Lang geleden, toen de zon net door de Hollandse grachten glinsterde, herinner ik me hoe mijn man mij die ochtend Madelief noemde. Hij knuffelde me, fluisterde in mijn oor:
Goedemorgen, Madelief. en viel weer in een zoete slaap.
Ik opende mijn ogen, lag stil uit angst om te bewegen; een koude rilling trok door me heen. Hoe had dit kunnen gebeuren? Was alles niet goed geweest?
Sven, mijn man, rolde zich om, geeuwde en zei:
Liselotte, je bent zo koud, ik ben al uit mijn slaap. Hoe gaat het? Het is zomer, en jij bibbert onder de deken. Ik zet wel even wat koffie.
Hij strompelde vrolijk naar de keuken, fluitend op een opgewekt deuntje. Ik lag nog een tijdje, stond langzaam op, trok naar de wastafel, mijn benen voelden aan als lood. Een wit geruis galmde in mijn hoofd. Misschien had ik echt een kopje koffie nodig.
Sven vroeg om een pannenkoek. Ik keek hem somber aan:
Je noemde me vanochtend Madelief.
Wat, lieverd?
Sven, doe niet alsof je een dwaas bent. Je noemde me Madelief.
Je hebt je vergist, Lis. Madelief, Madelief, het is s ochtends nog slaperig. Je bent zo kil en somber? Ach, vrouwen ze maken hun eigen drama. Ik ga toch aan het werk, hongerig.
Ik dwaalde nog wat door het huis, probeerde te kalmeren, gaf de bloemen water, bakte een pannenkoek, trok me haastig aan en reed naar het werk van Sven. Misschien had ik het echt misgehoord, Madelief, Lis, ik dacht.
In de praktijk van Sven stond een nieuwe secretaresse klaar. Een jonge, knappe vrouw met een rode bos krullend haar en een volle boezem.
Dokter Sven Jansen is vandaag niet beschikbaar, ik kan u in de komende week inplannen.
Schrijf u maar in bij mij, dat is handiger, blies ik onverwacht uit.
Wat bedoelt u? keek de secretaresse verbaasd met haar grote ogen. Wie bent u?
Goorjan, dat is mijn achternaam. Lis Jansen, echtgenote van Sven. En ga maar weg, er komen hier alleen maar straatkatten binnen.
Plots klonk Svens stem via de intercom:
Madelief, breng me even een kopje koffie. Madelief?
Ik pruttelde:
Oké, ik breng het.
Liselotte? stamelde Sven toen hij me zag met het dienblad in zijn kantoor. Is er iets gebeurd?
Hier is je koffie, en een pannenkoek. Je krijgt de scheidingspapieren per post. Smakelijk.
Wat is hier in vredesnaam aan de hand? snauwde hij, woedend. Al sinds de ochtend als een heks op een bezem.
Er zit een heks in de wachtkamer. Waarom heeft ze haar haar niet opgestoken? Een gerespecteerde tandarts en een vulgaire secretaresse, dat is goedkoop, Sven Jansen.
Liselotte, houd op. Ik verdraag geen hysterieën meer. Weet je wat? Ik ga een week op het landhuis wonen. Als je kalm bent, kun je me bellen.
Te laat, Sven. Ik ben serieus. Ik zal de overspel niet tolereren. Zeg me gewoon waarom.
Sven zuchtte moeizaam, nam een slok koffie en trok een grimace.
Varvara is ontslagen. Madelief heb ik via haar aanbeveling aangenomen.
Wanneer?
Een maand geleden, antwoordde hij, zijn blik afwendend.
Waarom heb je mij dat niet verteld? Je deelde altijd alles.
Ik had niet verwacht dat Madelief langer zou blijven. Ze doet het uitstekend.
Dat geloof ik.
Voor het werk! blies Sven uit. Ze presteert uitstekend!
En niet alleen dat.
Het was een ongeluk! Ik had het niet willen!
Je had het niet moeten, geen overspel. Ik pak mijn spullen en verhuis.
Waarheen? raakte Sven nerveus. Ik zei toch, ik blijf een week op het land, kalmeer even. Lis, ik wil niet scheiden!
Maar het moet. Ik wil je naam niet meer uit je mond horen. Lis, Madelief. Jouw rode secretaresse zal altijd in mijn gedachten blijven. Breek niet mijn psyche, ik heb al genoeg stress op het werk en met de kinderen.
Waar ga je heen? Blijf in het huis.
Waarom zou ik jouw appartement nodig hebben? Ik heb een eigen huis.
In deze stilte? Een oud houten huis?
Dat is mijn huis. Punt.
Het huis was van mijn ouders, een trage nostalgie die me deed huilen. Zoveel herinneringen, alleen maar een muf aroma. Mijn vriendin Nelleke, die naast me zat, klagde:
Je kunt hier niet blijven, Lis, word niet gek. Ga terug naar het appartement. Verkoop dit huis, neem een hypotheek. Dan…
Kijk niet zo, we hebben genoeg gehad. Ik kan het niet. Zou jij het kunnen?
