We hebben dertig jaar samengeleefd. Ik ken zijn ademhaling in de nacht, weet precies wat hij bij het ontbijt wil, voel hoe zijn tenen zich strekken onder het dekbed bij het minste briesje. Maar hij had dat allemaal zomaar ingewisseld voor gevoelens van vroeger, voor zijn oude studentenliefde, en is vertrokken naar een vrouw met een gezicht dat net iets te glad leek om werkelijk waar te kunnen zijn. Die nacht heb ik niet gehuild ik heb het vriesvak vol ijs gelegd en een lijst gemaakt. Een lijst, hóe ik hem terug kon krijgen, zo dat hij zelfs op zn knieën zou smeken om te blijven. Bovenaan: een ontmoeting met zijn nieuwe vlam.
Men zegt dat een eerste liefde lijkt op de waterpokken als je die als jonge tiener gehad hebt, blijven er putjes achter, maar de ziekte zelf komt niet meer terug. Ze logen, blijkbaar. Of er was sprake van een andere, venijnigere besmetting.
Mijn verhaal begon met een barst dwars door het huis dat ik in dertig jaar om me heen had gebouwd stevig als een houten molen uit Drenthe, altijd fier naast de vaarten. De barst kwam niet van de fundering, maar helemaal van boven, bij de antenne, die al jaren vreemde signalen oppikte.
Mijn zus en ik groeiden op onder het levensmotto van onze moeder: Het kostbaarste dat je hebt is niet je rijtjeshuis of je fiets, maar je reputatie. En in de tweede plaats: je waardigheid. Moeder was een vrouw van oude stempel; haar principes waren harder dan de dijkstenen langs het IJsselmeer. Misschien ben ik daarom zonder enige voorgeschiedenis met mannen getrouwd met Bas. Hij was mijn eerste. Mijn enige. Voor hem waren er anderen geweest, maar dat boeide mij niets. Tot het moment waarop het allemaal boeien ging.
Die zondagochtend was loom; buiten bloesemde de linde onder onze wolken, ergens in een oude wijk van Utrecht. Bas dronk muntthee en staarde naar een onzichtbaar punt op de oven. Toen zette hij zijn kopje neer, knakte zijn vingers en sneed de stilte in tweeën als een houtbijl door nat populierenhout:
Anneke Ik denk dat ik ga verhuizen.
Automatisch bleef ik boter smeren op de bruine boterham het boter brokkelde want het was koud uit de koelkast.
Voor zaken? vroeg ik, al wist ik op zijn gezicht al het antwoord.
Ik ik heb Hermien ontmoet. We zaten samen op de universiteit, weet je nog? Mijn eerste liefde. En het is er nog steeds. Het heeft zich gewoon nooit laten zien tot nu. Ik wil niet liegen. Dat zou laf zijn.
Hij praatte, en buiten zag ik een buurjongen tegen de garagedeur aan voetballen. Tok-tok-tok. Het ritme van Bas woorden. Kinderen uit huis, een grote flatwoning, straks misschien kleinkinderen Hij zei nog iets over eerlijk zijn, en dat je je gevoelens niet kiezen kan. Mijn keel was zo droog dat het leek of ik de Sahara had ingeslikt. Ik wees zwijgend op de karaf.
Gaat het? Hij schoot omhoog, schonk water in. Lieverd, zeg alsjeblieft niks geks!
Och, met mij? Mijn stem kraakte als een kraai in de ochtend. Met mij gaat het prima. Geluk is grillig, Bas, maar vis moet altijd vers gefileerd worden.
Het water viel als een koude steen in de leegte van mijn binnenkant. Toen liep ik naar de badkamer. Een klik van het slot en ik was alleen geen Bas, geen woorden, geen wereld. Ik zette de douche open, zodat hij niet kon horen hoe ik ademde. Maar hij hoorde het toch, altijd alles.
Anneke! Open! sloeg hij met zijn vuist op de deur. Anneke! Anders trap ik hem in!
Bas Doe rustig! Ik wil alleen even mn gezicht wassen.
Was maar snel! Grapje kom nou weer terug! riep hij, met de rare hoop dat het als grapje zou overkomen.
