LelijkeZe liep langs de grauwe grachten, zich afvragend of schoonheid echt iets is dat je kunt vinden in de schaduw van alledaagse routine.

Hé, luister even, ik moet je wel even dit bizarre verhaal vertellen wat me net overkwam. Het begon allemaal met een enorme knal, een oorverdovende boommoot, en dan duisternis, pure duisternis.

Eindelijk trok het donker zich langzaam terug en ik hoorde iemand roepen: Mevrouw Jansen, we hebben een reddingswerker, er is iets ontploft. Door de pijn voelde ik een hand op mijn nek. Ik rukte mijn oogleden half open, het voelde alsof er een rechthoekige hanger met gegraveerde sterrenbeelden voor me zweefde, en dan de blik van een vrouw in een wit labjas.

Naar de operatie! klonk er meteen naast me.

Mijn ouders kwamen thuis van hun werk. Mijn moeder sprintte meteen naar de keuken, keek even in de kamer waar ik mijn huiswerk maakte. Mijn vader, Daan, stapte binnen, keek meteen dat ik er niet zo vrolijk uitzag.

Wat is er, Daan? vroeg hij terwijl hij me een klopje op het hoofd gaf.

Niks, gromde ik, een vierdeklasser.

Kom, zeg het dan!

Internationale Vrouwendag komt eraan. De juf heeft ons vandaag laten blijven en zei dat we cadeautjes voor de meisjes moeten maken.

En wat is het probleem? lachte mijn vader.

Er zijn evenveel jongens als meisjes, en de juf heeft iedereen een partner toegewezen, zuchtte ik zwaar. Mijn vriendin is nou ja, niet echt knap, Marjolein Erfsma.

Alle meisjes willen een cadeautje voor 8 maart, ook de minder knappe, zei mijn vader serieus, alsof hij met een volwassene sprak. Hoe heeft ze de verdeling gedaan? Op alfabet? Op sterrenbeelden?

Op compatibiliteit. Marjolein is een Maagd, en Maagden passen het best bij een Stier. Ik ben trouwens een Stier.

Dat is toch goed, als het past! Misschien val je wel voor haar.

Voor Marjolein Erfsma? Ik?

Mijn vader barstte in lachen uit. Op dat moment schoot mijn moeder, Lotte, de kamer binnen.

Wat gebeurt er hier? vroeg ze.

Lena, ga naar de keuken, we hebben even een serieus gesprek, zei mijn vader streng.

Zodra Lotte weg was, vroeg ik met een droevige stem: Pap, wat moet ik nu doen?

Een cadeautje maken!

Welk cadeau?

Morgen op het werk maak ik een presentje voor je uitverkorene.

Maar pap, wat kun jij maken? Jij werkt toch in de fabriek?

Ja, ik werk in de galvanisatieafdeling, we maken allerlei metaalcoatings.

Pap, ik snap het niet.

Morgen zie je het wel!

***

De volgende dag kwam mijn vader met een gouden rechthoekige hanger aan, aan een ketting. Aan de ene kant stonden twee sterrenbeelden, Stier en Maagd, aan de andere kant stond er, klein maar sierlijk, geschreven:

Voor mijn klasgenoot Marjolein, op Internationale Vrouwendag! Daan.

Wat een mooie hanger! En toen mijn moeder hem in een doorzichtige zakje stopte, zag hij er nog spectaculairder uit.

***

En toen kwam 8 maart. De juf wilde geen les geven, dus eerst gaven de leerlingen haar een cadeautje. Ze bedankte lang, daarna riep ze: Jongens, geef de meisjes hun cadeautjes.

Wat een chaos! Alle jongens sprintten naar hun uitverkorene. Ik liep ook naar Marjolein Erfsma en zei, zoals pap me leerde:

Marjolein, gefeliciteerd met Internationale Vrouwendag! Misschien brengt de toekomst ons wel een Stier en een Maagd samen.

Na die ingestudeerde zin liep ik terug naar mijn stoel, zonder te merken dat mijn hart een sprongetje had gemaakt voor dit, naar mijn idee, nietzoknappe meisje.