Ik weet niet hoe ik me zou gedragen op jouw plek.
Ik opende alle ramen in het huis.
Trouwens, het is hier best leefbaar. Het huis is stevig, vijftien minuten rijden naar de stad. De wijk is populair geworden, er zijn al talloze huizen. De nutsvoorzieningen zijn er al lang. Ik ben hier vijf jaar geweest en nog nooit geweest.
Dat is wel zo, maar er is zoveel werk! En ik moet nu meteen wonen. Misschien kun je een kamer bij mij gebruiken?
Waar? In de voorraadkamer?
Saskia is op vakantie bij mijn moeder, protesteerde Nelleke. Je kunt de kamer tot de herfst gebruiken.
De kamer van een tiener is heilig, wat ben je, een moeder? En bovendien leraar.
Hou je mond, zwaaide Nelleke weg.
Ruik je dat? vroeg ik. Het ruikt naar gras, een boerderij, mijn jeugd.
Ja, het gras is hier wel wat wild, moet gemaaid worden. Je redt het wel.
Ik regel een ploeg, ik heb spaargeld. Vijf jaar heb ik met Sven een privékliniek gerund, op zijn geld. Hij zag mijn salaris als een spel. Hij zei: spaar voor plezier.
Hij was een goede man, zuchtte Nelleke.
Ik dacht dat ook, maar het is zwaar.
Ik kan me voorstellen.
Je gelooft me niet. Ik dacht Madelief alvast tanden te trekken, dan laat hij nieuwe zetten. Maar ik ben te oud voor dat.
Ben je al oud en ziek? snauwde Nelleke. Met veertig begint het leven pas echt.
Hoe leg ik dit uit aan Anke? Ik wil het niet zeggen, ik wil niet dat ze wegloopt, dat ze ons komt troosten.
Dat is te begrijpen. Twintig jaar samen, spijt?
Spijt? Het is als een bijensteek in de kont. Laat me met rust.
Je bent hard, verbaasde Nelleke. Ik dacht dat je zou huilen.
Dat gebeurt niet.
Het is stress, zie je.
Misschien. Maar ik ga door.
Wil je me helpen? Pak een emmer, we gaan water halen, de vloer schrobben, ramen lappen, stof vegen.
Beter in een hotel. Maar wil je echt met dat huis knutselen?
Waarom niet? Het is het huis van mijn ouders, ik wil het niet slopen of verkopen.
Huur een ontwerper en aannemers in, laat ze het opknappen, want het is ons gezamenlijke huis.
Ik wil er niet blijven.
Je deelt het niet meer?
Sven laat ons het huis waarschijnlijk aan Anke over, hij heeft een boerderij. Anke beslist. Het is eigenlijk haar appartement, ik heb het niet nodig.
Sven heeft een luxe villa, beter had hij die aan ons gegeven. Er is een toilet en water.
En hier ook. Stop met klagen, ik heb geen steun meer
De waterkraan was verdwenen; een nieuw, mooi huis stond achter een hoog hek.
Nou, ben ik niet verbaasd, zei Nelleke sceptisch. Zoveel jaren voorbij, kijk hoe jullie huizen naast elkaar staan, ze willen uitbreiden.
Waar kom je op?
Loop rond. Hun hek is aan drie kanten, jouw tuin heeft alleen palen. Ze zochten de eigenaar, en jij komt er net langs.
Misschien is het hek nog niet af.
Kijk, een auto komt eraan, de eigenaren zijn weg.
Jij, Nelleke, vertel sprookjes.
Het leven is soms een sprookje. Kijk die man, niets bijzonders.
Nelleke, zwijg. Ik heb een scheiding en een verraad. Ik heb geen tijd voor mannen.
Waarom sta je hier als een plakker?
Vraag die man waar de waterkraan is, ik heb water nodig.
De man, nors en onbevriendelijk, keek niet eens op. Hij stond bij zijn auto, handen in de zakken. Nelleke zweeg. De man hoestte.
Wat heeft u nodig? vroeg hij.
Wat hout, antwoordde ik.
Hij wiebelde op zijn tenen.
Mogen we het wel hakken? Bent u de eigenaresse van dit huis?
Ja, dat ben ik. Er stond hier vroeger een kraan, ik heb water nodig.
Sorry, er is hier geen andere kraan meer.
Dan ga ik naar mijn eigen.
Waarom niet meteen naar die?
Ik haat putten. Duidelijk?
Heb je drinkwater? fluisterde Nelleke.
Ja, ik heb het al. Ga maar naar huis, je maakt me nerveus.
De volgende ochtend werd ik wakker van een varkensgelui, net als in mijn kindertijd. Het huis rook niet naar koekjes, niemand kwam binnen, de deur sloot niet. Tranen stroomden weer.
Een tweede gegil klonk. Waar kwam dat varken vandaan? En dan voetstappen. Ik hoorde iemand buiten over het gras scharrelen.
Hé, wie is daar? Ik bel de politie!
