LiefdesdwaashedenHij dacht dat hij zijn grote liefde had gevonden, maar zij bleek de tweelingzus te zijn van de vrouw die hij gisteren had gedumpt.

Lieve dagboek,

Twee weken voor zijn zakenreis naar Rotterdam hadden Douwe de Vries en ik, Jetske, ruzie. Een flinke ruzie. Zo erg dat kater Dikkie zich uit voorzorg in een hoek had verstopt waar je hem niet kon zien.

Even daarvoor had ik om bloemen gevraagd.

“Douwe, koop nou eens bloemen voor me. Gewoon. Zonder reden.”

“En de aanleiding?” vroeg hij zonder van zijn telefoon op te kijken.

“Ik. Ik ben de aanleiding.”

Hij dacht na. “Nou ja, rationeel gezien…” Toen ging hij naar de supermarkt. Twintig minuten later kwam hij terug met een grote tas. Ik glimlachte, keek naar binnen en haalde er een witte kool uit. Een verse, stevige, witte kool.

“Dit zijn geen bloemen,” zei ik zachtjes.

“Dit is kool. Bloemen kosten vijftien euro en verwelken. Kool kost negentig cent. Daar kun je drie dagen salade van maken.”

“Douwe.”

“Wat?”

“Je bent een idioot.”

“Ik ben jouw idioot.”

Ik zei drie dagen geen woord tegen hem. Hij snapte niet waarom ik gekwetst was. Ik wilde het hem niet uitleggen. Daarna vertrok hij naar Rotterdam. “Werk, niets persoonlijks,” zei hij. Ik dacht: “Niets persoonlijks, dat slaat op ons.”

Twee weken bleef hij weg.

En ik bleef achter met de twee kinderen, de kat, de eindeloze was, school, opvang, elke ochtend dezelfde omelet. En met WhatsApp.

Op dag 1 appte hij: “Aangekomen. De hotelkamer is saai. Morgen onderhandelingen.”

Ik: “Goed gedaan. Dikkie heeft zijn voer opgegeten en daarna een uur lopen mauwen om meer.”

Hij: “Wie heeft er goed gedaan? Ik of Dikkie?”

Ik: “Dikkie.”

Op dag 2 stuurde hij foto’s: zijn ontbijt, het hotel, collega Kees die in de kamer ernaast lag te snurken.

Ik: “Mooi. Bij ons lekt de kraan. Ik heb de loodgieter gebeld; hij komt niet.”

“Bel de woningbouwvereniging.”

“Gedaan. Ze sturen iemand binnen drie dagen.”

“Stelletje klootzakken.”

“De klootzak is degene die naar Rotterdam is vertrokken.”

Op dag 3: “Hoe is het met de kinderen?”

“De zoon heeft een onvoldoende gehaald, de dochter wil niet aan tafel. Ik ben moe.”

“Hou vol.”

“Dank je, ik houd me niet vast. Ik val.”

Op dag 4: “Ik zag vandaag een enorme knuffelhaas. Ik wilde hem voor onze dochter kopen, maar ik durfde niet met zoiets in de trein te stappen.”

“Jij durfde nooit wat; jij wilde alleen geen geld uitgeven.”

“Je hebt me door.”

“Ik had je door op onze eerste date, toen jij thee zonder suiker bestelde en zei dat suiker slecht is.”

“Jij bestelde toen een gebakje en at het alleen op.”

“Omdat jij zei dat suiker slecht is.”

Op dag 5 appte hij: “Ik viel vandaag in slaap tijdens de onderhandelingen. Echt. Ik deed heel even mijn ogen dicht. Toen ik ze opendeed, keek de hele zaal me aan.”

“Word je ontslagen?”

“Hopelijk. Ik ben moe.”

“Ik ook moe.”

“Zullen we samen moe zijn, maar dan in verschillende steden?”

“Zullen we samen moe zijn, maar dan thuis? Wanneer kom je terug?”

“Ik verlang naar je.”

“Ik ook.”

Er viel een stilte. Toen schreef hij: “Weet je, ik besef nu dat ik niet naar huis verlang. Ik verlang naar jou. Naar hoe jij ’s ochtends koffie drinkt en je gezicht vertrekt omdat hij te heet is. Naar hoe jij Dikkie uitscheldt en hem daarna weer knuffelt. Naar hoe jij lacht als onze zoon een mop vertelt.”

