Het was een van die stille junimorgen, lang geleden, maar ik herinner me elk detail alsof het gisteren was. Toen de ruiters naderden, hief de hond haar kop op en keek hen aan met ogen vol zulke pijn dat het meisje haar hart voelde overslaan en tranen in haar ogen sprongen.
Maaike legde het halster om het hoofd van het paard en leidde het de box uit. Terwijl ze de knoop van de longeerlijn aan de losmaakbeugel in de gang van de manege vastmaakte, bewonderde ze de merrie. Met haar ravenzwarte vacht en nette witte sokken op alle vier de sierlijke benen was Walburga de droom van menig ruiter.
Ze pakte de roskam en begon het paard te borstelen, zonder na te laten haar te prijzen. Walburga stampte onrustig van het ene been op het andere, wierp haar hoofd omhoog en spitste haar oren. Maaike streelde het paard liefdevol over de hals, niet begrijpend wat er met haar aan de hand was.
‘Wat is er, Wal? Wat heb je toch?’ vroeg ze.
‘Praat je tegen het paard?’ klonk de stem van de stalknecht die was komen aanlopen.
‘Oom Wim, ze doet vandaag zo raar,’ zei Maaike, terwijl ze de glanzende hals bleef aaien. ‘Ze is hier een maand geleden gekomen en nog nooit deed ze zo…’
‘Er zit haar iets dwars,’ merkte de oudere man op, terwijl hij de merrie met een ervaren blik bekeek. ‘Prachtig beest, hoor.’
‘En haar karakter is ook geweldig,’ bevestigde Maaike. ‘Ze is perfect uitgereden. Ik snap nog steeds niet hoe de vorige eigenaresse afstand kon doen van zo’n paard.’
‘Dan zit er een verborgen gebrek aan,’ zei Wim peinzend.
‘Er zit geen gebrek aan haar!’ viel Maaike meteen uit ter verdediging van haar lieveling. Walburga schudde haar hoofd, alsof ze de woorden van haar baasje bevestigde.
‘Kijk nou, ze voelt zich beledigd,’ glimlachte Wim, terwijl hij verderging met zijn werk.
Maaike zadelde Walburga op en leidde haar de manege uit. De merrie luisterde aandachtig naar de geluiden om haar heen, keek wantrouwig naar de weg waarachter het bos zichtbaar was. ‘Precies daar gaan we vandaag naartoe,’ zei Maaike, toen ze zag waar het paard keek. ‘Op de rijbaan gedraag je je prima, nu is het tijd om kennis te maken met onze natuur.’
Behendig klom Maaike in het zadel, nam de teugels op en stuurde het paard richting het bos…
Die juni-ochtend was nog niet drukkend heet, en het was aangenaam om in de koelte te rijden. Walburga liep gehoorzaam waar de ruiter haar naartoe stuurde. Af en toe bleef ze stilstaan en luisterde aandachtig naar de geluiden van het bos.
Maaike liet het paard in draf overgaan en stuurde Walburga over het pad waar ze vroeger altijd met Gradimir had gereden. Ze herinnerde zich hoe ze twee maanden geleden de ontmoedigende diagnose voor haar hengst had gekregen en afscheid had moeten nemen van haar trouwe vriend. Hij was naar een boerderij in een dorp gestuurd, waar de lucht schoner was, en zijn hoestbuien kwamen veel minder vaak voor.
Voor wedstrijden had ze een paard nodig, dus waren zij en haar trainer op zoek gegaan naar een geschikt exemplaar. Die zoektocht eindigde op de dag dat Maaike Walburga zag in een van de Amsterdamse maneges, en toen ze erop reed, wist ze: dit is het.
Het paard was prachtig uitgereden en had een zachtaardig karakter. De manege had geld vrijgemaakt, en Walburga was verhuisd.
Terugdenkend aan de aankoop herinnerde Maaike zich hoe vreemd de vorige eigenaresse zich had gedragen. Ze had de transactie gehaast, alsof ze Walburga zo snel mogelijk kwijt wilde. Wat was er gebeurd? Waarom had de eigenaresse zo’n prachtig paard verkocht?