Later verhuisden de ouders van Marjolein naar een andere wijk en ging ze vanaf de vijfde klas naar een andere school.

***

Nu, even een sprong: ik, Anton Gonselaar, werd wakker in een ziekenhuisbed met een wit plafond. Ik bewoog mijn armen en benen; alleen mijn linkerarm bewoog nog.

Waar ben ik? mompelde ik, richting wie dan ook.

Er klonk een klik en een verpleegster op een rolstoeltje kwam naast mijn bed, keek me ernstig aan en vroeg: Ben je wakker? Je ligt op de afdeling spoedgevallen.

Zijn mijn handen en voeten heel? fluisterde ik.

Ja, alles is nog op zijn plaats, alleen ben je van top tot teen in verband.

Dat is goed, als alles heel is.

Een andere verpleegster kwam op me af en vroeg: Hoe voel je je?

Wat gebeurt er met mij? antwoordde ik, een vraag in een vraag.

Je leven is niet in gevaar. Je handen en voeten zullen werken. Alleen een paar kleine schaafwonden blijven zichtbaar, zei ze terwijl ze haar telefoon neerlegde. Je moeder vroeg of ik haar moet bellen zodra je wakker bent.

Pap, kwam het stemgeluid van mijn moeder zachtjes door de deuren, alles goed?

Ja, mam, alles OK. Ze zeiden dat alleen kleine schaafwonden overblijven, we komen snel naar huis.

Ik mag niet s nachts bij je blijven, lieverd, ik kom zo.

Maak je geen zorgen, mam, probeerde ik te glimlachen naar de verpleegster. Dankjewel!

De verpleegster lachte terug: Je mag binnenkort weer naar huis, nog drie weken en dan ben je helemaal vrij.

Een buurman op de afdeling vroeg: Wat is er gebeurd?

Ik ben een redder. In de fabriek explodeerden gasballonnen, we moesten de brandwonden behandelen, begon ik te vertellen. Er waren drie gewonden in de grote hal, ballonnen lagen overal, overal vuur. Ik was de laatste die naar buiten kwam. Toen ik bij de deur stond, ontplofte er weer een ballon daarna niets meer.

Dat is wel een verhaal, zei de verpleegster, je krijgt een bezoek van een collega.

Mijn oude vriend, Daan, kwam binnen en sprong op mijn bed.

Hé, Anton! Hoe gaat het?

Handen en voeten heel! Alleen kan ik nog maar met mijn linkerhand zwaaien!

Hé, wat gebeurde er daarna?

We waren net op de uitgang toen het knalde, we renden terug, haalden je eruit je stond in het bloed, de dokters waren al daar.

Bedankt!

Waar heb je het over, Daan? lachte hij, We gaan toch wel naar een medaille.

Dan word ik binnenkort ontslagen.

Oké, ik ga er vandoor, jullie hebben een ronde. De verpleegster zei dat het niet lang zou duren.

Voordat Daan wegging, kwam er een arts, een man van zon veertig, en zei: Hoe gaat het, held?

Prima.

Hé, als je nog kunt praten, ga je nog een tijdje leven. Laat me even kijken.

Ben je me aan het pesten? vroeg ik. Nee, mevrouw Jansen, ze komt overmorgen terug.

***

Twee dagen later probeerde ik op te staan. De pijn in mijn benen was nog sterk, mijn rechterhand zat in verband en er waren overal blauwe plekken. Bij het explosieve moment had een stuk glas mijn gezicht geraakt, maar gelukkig kon ik mijn rechterhand nog vooruithouden. Mijn spiegelbeeld liet nog steeds een opgezwollen gezicht zien.

De arts, die me twee dagen eerder tien uur lang had gesticht in de operatieruimte, kwam langs voor de ronde. Ik was een beetje zenuwachtig.

Toen kwam ze, een jonge, strakke dokter met bril, een witte jas die haar perfect stond. Ik was al 27 en getrouwd, maar het huwelijk was al een half jaar gescheurd doordat onze karakters niet klopten.

Goedemorgen, zei ze, liep naar mijn bed.

Goedemorgen, bent u de chirurg die me heeft gesticht?

Ja, klopt. Alles in orde?