In de spiegel keek een vrouw terug zoals een oude pop na een regenbui: doffe haren, wallen, gezwollen neus. Schoonheid op zijn retour. Ik draaide mijn hoofd heen en weer waarom was hij eigenlijk zo lang bij mij gebleven? En nu had hij ineens weer vlinders, een goed verstopte voorraadkast vol oude gevoelens.
Met koude handen waste ik mijn gezicht, kamde mijn haar en wrong mijn lippen tot een streep ik liep weer naar buiten met de houding van een koningin die net van haar troon is gestoten, ogenschijnlijk vrijwillig.
Bas stond bleek in de hal, trillende handen, sneu. Zijn medelijden bracht mij geen enkele troost, integendeel. Ik had behoefte aan lucht, aan buiten. Weg uit de flat, waar het nog naar zijn aftershave rook.
Bas, ik ga wandelen in het park. Volg me niet.
En je hart? Je bloeddruk?
Mijn hart? Ik snoof. Dat staat voorlopig op pauze. Loop niet mee.
Hij wilde protesteren, maar ik trok mijn jas aan, schoof de deur uit.
Het Wilhelminapark lag badend in de zon. Jonge moeders duwden kinderwagens, een oude meneer las Trouw op het bankje, een vrouw met een teckel knokte om de lijn. Het leven rolde door zoals altijd. Ik keek naar de vrouwen. Welke was Hermien? Zij in dat rode jasje? Met dat brilletje? Of had hij haar gewoon gevonden op Facebook? Of stond ze ineens in de rij bij de kaasboer op de markt? Het idee dat hij naar haar gezocht had, haar schreef, afsprak, brandde als een koorts op mijn huid. Heel even moest ik haar zien, voelen. Wat maakte haar kennelijk beter dan ik?
Na veertig minuten liep ik terug. Bas zat nog steeds aan de keukentafel bij zijn lauwe thee.
Ben je daar weer? vroeg ik koeltjes.
Waar zou ik anders naartoe moeten? keek hij me aan. Anneke, kunnen we praten?
Al gedaan, Ik hing mijn jas op. Jij je plannen, ik mijn conclusie. Duidelijk.
Anneke, doe niet zo
Waarom niet? Ik ging tegenover hem zitten. Ik wil gewoon weten: vond zij jou, of vond jíj haar?
Hij zuchtte, liet zich in de stoel zakken.
Zij stuurde mij een berichtje. Een paar maanden geleden. Ze vond mijn profiel, zomaar, zei ze.
Toevallig, ja In het internetland is alles toeval, zeker wanneer je op oud-vlammen zoekt. En toen? Koffietje gedaan?
We hebben wat afgesproken, gekletst.
Over je eerste liefde, verloren hoop. Bas, je denkt toch niet dat je zeventien bent? Ik sloeg mijn armen over elkaar. En haar naam? Benieuwd.
Hij stond op het punt te weigeren, maar gaf het op.
Hermien Steenvoorde.
Hermien. Ik lachte, zuur. Mooie naam. Heel populair. Anneke klinkt natuurlijk suf, belegen, degelijk.
Anneke
Zwijg. Ik stond op. Gefeliciteerd, Bas. Zoek je geluk maar. Misschien vind ik ook wel wat leukers. Zon personal trainer bijvoorbeeld. Of misschien bekijk ik Jeroen uit de brugklas nog eens. Die is volgens mij gescheiden.
Moet dat nou? Jij bent daar toch niet het type voor?
Ach, welk type ben ik eigenlijk? riep ik terwijl ik naar de slaapkamer liep. Koffie hoef ik niet. Hoofdpijn. Ik ga liggen.
Op bed lag ik, staarde naar het plafond en wist dat ik loog. Mijn hoofd deed geen pijn. Mijn hart prikte als naalden onder de huid. Na vijf minuten luisterde ik naar Bas voetstappen, pakte toen stiekem de laptop. Facebook het geheime dagboek van de moderne ziel.
Bas profiel. Tientallen vrienden, geen Hermien Steenvoorde. Slimmerik! Verwijderd? Of nooit toegevoegd? Ik scrol, bekijk likes, oude fotos, reacties. Niets.
