OmaatjeOmaatje zat in haar favoriete stoel en breide een warme sjaal voor de winter.

Dagboek,

De trein was al omgeroepen en ik liep het perron op. Na een week zakenreis ging ik weer naar huis. In de couchette vond ik mijn onderste ligplaats. Terwijl ik mijn spullen neerzette, hoorde ik iemand zwaar ademend door de gang komen. Ik draaide me om: een oudere vrouw in een herfstjas en met een bonte sjaal om, met een trolley die meer op een rugzak leek, bleef tegenover me staan om op adem te komen.

„O jee,” dacht ik, „een omaatje als buurvrouw. Ze zal straks vast om het onderste bed zeuren.”

„Ik geloof dat ik beneden lig, jongeman,” zei ze, nog wat buiten adem.

Dat was inderdaad zo. Ze begon meteen te schikken en haar spullen op te bergen. Ik schatte haar boven de zeventig. „Nou,” dacht ik, „op die leeftijd ga je toch niet meer op reis? Waarom blijf je niet gewoon thuis?”

Uiteindelijk ging ze op haar eigen bank zitten, haar handen als een schoolmeisje gevouwen op haar knieën. Er kwamen meer reizigers binnen, maar de bovenste plaatsen bij ons bleven leeg. Ik had me er al bij neergelegd dat ik de hele rit met haar zou optrekken, en daar had ik niet veel zin in.

De trein vertrok. Even later kwam de conducteur beddengoed brengen. Mijn buurvrouw begon meteen haar bed op te maken, heel netjes. Daarna ging ze weer zitten en begon ze zelf een gesprek:

„Ik ben zo’n bed niet gewend. Thuis heb ik een lekker zacht bed, maar hier lig ik op een plank. Ik heb al sinds mijn jonge jaren niet meer in de trein geslapen. Ik had al niet meer verwacht dat ik ooit nog zou reizen.”

Ik knikte alleen maar en zei niets.

„Ik heet Truus van der Veen. En u?”

„Dirk.”

„En uw achternaam?”

„Van den Berg. Zeg maar Dirk.”

„Ach, je bent nog jong, dan zeg ik gewoon Dirk. Ga je op bezoek?”

„Op bezoek?” vroeg ik verbaasd. „Ik kom thuis van een zakenreis.”

„O zo. Thuis is goed. En ik ga juist van huis weg, op mijn oude dag.” Ze keek opeens zwijgend uit het raam. Ik zag tranen in haar ogen. Ze huilde niet, maar het zat haar hoog. Ik schaamde me een beetje dat ik zo nors tegen haar had gedaan.

„En u? Gaat u naar huis of juist van huis?” vroeg ik, om mijn kilheid goed te maken.

„Van huis, jongen, van huis,” zei ze. „Daarom is het ook wennen. We rijden een kleine dertig uur, maar ik ben toch onrustig onderweg.”

„En naar wie gaat u?”

„Naar mijn dochter,” zei Truus. Ze pakte een zakdoek en depte haar ogen.

„Daar moet u blij om zijn, niet verdrietig.”

„Ik ben ook blij. Ik heb mijn dochter vijf jaar niet gezien. Ik dacht al dat ik haar nooit meer zou zien.”

„Jullie zijn elkaar kwijtgeraakt?”

„Ja, jongen, uit vrije wil. We hadden allebei zo’n sterk karakter dat we elkaar het leven zuur maakten. Hoogmoed, noem ik het. Die heeft ons jaren uit elkaar gehouden. Toen mijn dochter opgroeide, konden we niet meer met elkaar overweg. Ik heb haar zonder vader opgevoed, en er is genoeg gebeurd. We maakten vaak ruzie. Ze trouwde de eerste keer uit pure dwarsheid, gewoon om mij dwars te zitten, maar het werd niets. Ik heb haar toen geen goed woord gegeven, alleen maar verwijten gemaakt. Zo gingen we jaren door. Ze heeft mijn kleindochter tegen me opgezet; alles deed ze dwars. Vijf jaar geleden verkocht ze haar appartement, vertrok en liet niet weten waarheen. Ik ben naar de politie gegaan om te informeren; ik maakte me zorgen, want ze was met mijn kleindochter vertrokken.

Later liet ze van zich horen. Ze schreef dat het goed met haar ging, dat ze hertrouwd was, maar dat ik haar niet moest zoeken en nooit mocht komen. Met die last heb ik al die jaren geleefd. In al die tijd heb ik ingezien dat ik ook fout was geweest. Ze luisterde niet naar me, ze was boos op me, maar ze was en blijft mijn eigen dochter.

Een jaar geleden kreeg ik een brief van Nienke, zo heet mijn dochter. Ze schreef waar ze woonde, dat ze allang gescheiden was, dat ze zelf oma geworden was, en ze vroeg hoe het met mij ging. Ik heb de hele nacht gehuild. Toen heb ik teruggeschreven dat ik zonder haar niet verder kon. We hebben gebeld, gepraat, en we zagen allebei in dat we allebei schuldig waren geweest.

Mijn kleindochter heeft inmiddels een kind gekregen, dus ik ben overgrootmoeder. Nienke helpt haar overal mee, en ze werkt bovendien, dus ze kan niet weg. Daarom heeft ze mij gevraagd te komen. En ik? Ik heb mijn huis op slot gedaan, mijn buurvrouw gevraagd een oogje in het zeil te houden en af en toe de verwarming aan te zetten als het koud wordt, mijn tas gepakt en besloten naar mijn dochter te gaan. Wie weet hoeveel tijd mij nog gegund is; ik wil haar weer zien.”

Ik zei niets. Ik zat te denken aan mijn eigen moeder, die ik zelden bezoek. Ze woont in een dorp, en mijn oudere zus woont er ook. Ik dacht altijd: mijn zus zorgt wel voor haar. Maar nu drong het opeens tot me door: ik ben haar zoon. Zij mist mij. Ze wil mij vaker zien.

De rest van de reis heb ik met Truus gepraat. De tijd vloog voorbij. Toen de trein op het station was, hielp ik haar met haar trolley het perron op. Er stond een vriendelijk uitziende vrouw ongerust naar ons te kijken. Ik deed een stap achteruit. De twee keken elkaar aan, liepen naar elkaar toe, omhelsden elkaar, huilden en lieten elkaar maar niet los. Het was zo ontroerend dat ik er zelf een brok van in de keel kreeg. Bij hen komt het vast goed. Nu echt.

Ik liep een eindje weg om wat tot mezelf te komen. Er was me veel duidelijk geworden. Ik pakte mijn telefoon en belde mijn moeder. Zomaar, omdat het opeens het enige juiste voelde. Ik zei: „Mam, ik ben er. Ik kom in het weekend langs.”

Misschien is dat de les van vandaag: blijf niet wachten op de ander. Neem zelf die eerste stap, want morgen kan het te laat zijn.

Please rate
Bagattia News
OmaatjeOmaatje zat in haar favoriete stoel en breide een warme sjaal voor de winter.