Ik stuurde niets terug. Ik heb dat bericht vijf keer gelezen. Toen ben ik gaan huilen. In vijftien jaar huwelijk had hij nooit zulke dingen geschreven. Hij is een materialist, een pragmaticus, iemand die “ik hou van je” alleen op zijn verjaardag zegt, en dan nog pas als ik hem eraan herinnerd heb. En nu dit: koffie, de kat, de moppen. Alsof iemand zijn telefoon had gekraakt. Of alsof hij een openbaring had gehad.

Op dag 6: “Was je gisteren dronken?”

“Nee. Nuchter als een kalf.”

“Waarom al die woorden dan?”

“Omdat ik naar je verlang. Dat is als alcohol: je hersens gaan uit, je tong gaat los.”

“Vergelijk jij liefde met alcohol?”

“Ik vergelijk liefde met eerlijkheid. Soms moet je een beetje dronken zijn om eerlijk te zijn. Of heel eenzaam.”

“Ben je eenzaam? Je hebt collega’s.”

“Collega’s zijn niet zoals jij. Zij weten niet dat ik bang ben in het donker en met een nachtlampje slaap. Jij weet het. En jij hebt er nooit om gelachen.”

“Toch wel. Een keer. Toen jij zei dat je bang was voor het donker omdat Dikkie er kon zitten.”

“Dikkie is een beest. Hij poept in mijn sloffen. Dat is eng.”

“Je bent een idioot.”

“Ik ben jouw idioot.”

Op dag 7 werd ik wakker van een bericht. Om vier uur ’s nachts. Hij schreef: “Ik slaap niet. Ik denk aan jou. Ik zie ons al op het station. Jij in dat blauwe jurkje waar ik van hou. Ik met bloemen. We omhelzen elkaar en ik zeg: sorry dat ik ben zoals ik ben. Vraag jij: hoe? Zeg ik: zwijgzaam. Zeg jij: dat ben ik gewend. Zeg ik: dat is niet goed. Zeg jij: zo is het leven.”

Ik heb niet geantwoord. Ik heb alleen dat blauwe jurkje aangetrokken. Alsof we elkaar die ochtend al zouden zien, terwijl het nog een week zou duren.

Op dag 8: “Ik ben vandaag naar Blijdorp geweest. In mijn eentje. Naar de apen gekeken. Ze lijken op onze collega’s: ze maken grimassen, gooien met eten, doen alsof ze de baas zijn.”

“Jij alleen naar Blijdorp? Op je veertigste?”

“En? Ik heb recht op mijn jeugd. Jij gunt het me.”

“Goed. Maar stuur foto’s.”

Hij stuurde een foto. De aap trok een gek gezicht. Douwe ook. Ik lachte hardop. De kinderen kwamen aanrennen: “Mam, wat is er?” “Papa is aan het dollen.” “Dat doet hij altijd als wij er niet zijn.” “Ja. Jammer dat we dat nooit zien.”

Op dag 9: “Ik zat net te denken. Weet je nog hoe we elkaar ontmoetten? Jij liet je portemonnee vallen in de metro, ik raapte hem op. Jij zei: u bent heel attent. Ik zei: en u bent heel mooi. Daarna gingen we koffie drinken.”

“Ik weet nog dat jij thee zonder suiker bestelde.”

“Jij bestelde een gebakje.”

“Ik weet het nog. Het was lekker. Met kers.”

“Ik weet nog hoe jij naar me keek. Alsof ik niet zomaar een man in de metro was, maar een heel leven.”

“Dat was je. Dat ben je nog. Alleen vergeet ik dat soms.”

“Ik vergeet het ook. Maar nu vergeet ik het niet.”

Op dag 10 hoorde ik de hele dag niets. Ik belde, ik appte, niets. Ik zag het al: gevallen, ziek, aangereden. Dikkie liep de hele tijd achter me aan en eiste voer. De kinderen wilden tv-kijken. Ik dacht alleen aan Douwe.

Om elf uur ’s avonds kwam er een bericht: “Sorry, telefoon was leeg. Ik was mijn lader in het hotel vergeten. De hele dag geprobeerd een nieuwe te vinden. Uiteindelijk had Kees er een. Hij gaf hem, maar ik moest beloven nooit meer in te dommelen tijdens onderhandelingen. Hoe is het?”

“Ik was ongerust. Ik dacht dat je dood was.”

“Ik leef. Ik verlang naar je. Ik kom gauw terug.”

“Over drie dagen.”

“Over drie dagen. Haal je me op?”

“In het blauwe jurkje.”

“Ik met bloemen.”

“Afgesproken.”

Op dag 11: “Ik heb cadeautjes gekocht. Een bouwdoos voor de zoon, de haas voor onze dochter, en een sjaal voor jou.”

“Jij kunt geen sjaals kiezen. De vorige keer bracht je een roze mee, en ik draag geen roze.”