Daar, een vrouw bij een blauwe zee met zonnehoed en een wijnglas, profileert zich als: Alie, woonachtig in Marbella, getrouwd met een buitenlander. Vriendin van Bas. Ik klik. Tussen oude universiteitsfotos, omcirkeld met rood: Hermien Steenvoorde, onze ster! Precies! Klik, maar haar profiel is afgesloten. Dan typ ik haar in op LinkedIn. Open profiel!
Op de foto: een imposante brunette met perfect make-up, diepblauwe ogen, dure bontsjaal om de schouders. In haar status staat: Ik leef nu. Geabonneerd op groepen over relaties, sterrenbeelden, koken. Heerlijke recepten voor geliefden. Laatste post: Het lot brengt mensen samen voor een tweede kans. Een hartje.
Kwaadheid spoelde door me heen. Kijk haar dan: de jageres. Zij gooit haar netten uit, en Bas, zo nuchter altijd, zwemt erin als een makreel. Jeugdgevoelens, heroplaaien Onzin. Gewoon een vrouw van midden vijftig, goed in Photoshop, hongerig naar drama.
Toen viel mijn oog bij haar vrienden op een bekend gezicht. Man, grijze slapen, dure jas, naast een splinternieuwe Volvo. Jawel: Jeroen! Jeroen Kuiper! Die vroeger mijn schooltas droeg en stiekem chocola in de bibliotheek bracht. Twintig jaar niet gezien. Hoorde dat hij naar Amsterdam was verhuisd, aannemer geworden, rijk, gescheiden.
Mijn hart sloeg over. Dit is mijn kans. Niemand weet méér van Hermien Steenvoorde dan Jeroen. Ze zaten op gelijke leerjaren, misschien waren ze ooit hecht.
Ik vond Jeroen op Facebook. Stuurde kalmpjes: Jeroen, hoi! Herken je me? Je oude bijnaam voor mij was Spinnewiel. Gok eens? Ik heb je nodig, heb je een halfuurtje binnenkort?
Een uur later mailde hij terug. Zullen we afspreken, ergens in het centrum, bij café De Oude Stad?
Ik zeg tegen mijn baas dat ik naar de tandarts moet. Thuis trek ik alles uit de kast: het blauwe jurkje dat nog steeds in plastic hangt van mijn schoonmoeders verjaardag, haar krullen, make-up (hartje middag!), parfum, hakken. Een compleet andere vrouw kijkt terug uit de spiegel. Klaar voor de strijd.
Twintig minuten te vroeg in het café, bij een raam, vink ik mezelf op de wijnkaart af. Mijn vingers trillen bijna om het glas vast te houden.
Stipt op tijd stapt Jeroen binnen: ontspannen, stijlvolle jas, glimmend grijs haar en een brede glimlach. Hij herkent me, knipoogt.
Anneke? hij buigt en kust galant mijn hand. Ik dacht dat ik een scholiere zou zien, maar jij bent een vrouw van de wereld! Je ziet er prachtig uit.
Toe nou Ik word er warm van, tegen wil en dank. Dank dat je wilde komen vanmiddag.
Voor jou altijd, zegt hij en wenkt een ober. Rood, goed idee. Klein beetje bijtanken? Honger?
Weet ik niet, beken ik eerlijk. Er zit een steen in mijn maag.
Als de wijn komt, toosten we.
Op deze ontmoeting.
Een teug wijn brandt warm door mijn keel.
Jeroen ik zet het glas weg. Geen omwegen. Bas Bas vertrekt. Naar zijn eerste liefde. Hermien Steenvoorde. Jij kent haar, ik zag haar bij jouw vrienden.
Jeroen fronst, zakt achterover.
Steenvoorde Normaal heette ze Hilde toch? Zijn ogen twinkelen.
Bij jou staat ze als Hilde, zeg ik. Bas zei Hermien. Verschillende namen voor verschillende mensen kennelijk.
Jeroen grinnikt, grijpt naar zijn sigaretten, maar legt ze bij nader inzien weg.
Luister Anneke Je man speelt Don Juan, toch? Maar hij is niet bestand tegen zon temperament. Hij leunt voorover. Die Hermien ken ik vooral van horen-zeggen. Altijd op hakken en stil: dan is ze op haar mooist. Maar als ze haar mond opentrekt thuis
Wat dan? Ik schuif dichterbij. Jeroen, zeg op!