Walburga stopte abrupt. Maaike kon zich nog net in het zadel houden, zozeer was ze in gedachten verzonken. De merrie stond roerloos, en hoe de ruiter ook probeerde haar aan te sporen, ze bewoog geen stap.
‘Waarom wil je niet verder?’
Walburga snoof zachtjes en bleef staan. Ze draaide haar hoofd een beetje en keek naar rechts. Maaike keek ook die kant op, maar zag niets anders dan gras en bomen. Wat kon de aandacht van het paard trekken?
‘Wil je daarheen?’ Maaike liet de teugels vieren, zodat Walburga zelf de richting kon kiezen. ‘Zoals jij wilt…’
Walburga sloeg af van het pad en liep stapvoets naar de plek vanwaar een nauwelijks hoorbaar gepiep klonk, dat Maaike nu ook hoorde.
Het paard stopte bij een berk. Op het gras stond een kartonnen doos, afgedekt met dikke takken. Uit de doos kwam gepiep.
Maaike sprong haastig van het paard. Ze gooide de takken van de doos en maakte hem open. Binnenin lagen drie kittens, amper met open oogjes. Ze huilden zielig, roepend om hun moeder, van wie ze zo wreed waren gescheiden.
Maaike voelde een golf van verontwaardiging in zich opkomen: ‘Hoe kun je zo wreed zijn?!’ Ze tilde de doos op en liep naar het paard. ‘Wal, snel naar huis!’
*****
‘Ongelooflijk!’ riep Irene van der Veen, Maaikes trainster.
‘Walburga bracht me rechtstreeks naar de doos,’ besloot Maaike haar verhaal.
Ze had de kittens snel naar de manege gebracht, naar de lokale dierenarts. De kleintjes waren gezond, en voor twee waren al toekomstige baasjes gevonden. De derde nam Maaike zelf. Het zwarte katje met witte pootjes had haar betoverd door zijn gelijkenis met Walburga. Zodra de kittens groot genoeg waren, zouden ze naar hun nieuwe huizen gaan.
‘Walburga is een nobel paard!’ zei Irene bewonderend. ‘Mensen lopen eraan voorbij, maar een paard niet.’
Ondertussen waren Maaike en Walburga volledig in voorbereiding op de komende wedstrijden. De manege verwachtte hoge prestaties van het duo.
De training voor de wedstrijden kostte veel tijd, en het paar trainde altijd op de rijbaan. In juli deden ze met succes mee aan lokale wedstrijden en behaalden de tweede plaats in de middenprijs.
In augustus waren er provinciale wedstrijden in een naburige regio, waar het duo met de overwinning terugkwam. Voor hen lag een start in Amsterdam, waarvoor een grondige voorbereiding begon.
‘Maaike, ik zie je over veertig minuten op de rijbaan,’ zei Irene, terwijl ze in de stal keek.
Walburga stond in de gang van de stal en schuifelde nerveus van het ene been op het andere. Het paard trilde over haar hele lijf, en haar luide himnik echode door de omgeving.
‘Stil maar, stil maar!’ probeerde Maaike de merrie te kalmeren.
‘Wat is er met haar aan de hand?’ vroeg Irene bezorgd, die Walburga nooit zo had gezien.
‘Ze deed precies hetzelfde op de dag dat we de kittens in het bos vonden,’ antwoordde het meisje.
‘Rijd haar buiten het terrein van de manege. Misschien is er iets gebeurd,’ zei Irene, terwijl ze om zich heen keek. ‘Neem Wim mee.’
Twintig minuten later verlieten twee ruiters het terrein van de manege. Maaike liet Walburga de navigator zijn in deze tocht.
Ze passeerden een keurige rij huizen aan de rand van de stad en sloegen de weg naar het bos in.
Onverwacht draaide Walburga zich scherp om en stoof langs de weg. Auto’s raasden voorbij op de provinciale weg, sommige toeterden uit angst dat de ruiters de weg op zouden rijden.
‘Wat een gril om de merrie haar gang te laten gaan!’ mopperde Wim, die niet begreep wat of wie ze zochten.
‘Beter om te controleren wat haar zo dwarszit, dan achteraf spijt te hebben…’ Maaike maakte haar zin niet af.
