Mama, ik ben er zo. Twintig minuten, niet langer zei Jan de Vries in de deuropening van de ziekenhuiskamer, terwijl hij probeerde te glimlachen, maar zijn lippen trilden.
Niet te lang, fluisterde Marjolein, op haar zij gekrompen, haar handen geklemd om het deken, de dokter zei dat er vanavond een infuus komt.
Jan knikte, hing zijn jas over de schouder en stapte naar buiten. Buiten was het vochtig en winderig. Oktober in Groningen spaarde de voorbijgangers nooit regen, wind, plassen die de sombere Hollandse herfst weerspiegelen: een lage, grauwe lucht, zwijgende mensen, alles leek te wachten op een einde.
Hij liep naar de bushalte en voelde de tijd wegglijden. Niet naar de bus, maar naar het leven zelf, naar alles wat voorbij rolde. Drie weken eerder hadden de artsen gezegd dat Marjolein in het laatste stadium was. Hij had toen niet gehuild. Hij ging naar een bankje naast het mortuarium om de een of andere reden had hij daar zijn voeten gezet en zat tot het donker werd.
Dus, ga je nog weg? vroeg een kamergenoot, een oude man met een slanke nek en ogen die eeuwige verwachting droegen.
Ik wacht op mijn zoon, antwoordde Marjolein met een glimlach, hij zei dat hij vanavond zou komen.
Komt hij vaak? vroeg hij.
Elke dag. Alleen vraag ik me af houd ik hem wel goed vast? Hij heeft toch ook een eigen leven.
De oude man hoestte zacht en zei:
Het is niet jij die vasthoudt, maar hij die zich niet laat gaan. Zolang hij niet losgelaten heeft, kun jij niet weggaan.
Marjolein keerde zich naar het raam. Buiten viel de regen. Vreemd, want ooit had ze regen bemind. In haar jeugd leek het romantisch: zitten in de keuken met een warme kop thee, luisteren naar de druppels die tegen het aanrecht tikkten. Nu hindert het haar zicht.
Jan wandelde naar het oude park waar hij als kind met zijn moeder op sleeën was geweest. Bij de derde berkenboom vanaf de poort fluisterde hij ooit:
Weet je, zoon, het maakt niet uit wat je doet. Het belangrijkste is dat er na jou iemand lacht. Al is het maar één persoon.
Toen begreep hij het niet. Nu begrijpt hij het als nooit tevoren. Zijn telefoon trilde: Mama: Haast je niet, ik ben oké. Hij glimlachte automatisch de laatste tijd stuurde ze vaak haast je niet. Waarschijnlijk om hem niet ongerust te maken.
In de kamer viel al het geluid weg. De oude man sliep, de verpleegster was al vertrokken. Marjolein lag, starend naar het plafond, en plots hoorde ze muziek, zacht uit de gang, een oude deuntje van de groep De Herfstregen. Ze lachte. Mijn God, echt? Zelfs hier dacht ze en sloot haar ogen.
En ineens zat er iemand naast haar, stil als de wind.
Wees niet bang, fluisterde een stem, alles is al gebeurd.
Ze opende haar ogen niet. Ze haalde zacht adem en fluisterde:
Alleen maar dat hij niet huilt.
Na veertig minuten kwam Jan terug. De artsen stonden al in de gang, de verpleegster bij de deur, ogen rood van de tranen. Hij begreep zonder woorden.
Mag ik? vroeg hij zacht.
Ja, knikte de verpleegster, maar niet lang.
Hij ging naast het bed zitten. Marjolein lag rustig, een vage glimlach om haar mond. Op het nachtkastje lag een telefoon, het scherm flikkerde een ongestuurde boodschap: Jan, verwacht geen wonder. Word zelf dat wonder.
Hij staarde naar het scherm tot het pijn deed. Toen zag hij aan het raam, waar de regendruppels in fijne strepen naar beneden gleden, een klein hartje gevormd, alsof iemand van binnen met een vinger had getekend. Hij glimlachte voor het eerst in dagen.
Een jaar later stond Jan bij de ingang van de kinderoncologie, een thermoskan met koffie en een mand met fruit.
Bent u vrijwilliger? vroeg de bewaker.
Ja, antwoordde hij met een lach. Ik wil gewoon dat er iemand lacht.
En toen kwam een kale jongen aangelopen, roepend: Oom, kijk, ik word beter! Jan voelde een warme gloed. Wonderen bestaan nog steeds, dacht hij, al komen ze soms via ons heen.