Hij aarzelt, wuift het dan weg.
Ach, geheim is het niet. Ze is rommelig, verstrooid, en haar eten smaakt nergens naar. Alles uit een pakje. Twéé kinderen, bij verschillende vaders, geen van beiden spreekt haar nog. En haar gesnurk ik logeerde ooit in een vakantiehuisje. Liet de glazen rammelen. Jouw Bas is toch gehecht aan stilte en stampot?
Een mengeling van leedvermaak en opluchting welt op.
Jeroen Je weet niet wat je betekent. Maar ik ben er nog niet. Ik heb nog hulp nodig
Ik maak mijn zin niet af. Want ineens, als uit het niets, klinkt er een stem door het café; ijzig, te hard.
Kijk, dáár ben je! Ik belde, steeds maar!
Bas. Bleek, boos, vuisten hard. Aan zijn arm een vrouw, minder fotogeniek dan haar online alter ego: zware kaak, felle lipstick, argwanend.
Goh, Jeroentje! giert zij, laat Bas los, vliegt naar hem. Toeval bestaat!
Hilde, dag Jeroen lacht beleefd.
Bas is bij me, graait naar mijn arm, wringt me uit mijn stoel.
Wat doe jij hier! Waarom zit jij met hém? Al lang aan het aanknoopen, of niet soms?
Bas, loslaten, zeg ik koud. Jij liet mij vanochtend gaan. Ik ben vrij.
Vrij? hij snauwt naar Jeroen. Is hij jouw nieuwe beschermer? Dat ging vlug!
Dat is niet aan jou.
Nu mengt Hilde zich koket hand op Jeroens arm:
Bas, niet dramatisch. Hij hoort bij de club. Jeroen, ga je vaker uit eten? Geef je nummer! We zijn elkaar kwijtgeraakt!
Jeroen werpt mij blikken toe van zie je wel.
Hilde, ik had het druk, zegt hij. Anneke en ik zijn oude bekenden.
Waarover dan? Bas sputtert. Anneke heeft geen baan, dus wat voor zaken?
Mijn woede borrelt. Dan draait Jeroen het ineens om; slaat zijn arm om mijn middel, zegt luid:
Bas, wees niet onbeschoft. Anneke is een topvrouw. Vind je het vreemd als ze liever kiest voor hij kijkt Hilde vinnig aan méér dan façade? Misschien willen we, en dan echt, iets samen. Toch, Anneke?
Ik schrik, maar glimlach en leg mijn hoofd op zijn schouder.
Zeker, Jeroen.
Een toneelstuk. Maar voor Bas een klap. Bleker dan ooit.
Jij jullie?
Kom, Bas, blaft Hilde, zenuwachtig. We gaan.
Ja, Bas, vertrek jij maar, lacht Jeroen vriendelijk. Vrijheid was toch wat je wilde?
Bas kijkt van mij naar Jeroen, Hilde. Voor het eerst zie ik twijfel. Nu merkt hij dat vrijheid in twee richtingen werkt.
We spreken nog, mompelt hij, duikt het café uit. Hilde snuift en rolt achter hem aan.
Mijn knieën trillen. Ik zak weer op mijn stoel.
Bedankt, Jeroen. Briljant gedaan.
Graag. Zijn blik is ernstig. Maar, Anneke, ik speelde niet alles.
Ik kijk hem aan. In zijn ogen ligt een oud, warm verdriet.
Toen ik je net zag, wist ik opeens: wat was ik dom vroeger. Had ik maar gevochten, niet weggelopen.
Jeroen Mijn hoofd tolt.
Ach Hij tikt het glas aan. Eet nou iets. Je bent mager, niet goed.
We eten. Zijn verhalen over werk, zijn dochter, zijn huis. Ik luister, half. Denk aan Bas, die nu ergens met Hermien over straat sjokt. Met haar nachtlawaai, haar magnetron. En dat ik zojuist zijn jaloezie heb wakker gekust. En men zegt, jaloezie is het bewijs dat liefde nog ergens borrelt.
s Nachts keer ik terug. Licht in de gang, Bas op het bankje, alleen in sweater.
