hij leerde snel lezen: het alfabet, lettergrepen, woorden. Rekenen ging nog sneller.
Maar bovenal tekende hij. Overal waar hij maar kon. Eerst met een vinger op een beslagen raam, daarna op een schoolbord dat Kees speciaal voor hem had gebroken, later met verf op papier en doek.
De verf bestelde ik via de post uit Leiden, zodat hij altijd goed materiaal had.
Tekent je stille zoon weer iets? plaagt buurman Sjoerd, die over het hek gluurt. Wat heeft hij nu weer gedaan?
Kees reageert: En jij, Sjoerd, wat pak je nou met je mond?
De dorpsbewoners begrepen ons niet. Ze plaagden Ivo, noemden hem de maffe. Vooral de kinderen.
Op een dag kwam Ivo thuis met een gescheurde blouse en een wond op zijn wang. Hij liet me stilletjes zien wie het had gedaan Karel, de zoon van de dorpsbaas.
Ik huilde, wreef de wond uit. Ivo veegde mijn tranen weg met zijn kleine handjes en glimlachte: Maak je geen zorgen, alles komt goed.
s Avonds ging Kees weg, kwam laat terug, zei niets, maar had een blauwtje onder zijn oog. Na die aanval liet niemand Ivo meer aanraken.
Zijn tekeningen veranderden toen hij tienjarig werd. Een eigen stijl ontstond, alsof hij uit een andere wereld kwam.
Hij schilderde een stille wereld, maar de diepte was zo sterk dat iedereen versteld stond. De muren van ons huis stonden vol met zijn werken.
Op een dag kwam er een commissie van het district langs om ons thuisonderwijs te inspecteren. Een oudere dame met een streng gezicht stapte binnen, staarde naar de schilderijen en verstarde.
Wie heeft dit geschilderd? vroeg ze zachtjes.
Mijn zoon, antwoordde ik met trots.
U moet dit laten zien aan de vakmensen, zei ze terwijl ze haar bril afzette. Uw jongen heeft echt talent.
We waren bang. De wereld buiten het dorp leek zo groot en gevaarlijk voor Ivo. Hoe zou hij daar overleven zonder onze gebaren?
We gaan, drong ik aan, terwijl ik zijn spullen inpakte. Het is een kunstmarkt in de regio. Je moet je werk laten zien.
Ivo was zeventien. Lang, slank, met lange vingers en een oplettende blik die alles leek te doorgronden. Hij knikte moeizaam er was geen reden om tegen mij in te gaan.
Op de markt hing men zijn schilderijen in de verste hoek: vijf kleine doeken velden, vogels, handen die de zon vasthouden. Mensen liepen voorbij, keken, maar stopten niet.
Toen kwam ze: een grijze vrouw met een rechte rug en een scherpe blik. Ze staarde lang naar de schilderijen, draaide zich abrupt naar mij.
Zijn dit uw werken?
Van mijn zoon, knikte ik naar Ivo, die naast me stond met de handen over de borst.
Hij hoort niets? vroeg ze, toen ze zag dat we alleen met gebaren communiceerden.
Ja, vanaf de geboorte.
Ze knikte.
Ik ben Vrouwe Marloes de Vries, curator van de galerie in Rotterdam. Dit werk ze hield even stil bij het kleinste doek met een ondergaande zon boven een veld. Het bevat iets wat veel kunstenaars jaren zoeken. Ik wil het kopen.
Ivo verstarde, keek mij aan terwijl ik haar woorden in gebaren vertaalde. Zijn vingers trilden, een zweem van wantrouwen in zijn ogen.
Overweegt u de verkoop niet? drong ze aan, professioneel en overtuigd van de waarde van kunst.
We ik wankelde, voelde mijn wangen branden. We hebben er nog nooit over nagedacht. Het is zijn ziel op het doek.
Zonder te aarzelen trok ze een leren portemonnee, telde een bedrag af evenveel als Kees een half jaar in zijn timmerwerkplaats had verdiend.
Een week later kwam ze terug, nam een tweede schilderij mee de handen die het ochtendlicht vasthouden.
In de herfst leverde de post een brief af:
De werken van uw zoon stralen een zeldzame oprechtheid uit. Ze tonen een diepgang zonder woorden. Dat zoeken echte kunstliefhebbers nu.
De hoofdstad, Amsterdam, verwelkomde ons met grauwe straten en kritische blikken. De galerie bleek een klein, knus vertrek te zijn in een oud pakhuis aan de rand van de Jordaan. Dagelijks kwamen mensen met aandachtige blikken binnen.
Ze bestudeerden de schilderijen, spraken over compositie en kleur. Ivo stond op afstand, observeerde lipbewegingen en gebaren. Hoewel hij geen geluid hoorde, spraken de gezichten van de toeschouwers hun eigen verhaal.
Al snel volgden beurzen, stages, publicaties in vakbladen. Men noemde hem De kunstenaar van stilte. Zijn werken, stille kreten van de ziel, raakten iedereen die ze zag.
Drie jaar later stond Kees, met tranen die hij niet kon tegenhouden, naast zijn zoon bij een persoonlijke tentoonstelling. Ik hield me vast, maar van binnen bruisde een storm.
Onze jongen is nu volwassen, leeft in de stad, in een ruime flat, maar hij komt elk weekend thuis. Hij omhelst me en alle twijfels vervagen.
Hij zal mijn stem nooit horen, maar hij kent elk woord. Hij hoort geen muziek, maar hij componeert zijn eigen symfonie met verf en lijnen. Als ik zijn brede lach zie, besef ik: de belangrijkste momenten gebeuren in de diepste stilte.
Vandaag, terwijl ik met een kopje koffie op het terras sta en naar één van zijn schilderijen kijk, denk ik terug aan die juliochtend. Wat als we die poort niet hadden geopend? Wat als ik had getwijfeld?
Mijn les, lieve dagboek, is simpel: soms moet je een deur naar het onbekende openen, zelfs als de weg ernaast stil en onzeker lijkt. Want in die stilte kan een heel leven aan kleur en hoop ontstaan.







