Het instappen was al omgeroepen. Bram van der Meer liep het perron op. Na een zakenreis van een week ging hij weer naar huis. Hij stapte het ligrijtuig in en vond het onderste bed. Terwijl hij zich installeerde, hoorde hij iemand zwaar ademend het rijtuig binnenkomen. Hij draaide zich om: een oudere vrouw met een trolley die meer op een rugzak leek, in een herfstjas en een kleurige hoofddoek, stond tegenover hem en probeerde op adem te komen.
„Dat wordt mijn buurvrouw,” dacht Bram. „Zo’n omaatje gaat straks zeuren om mijn onderste bed.”
„Kijk eens, jongen,” zei de passagier, terwijl ze op adem kwam. „Volgens mij heb ik hier het onderste bed.”
Dat was inderdaad zo. Ze begon druk haar spullen te ordenen. Bram zag dat ze ver in de zeventig moest zijn. „Ongelooflijk,” dacht hij. „Op die leeftijd nog op reis. Waarom blijf je niet gewoon thuis?”
Ten slotte ging ze op haar bed zitten, keurig met haar handen in haar schoot, als een schoolmeisje. De overige reizigers kwamen binnen, maar de bovenste bedden bleven leeg. Bram had zich er al bij neergelegd dat hij de hele reis met een zwijgzame oude dame zou zitten.
De trein vertrok. Al snel kwam de conductrice met beddengoed. De vrouw begon meteen het bed op te maken; ze spreidde en stopte alles zorgvuldig. Toen ging ze weer zitten en begon zelf te praten.
„Ik ben zo’n bed niet gewend. Thuis heb ik een zacht bed, maar hier lig ik op een plank. Ik heb sinds mijn jeugd niet meer in de trein geslapen, en ik dacht al dat ik het nooit meer zou doen.”
Bram knikte en bleef zwijgen.
„Ik heet Truus van Dijk. En hoe heet jij?”
„Bram.”
„En je achternaam?”
„Van der Meer. Zeg maar Bram.”
„Ach ja, je bent nog jong, dus gewoon Bram is goed. Ga je op bezoek?”
„Hoezo op bezoek? Ik kom thuis van een zakenreis.”
„O, zo! Thuis is goed. En ik ben juist op mijn oude dag van huis.” Ze stopte en keek uit het raam. Bram meende tranen in haar ogen te zien, al huilde ze niet. Hij schaamde zich ineens voor zijn knorrige houding.
„Gaat u naar huis of juist van huis?” vroeg Bram, om iets goed te maken.
„Van huis, jongen, van huis. Daarom is het zo wennen. Het is maar iets meer dan een dag reizen, maar toch is het onrustig onderweg.”
„En naar wie gaat u op bezoek?”
„Naar mijn dochter.” Truus haalde een zakdoek uit haar zak en veegde een traan weg.
„Dan moet u juist blij zijn, niet huilen.”
„Ik ben ook blij. Ik heb mijn dochter vijf jaar niet gezien. Ik dacht al dat ik haar nooit meer zou zien.”
„Was u haar dan kwijtgeraakt?”
„Kwijtgeraakt, jongen, vrijwillig. Onze karakters gunden ons op jonge leeftijd geen rust; onze trots stond een vredig leven in de weg. Daarom hebben we elkaar al die jaren niet gezien. Zodra mijn dochter volwassen was, konden we niet meer met elkaar overweg. Ik heb haar zonder vader grootgebracht, er is van alles gebeurd; we hadden vaak ruzie. Ze trouwde de eerste keer om mij te dwarsbomen, maar dat werd niets. En ik gaf haar geen liefdevol woord, ik maakte haar verwijten… Zo hebben we ons hele leven geruzied. Ze heeft mijn kleindochter tegen me opgezet, ze deed alles tegen mijn zin. Vijf jaar geleden verkocht ze haar appartement en vertrok zonder te zeggen waarheen. Ik heb de politie ingeschakeld, rondgevraagd, want ik maakte me ongerust; ze was met mijn kleindochter vertrokken. Later liet ze van zich horen: het ging goed, ze was getrouwd, maar ik moest haar niet zoeken of komen. Met die last heb ik al die jaren geleefd. In die tijd ben ik ook gaan inzien dat ik ongelijk had gehad. Ze luisterde dan niet naar mij, ze was misschien boos, maar ze blijft mijn eigen dochter.
Een jaar geleden kreeg ik een brief van Femke, zo heet mijn dochter. Ze schreef waar ze woonde, dat ze allang gescheiden was, dat ze zelf oma was geworden, en ze vroeg naar mijn gezondheid. Ik heb de hele nacht gehuild en toen teruggeschreven dat ik zonder hen niet kon leven. Daarna hebben we gebeld, gepraat en we begrepen dat we allebei fouten hadden gemaakt. Mijn kleindochter heeft een kind gekregen, dus ik heb een achterkleinkind. Femke helpt haar overal mee en heeft ook haar werk, dus ze kan hier niet weg. Daarom heeft ze mij uitgenodigd. En ik? Ik heb het huis op slot gedaan, de buren gevraagd een oogje in het zeil te houden en af en toe te luchten, mijn tas gepakt en de trein genomen. Wie weet hoeveel tijd mij nog gegund is… ik wil haar zien.”
Bram zweeg. Hij dacht aan zijn moeder, die hij zelden bezocht. Ze woonde in het dorp waar ook zijn oudere zus woonde. Hij had altijd gedacht dat zijn zus wel voor haar zou zorgen. Maar nu, na het verhaal van Truus, kreeg hij een steek in zijn borst; er overviel hem een diepe weemoed. Hij was haar zoon. Zijn moeder miste hem en wilde hem vaker zien.
Bram praatte de rest van de reis met Truus van Dijk; de tijd vloog om. Bij aankomst hielp hij haar uit de trein. Op het perron stond een vriendelijke vrouw die ongerust hun kant opkeek. Bram deed een stap opzij. De twee zochten elkaar op, omhelsden elkaar en lieten elkaar niet meer los. Allebei huilden ze. Het weerzien was zo ontroerend dat Bram er niet aan twijfelde: alles zou goed komen. Echt goed.
Hij liep een stukje verder; hij moest de opkomende ontroering bedwingen. Er was hem veel duidelijk geworden na deze ontmoeting. Hij haalde zijn mobiel tevoorschijn en toetste het nummer van zijn moeder in. Waarom? Gewoon om te zeggen:
„Mam, ik ben thuis, ik ben er. Komend weekend kom ik langs.”