“Het is geen roze. Het is dusty rose.”

“Dusty rose is roze.”

“Het is de kleur van de zonsondergang boven Rotterdam.”

“Ben jij dichter geworden?”

“Ik ben boekhouder. Maar voor jou word ik graag dichter.”

“Niet doen. Ik hou van je als boekhouder. Je handschrift is duidelijk en je cijfers kloppen.”

Op dag 12: “Morgen vertrekt mijn trein. Kom me halen.”

“Ik kom.”

“Zenuwachtig?”

“Nee.”

“Ik wel. Net als de eerste keer.”

“De eerste keer verslikte ik me in een gebakje en jij klopte op mijn rug. Dat was gênant.”

“Voor mij was het fijn. Ik raakte je aan.”

Op dag 13 stond ik op het perron. In het blauwe jurkje. Met de kinderen. Dikkie hadden we thuisgelaten, die had anders een rel geschopt. Ik keek naar de borden. Zijn trein had een uur vertraging. Ik dronk koffie, de kinderen speelden op hun telefoon. En ik dacht: waarom schreef hij over koffie, over apen, over hoe we elkaar hebben leren kennen? Hij is nooit zo geweest. Was hij echt opnieuw verliefd? Of was het gewoon de zakenreis: even weg van de dagelijkse sleur, van de kinderen, van de aangebrande omelet? Thuis zou hij vast weer zwijgen, vragen of er nog kool is en zich achter zijn laptop verstoppen.

Hij liep door de poortjes met een enorme bos bloemen. Zo’n bos had ik nog nooit van hem gezien; alleen op onze bruiloft, en toen had mijn moeder het boeket uitgezocht. Hij kwam naar me toe, sloeg zijn armen om me heen, kuste me.

“Sorry dat ik ben zoals ik ben.”

“Zo?”

“Zwijgzaam.”

“Dat ben ik gewend.”

“Dat is niet goed.”

“Zo is het leven.”

“Nee. Het is een gewoonte. Ik ga veranderen.”

“Niet doen. Ik hou van je zoals je bent. Zelfs met kool.”

“Kool was een vergissing.”

“Kool is verleden tijd. Bloemen zijn het heden.”

We namen een taxi naar huis. Hij hield mijn hand vast. De kinderen vielen in slaap. Dikkie stond op de mat, snoof aan de bloemen, nieste en liep naar de keuken.

Ik zette de bloemen in een vaas. Hij legde zijn laptop in de la.

“Vandaag werk ik niet. Vandaag ben ik alleen van jou.”

“En morgen?”

“Morgen ben ik van jou met de laptop, maar vandaag zonder.”

We bestelden pizza, dronken wijn, keken een suffe film over de liefde. Ik lachte, hij hield me vast. Dikkie zat naast ons en eiste salami.

“Douwe, ga je echt veranderen?”

“Weet ik niet. Maar ik zal het proberen.”

“En als het niet lukt?”

“Dan noem je me een klootzak, en ik schrijf: ik verlang naar je benen.”

Ik lachte.

“Je bent een idioot.”

“Ik ben jouw idioot.”

We dronken de wijn op, aten de pizza op, brachten de kinderen naar bed. Dikkie lag al in de leunstoel te slapen. Ik keek naar Douwe.

“Weet je, ik heb ook verlangd. Niet naar jou – naar ons. Naar wie we in het begin waren. Vrolijk, gek, zonder hypotheek en zonder kool.”

“Kool is het symbool van mijn stomheid. Ik koop nooit meer kool.”

“Koop het wel. Maar koop er bloemen bij.”

“Afgesproken.”

We vielen op de bank in slaap, omdat Dikkie al in ons bed lag.

De volgende ochtend ging hij naar zijn werk, met de laptop. Hij kuste me en zei “ik hou van je” – zonder dat ik erom vroeg.

’s Avonds vergat hij de bloemen niet. Hij stapte de bloemenwinkel binnen en vroeg: “Heeft u iets dat niet te duur is en waar mijn vrouw van gaat glimlachen?” De verkoopster gaf madeliefjes. Hij nam ze mee. Ik zette ze in een vaas. Dikkie snoof, nieste en liep weg.

En zo elke dag.

Dit is dan het verhaal. Gewoon. Simpel. Soms belachelijk, zelfs dom. Nou en? Liefde klinkt vaak dom. Maar dat betekent niet dat ze niet bestaat.

Please rate
Bagattia News
LiefdesdwaashedenHij dacht dat hij zijn grote liefde had gevonden, maar zij bleek de tweelingzus te zijn van de vrouw die hij gisteren had gedumpt.