Op de berm van de weg lag een aangereden herder. Toen de ruiters naderden, hief de hond haar kop op en keek hen aan met ogen vol zulke pijn dat het meisje haar hart voelde overslaan en tranen in haar ogen sprongen.
Ze hadden de oorzaak van Walburga’s onrust gevonden…
Maaike sprong van Walburga, terwijl ze haar bleef prijzen. Ze hadden net op de regionale wedstrijden gereden in de middenprijs dressuur, en het meisje was tevreden met het resultaat.
‘Schitterende proef!’ Irene kwam naar hen toe gerend.
‘Wal voelt de muziek prachtig aan!’ riep Maaike opgetogen terwijl ze de stijgbeugels vastzette. ‘Dit is het mooiste paard van de hele wereld!’
‘Het is een paard met een groot gebrek!’ klonk er plotseling een scherpe vrouwenstem achter haar.
Maaike draaide zich om. Op een voskleurig paard zat een vrouw in een jacquet, klaar om te starten. Het gezicht kwam haar vaag bekend voor…
‘Waarom zegt u dat?’ antwoordde Maaike in een allesbehalve vriendelijke toon. ‘U kent Wal helemaal niet! Het is een nobel paard…’
‘Met een gebrek!’ onderbrak de vrouw haar. ‘Ik ken deze merrie maar al te goed!’
‘De vorige eigenaresse…’ zei Irene, die haar herkende.
‘Hoe kunt u zo over haar praten?!’ Maaike was het absoluut niet eens met de vrouw.
‘In het jaar dat ik dit paard had, bracht ze me verschillende zwerfhonden en -katten,’ spuugde de vrouw de woorden uit. ‘De twee vorige eigenaren hebben haar om precies die reden weggedaan, zo bleek…’
‘Jullie hebben simpelweg niet kunnen begrijpen hoe nobel dit paard is!’ wierp Irene tegen. ‘Dat heet geen “gebrek”, dat heet nobelheid!’
Er rende een herder naar Maaike toe, kwispelend en met trouwe ogen naar haar opkijkend.
Oscar was precies de hond waarnaar Walburga vorig jaar hulp had gebracht. Het zoeken naar de eigenaar van de herder had niets opgeleverd, en Maaike had besloten de hond te houden.
Thuis wachtte een inmiddels volwassen zwart katje met witte pootjes, dat Maaike Kosmos had genoemd.
Wim was trotse eigenaar geworden van een pup die Maaike en Walburga afgelopen herfst hadden gevonden.
Irene had een driekleurige kat, meegenomen van vorige wedstrijden.
En nog drie honden en vier katten, gered door Walburga, hadden succesvol nieuwe baasjes gekregen. En dat noemde die vrouw een ‘gebrek’?
‘Misschien zit het gebrek in u…’ zei Maaike, terwijl ze de vrouw een koude blik toewierp, en leidde Walburga weg van de voormalige eigenaresse.
Die dag wonnen Maaike en Walburga de eerste plaats. Toen ze ’s avonds na de wedstrijden naar huis reden, hoorden Irene en Maaike het paard met haar hoef tegen de vloer van de paardenwagen slaan – duidelijk om aandacht te trekken.
Ze stopten de auto en openden haastig de deur van de trailer. Walburga antwoordde met een luid himnik. Iemand had dringend hulp nodig…En daar, in het licht van de koplampen, stond een klein, verlaten veulen. Het trilde op zijn dunne benen, keek hulpeloos naar de trailer en himikte terug naar Walburga.
Maaike’s adem stokte. ‘O mijn god…’
Zonder aarzelen liep ze naar het veulen, dat langzaam naar haar toe waggelde, alsof het wist dat het eindelijk veilig was. Irene stond naast haar, de tranen in haar ogen.
‘Walburga,’ fluisterde Maaike, terwijl ze het veulen zachtjes over de neus streek, ‘jij bent het nobelste paard dat ooit heeft bestaan. Jouw “gebrek” is een gave. Jij verbindt levens.’
Walburga himikte zacht, alsof ze het begreep. En in de stille juni-avond, met de sterren die langzaam tevoorschijn kwamen, wist Maaike dat ze niet alleen een kampioen had gevonden, maar een zielsverwant die de wereld stukje bij beetje beter maakte.