Terug? Zijn stem schor.
Zoals je ziet. Ik trek schoenen en jas uit. En waarom nu niet bij je eerste liefde?
Anneke Hij nadert, rillend. Vergeef me.
Je vroeg vanochtend toch ook al? Uitgescholden, weet je nog?
Geen grap, geen foefje. Ik was dom. Ik zat bij haar Urenlang. Ze zette SBS6 op, warme kroketten uit de magnetron, mopperde op haar ex, haar rug, haar kinderen. En toen keek ik naar haar, ouder, moe. Geen gevoel. Alleen spijt om haar eigen leven. Opeens zag ik jou weer, hoe je water dronk, hoe je terug uit de badkamer kwam rechtop. En wist ik: ik heb alles weggegooid.
Je hebt mij niet verloren, zeg ik, je hebt mij weggezet als vuilnis.
Hij volgt me de kamer in, aarzelt bij de deur.
Die man, Jeroen is dat nu jouw
Alleen een oude vriend, zeg ik moe. Maar hij zei tenminste dat ik mooi was. Jij niet meer, in jaren.
Bas zakt voor mij op de knieën, grijpt mijn handen.
Anneke. Ik ben dom. Een oude, bange sukkel. Laat mij het goed maken.
Ik weet het niet, Bas. Ik kijk op zijn witte kruin. Ik was vandaag zo ziek Ik geloof dat ik ben doodgegaan. En nu? Alles is anders. Of ik ben anders.
Ik wacht, zolang jij zegt. Maar, alsjeblieft, stuur me niet weg. Tranen in zijn ogen. Dertig jaar heb ik hem zo maar één keer gezien: bij de begrafenis van zijn vader.
Ik zwijg. Jeroens woorden dwalen door mijn hoofd. En tegelijk ruik ik Bas geur de geur van thuis.
Goed, zeg ik zacht. Sta maar op. Geen drama. Morgen praten we. Jij slaapt op de bank.
En jij?
Ik blijf nog even hier.
Hij gaat. Ik blijf zitten. Geen gedachte, alleen leegte en stilte. Bij het raam tikt de regen. Lente, vallende druppels spoelen de stoep schoon of mijn ziel.
Een week verstrijkt. Zijn we buren in eigen huis: beleefd, voorzichtig. Bas doet alles: wast, stofzuigt, haalt boodschappen. Ik bekijk hem als een vreemde. Hermien blijft bellen, zijn antwoorden kort, uiteindelijk blokkeert hij haar.
Jeroen belt ook soms. Gewoon. Wil naar de bios. Ik zeg nee, te bang voor deze nieuwe realiteit. Maar gisteren zei hij: Je leeft maar één keer, Anneke. Je verdient mooier.
Het is zaterdag. Bas draait om mij heen als een onhandige puber.
Anneke, gaan we naar de singel? De seringen bloeien.
Geen zin.
Anneke Ik weet hoe veel pijn ik je gedaan heb. Maar ik wil dat je weet: ik kies voor jou. Elke dag. Dat zal ik blijven doen.
Ik zie hem. Hij is vermagerd, ogen dof. Maar er zit iets nieuws in: angst om mij te verliezen.
En volgend jaar, Bas? Als je weer verdwalt in oude liefdes?
Nooit meer. Hij schudt zijn hoofd. Mijn laatste liefde ben jij. Geen jeugdgevoel kan daar tegenop.
De bel. We schrikken. Bas doet open. Ik hoor een schreeuwerige, schelle vrouwenstem. Hermien!
Ze stormt binnen, in een rare regenjas, nat haar plakkend.
Bas! Waarom neem je niet op?! Ik wéét waarom! gilt ze. Om háár! Ze wijst op mij. Die ouwe bakvis daar!
Hermien, ga weg, zegt Bas hard. Je bent niet welkom.
Niet?! Wie zei dat liefde geen tijd kent? Jij! Ze snottert, theater. Ze kan wel met Jeroen sjansen, jij ligt alleen op de bank!
Hoe weet jij… Bas verbleekt.
Jeroen heeft alles verteld! We spraken af! zegt ze, en schiet dicht: te veel gezegd.
