Mijn laatgete echtgenoot Ik ben voor het eerst in de vijftigste al getrouwd Het is nu vijf jaar geleden dat we ons in de lente van 78 in Gouda hebben laten houwen. Nu ben ik zestig, hij vijfenzestig. Daar valt niets bijzonders aan tegenwoordig gebeurt er van alles. Maar het gekke is: het is mijn eerste huwelijk. En voor hem ook.
En geloof me, trouwen had ik nooit gedacht. Nooit! Toen ik nog geen twintig was, liep de jongen waar ik met heel mijn hart verliefd op was mij al achterna. Hij heette Hans. Hij vertrok toen ik in de vijfde maand van mijn zwangerschap zat. Eerst, o God, dacht ik even dat ik er wel van weg kon gaan. Maar ik pakte mezelf bij elkaar en zwoer dat ik nooit meer zou trouwen. Ik wilde niet weer een boef naast me hebben die bij de eerste kans weer verdwijnt.
En ik hield me aan die belofte. Mijn dochter, Janneke, groeide op, trouwde, kreeg kinderen, en ik, als een koppige ezel, trok door het eenzame bestaan. Mannen probeerden me wel te benaderen en dat deden ze in groten getale! Maar ik ben zo gesteld: als ik iets beslist heb, laat ik het niet meer los. Het alleen-zijn had me hard laten worden, niet bepaald vrouwelijk.
Het lot is een eigenwijze grapjas. Ik moet je vertellen hoe één man toch de weg naar het altaar vond
Toen ik met pensioen ging, begon ik, net als de meeste ouwe, te tuinieren. Van mijn ouders had ik een klein buitenhuis met een perceel eromheen geërfd, net buiten Utrecht. Ik nam de stoptrein ernaartoe; de reis duurde wat meer dan een uur, dus ik nam altijd een krantenboek met kruiswoordpuzzels mee zo vloog de tijd.
Op een dag, bij het perron, stapten er een man en een vrouw duidelijk een echtpaar en een wat kleinere, oudere man, de stoeltje in de trein. Even was het stil. Toen hoorde ik de vrouw zachtjes zeggen:
Hans, zullen we bij de kinderen langsgaan? Ze hebben hulp nodig, jij bent hun vader
Haar stem werd meteen overschreden door een luid gebrul van de man:
Ben je gek, domkop? Wil je echt voor die sukkels door het gangpad kruipen?!
Daarop volgde een flinke scheldpartij richting de vrouw en de kinderen. Ik keek even op en verstijfde. Het was Hans. Dezelfde Hans die mij ooit had verlaten terwijl ik zwanger was. Hij was niet veel veranderd, behalve dat de rimpels en een norsere blik hem nu sierden. Hij herkende me niet, maar zag me staren en riep:
Wat sta je hier te gluren? Kijk weg, anders krab ik je in het oog!
Mijn hele lichaam voelde als bevroren. Toen gebeurde er onverwachts iets: de kleine man tegenover mij stond abrupt op en plaatste zich tussen mij en Hans:
Als je de vrouwen niet met rust laat, krijg je het met mij te maken. Een man die zo met vrouwen praat, is geen man, maar een waardeloze prutser. Ik ga je laten weten hoe het voelt!
Ik raakte in paniek: Hans kon me makkelijk wegduwen. Maar de man trok zijn schouders op, mompelde iets en leek dan even te bezinnen. Plots besefte ik: voor me stond geen held, maar een gewone boef die alleen durft te schreeuwen naar vrouwen. En ik, via hem had ik al heel mijn leven mezelf tekortgedaan? Tranen stroomden langs mijn wangen. Alles ging voorbij als een film op flits dertig jaar in een paar seconden.
Na twee haltes stapten Hans en zijn vrouw uit, en ik barstte in huilen uit. Het voelde leeg en bitter.
Zelfs met tranen zie je er nog steeds prachtig uit zei mijn beschermer met een glimlach. Plots leek hij niet meer klein; voor me stond een echte man. Zijn naam was Dirk van den Berg, voormalig militair.
Zo leerden we elkaar kennen. En opeens voelde ik, voor het eerst in jaren, de drang om te trouwen. Ik wilde eindelijk een geliefde vrouw zijn.
En zo is het gegaan.
Dirk en ik zijn dolgelukkig. Het leven regelt alles op zijn eigen wijze. Leeftijd maakt niet uit. Ook in de herfst van ons bestaan kan de liefde opduiken en echt geluk brengen.