Geen zorgen, ik ben de buurman. Ik moet uw varkentje Hector ophalen.
In mijn pyjama ging ik naar de deur.
Welke Hector? Wat is hier uw bedoeling?
Hector! schreeuwde de man die dieper in het onverharde tuinpad stond. Het gras bewoog, een gegrom, en uit de haag kwam een klein zwart biggetje.
Van ras?
Eerlijk gezegd weet ik niets van biggen.
Waarom wilt u een biggetje?
Het is niet van mij. Het is hier in de schuur beland, ik ben door het dorp gereden, niemand zoekt een big. Ik ben er wel gehecht aan, eerlijk gezegd. Héctor een vriend zou geslacht kunnen worden, hij is ontsnapt, ik breng hem terug.
Hoe komt u in zon dorp met zon mentaliteit?
Hoezo? voelde de man zich gekwetst. Hier is natuur, frisse lucht, rust, de stad is dichtbij. U bent ook geen boerin.
Waar haal je dat?
Ten eerste, u bent hier voor het eerst in drie jaar, ten tweede, uw tuin is overwoekerd. En bovendien, u bent knap.
Meneer, laten we stoppen met dit gedoe. Ik heb over een week een scheiding, stress, een psychose. Ik kan hier een boerenscheldpartij uitlokken. Ik ben hier opgegroeid, iedereen had ooit een big. Stop met naar mijn handen kijken. Ik kan met een dennenbijl een berkenboom omhakken.
Laten we gaan, het is hier gevaarlijk. U moet niet zo psychotisch worden, alstublieft. Ik heb nog geen schutting gezet, Hector houdt van uw gras.
Ik doe geen kwaad aan kinderen of dieren. Vaarwel.
De volgende ochtend werd ik wakker door het janken van een hond. Het was weer een wirwar van varkens, buren, honden; ik was hier gekomen om alleen te zijn en mijn gedachten op een rij te zetten. De hele dag had ik niets gedaan, alleen rondgelopen en in de supermarkt gestapt. Geen aannemer had ik gebeld, laat het gras maar groeien.
Het janken klonk weer onder mijn raam. Ik ging naar de deur, zag een puppy.
De buurman deed de poort open, slaperig in zijn pyjama, bijna als die van mij. Naast hem stond het varkentje Hector.
Is dit uw puppy? vroeg ik gehaast.
Waar komt u vandaan?
U heeft geen schutting, varkens komen binnen, misschien ook honden.
Wilt u geen puppy houden? In een vrijstaand huis heb je een hond nodig. Ik ga deze week naar een asiel.
Ik heb nooit een hond gehad. En u heeft het varkentje al geregeld.
Ik neem het als een buurttgift. Bedankt. Noemt u hem een naam.
Laten we Arie noemen. Mooi.
Niet Arie, ik heet Arjen. Het is niet goed om je hond dezelfde naam te geven als jezelf.
Dan heet hij Koos. U heeft al Hector.
Koos en Hector? Prachtig! Bedankt! En hoe heet u?
Liselotte.
Mooi.
Ik ga maar, zei ik aarzelend, maar bleef staan.
Ik wilde niet weg. Varkentje, puppy, verdriet en herinneringen.
U kunt altijd weggaan, maar laten we eerst met de puppy bezig zijn. Ik leer u omgaan met honden. Dan krijgt u uw eigen hond, die de woning bewaakt. stelde de buurman voor.
Dat klonk niet zo verkeerd als Nelleke had gezegd. Ze had me gewaarschuwd niet met een man genaamd Goorjan te trouwen, want ziekte komt er makkelijk bij.
Mijn achternaam leek me nu grappig. Ik zat in een huis zonder water, met een toilet buiten. Ik krabde op mijn knie, nu zou ik een douche kunnen gebruiken.
Wat is hier aan de hand? Een pyjamafeest? hoorde ik Svens stem plotseling.
Dit is Sven, dit is Arjen. Sven, dit is mijn exman. Wat doe je hier? En hoe vond je mij?
Wat zoek je hier? Je poort staat open, de deur van het huis ook. Ik vroeg me af of je nog steeds wilt scheiden. Maar ik zie dat je niet gaat. En je speelde ook scènes voor mij, toch? Hoe lang al?
Al lang, zei Arjen plots serieus. Liselotte wilde je niet verdrietig maken. Maar nu het zo is Welke datum is de scheiding? Dan trouwen we die dag wel, mijn lieve.
Ik hief mijn hoofd, besloot neutraal te blijven.
Helder, zei Sven. De dochter kwam langs. Ze dacht dat de boerderij leeg was, kwam met haar vriend. Praat met haar. Ze belt je toch. En jij pronkt hier.
Sven zwaaide en liep de poort uit. Ik keek de buurman vragend aan.
Waarom doet u dit?
Uw huis is oud, geen water, geen gasTerwijl de zon langzaam achter de molens zakte, besloot ik eindelijk het oude huis achter te laten en een nieuw begin te zoeken in de frisse lucht van de Veluwe.