Stilte.
Jij? Met Jeroen? Bas stem bibbert.
Hermien kijkt rond, gevangen dier in het nauw.
We dronken alleen koffie. Hij belde. Wilde… zaken bespreken.
Welke zaken? glimlach ik. Wat heb jij nou te bespreken met Jeroen?
Ze kijkt me woest aan.
Hou je bek! Achterbakse trut! Jij kaapte Bas voor mijn neus!
Ik? ik ga staan. Jij komt hier ongegeneerd schreeuwen. Bas, zet haar buiten.
Bas blijft staan, geschokt. Ik zie het begrip vallen.
Jij had met Jeroen, terwijl ik Terwijl wij…
Wat moest ik? Hermien piept nu haar stem klein. Jij doet koud, niet bellen, niet komen. En hij, zo charmant, rijk… Ik ben toch een vrouw, Bas.
Ik voel medelijden, en een golf van mededogen. Dit is dus de grote eerste liefde.
Waarom kwam je, Hermien? vraag ik zacht.
Om te zeggen dat je aartslaaf een klootzak is! schreeuwt ze. En jouw Jeroen ook! Stille honden zijn het! Dan draait ze zich om, smijt de deur dicht.
Stilte. Bas loopt naar mij toe.
Anneke Ik wist dit niet.
Natuurlijk niet.
Zij en Jeroen? Maar hij was toch
Goed voor mij geweest, ja. Maar oude netwerken slijten pas na hun tijd.
En nu?
Ik loop naar het raam. Regen stopt. Zon, natte stenen glanzen als spiegels.
Hermien heeft in iets gelijk, Bas. Ik ontmoette Jeroen. Maar ik ben niet met hem naar de film gegaan. Niet omwille van jou. Ik kwam tot een angstaanjagend besef.
Wat dan? fluistert hij.
Ik draai me om:
Weet je, dertig jaar was jij mijn alles. Je ademhaling ken ik, je tenen, wat je eet, je stiltes. Ik ben met jou vergroeid, als een boom wortelt in poldermodder. Verplanten kan, maar nieuw zal nooit zo stevig zijn. Jeroen is een mooie kas. Jij bent mijn tuin verwilderd, oud, maar mijn tuin.
Bas slikt. Pakt voorzichtig mijn hand.
Ik zal deze tuin verzorgen, echt. Onkruid wied ik weg.
En er zal altijd onkruid terugkomen, Bas. Dat is het leven.
Anneke Die avond, het restaurant. Toen hij je vasthield ik werd gek van jaloezie.
Jaloezie?
Ja. Ineens wist ik: niemand raakt jou ooit aan. Behalve ik, oen.
Lang zwijg ik. Dan leg ik mijn hoofd tegen zijn borst, voel zijn hart jagen, onregelmatig.
Bas.
Ja?
Misschien kan ik ook niet zonder jou.
Hij klemt me vast, hard, tot mijn botten kraken.
Dank je.
Waarvoor?
Voor nog een kans.
We blijven staan bij het raam. Zon stort binnen. Buiten tsjirpen mussen. Uitgelaten lentelucht. Ergens in de stad flaneert Hermien, op zoek naar een nieuw slachtoffer. Jeroen stuurt misschien weer een sms vanuit zijn luxe auto. Maar wij staan er. Twee mensen, bijna oud, die bijna alles kwijtraakten. En die begrijpen: liefde slijt niet. Er is iets sterker dan eerste liefde. Er is een laatste liefde. Die blijft. Stil, betrouwbaar, echt.
Ik kijk op en zeg:
Laten we thee drinken. Met munt.
Met munt? Bas grijnst. Zeker. Ik heb gebak gehaald. Met kersen, je favoriet.
Hoe wist je dat ik ooit terugkwam?
Ik wist het gewoon. Hij kust me op mijn slaap. Dat wist ik altijd al.
We lopen samen naar de keuken. Buiten is het lente. Vóór ons het leven. Niet zonder krassen, maar samen. En dat is wat telt het geluk dat nooit opduikt in appjes of op straat. Gewoon, het geluk dat altijd al thuis was. Dat nooit verroest. Dat blijft wachten, net als liefde. Op haar tijd.