Heel goed, dankjewel!

Laat me even kijken.

Ze boog zich over me heen, en mijn oog viel op de hanger met de sterrenbeelden die om mijn nek hing:

Marjolein Erfsma!!! riep ik.

Ze keek even verbaasd naar mijn opgezwollen gezicht. Sorry, ik ken u niet.

Ik ben een Stier, zei ik terwijl ik naar de hanger wees.

Daan Gonselaar? haar lippen trilden. Herinner je je me nog?

Ach, Marjolein, wat een opluchting, zei ik, legde een kleine ring op haar hand.

Sorry! snikte ze, veegde haar tranen weg. Ik had nooit gedacht dat we elkaar zo weer zouden tegenkomen.

***

Na dat moment kwam Marjolein niet meer naar mijn kamer, maar ik wist wel dat ze net zon druk schema had als ik: overdag, s nachts en twee dagen vrij. Ik wilde niet voor haar hulpeloos overkomen. De hele volgende dag probeerde ik rond te lopen, leunde tegen de bedden, soms tegen de muur, en uiteindelijk stapte ik de gang uit.

s Avond. De dagshift arts vertrok, de nachtdienst kwam erin je hoorde het meteen in de gang. De ronde begon.

Plots klonken er geschreeuw en snelle voetstappen in de gang. Dat gebeurt als er weer een patiënt binnengebracht wordt. Het werd al tien uur. Een verpleegster kwam binnen, deed het licht uit, maar ik kon niet slapen. Rond middernacht hoorde ik geluiden van voetstappen die verstomden, en in die stilte voelde ik iets trillen iemand huilde. Ik stond op, sloop voorzichtig de gang in.

Aan de balie zat mijn oude klasgenoot, nu verpleegster, haar hoofd in haar handen, tranen stromend. Ik legde mijn stevige arm om haar schouder.

Jij bent Marjolein!

Ze leunde tegen mij: Ik heb een vrouw geopereerd, ze viel onder een vrachtwagen, ik heb alles geprobeerd, zelfs de onmogelijke. Ze ligt nu op de intensive care, maar ze zal niet overleven. Ze heeft twee kinderen, haar man is hier bij haar.

Rustig aan, Marjolein!

Ik werk al drie jaar als chirurg en ik kan nog steeds niet wennen dat mensen sterven.

Rustig aan, rustig aan! Het is ons vak. In vijf jaar zie ik ook veel sterven, maar we hebben ook levens gered. Mijn vrouw ging uit omdat ik thuis niet genoeg verdien en altijd ziek ben. Ik krijg maar 2.500 per maand, maar ik moet 40 uur werken. Ik ben 27, ik kan nog leven.

Dat herken ik, zei ze, mensen kijken naar mij alsof ik gek ben. Ik ben nog nooit getrouwd, woon nog bij mijn ouders.

Kom op, we zijn pas 27, het leven ligt voor ons.

Nee, Daan, we zijn al 27.

Mevrouw Jansen, haar pols klopt niet meer, riep een verpleegster.

Sorry! Marjolein rende terug naar de intensive care.

Die nacht kon ik echt niet slapen. s Ochtends kwam de verpleegster weer, deed me een warme deken om.

Is die vrouw die vannacht geopereerd is, nog levend? vroeg ik, onverwacht.

Ja, maar de toestand is kritiek.

***

Drie weken later waren de wonden aan mijn lichaam genezen. Ik zag Marjolein af en toe tijdens haar diensten, en telkens voelde ik die trek naar haar. In de spoedafdeling kun je natuurlijk niet over zulke persoonlijke dingen praten.

Tijdens een ochtendronde zei de arts: Vandaag schrijf ik je uit, glimlachte hij. Je mag naar de polikliniek, daar beslissen ze hoe lang je nog moet blijven.

Mag ik al mijn spullen pakken?

Natuurlijk, neem de tijd.

Toen de arts wegging, scheerde ik me. In de spiegel zag ik twee kleine littekens die nu een stoere uitstraling gaven. De andere littekens liet ik gewoon. Ik liep de gang uit, leunde tegen de muur, en dacht: Ze heeft me toch wel een beetje gemist!

De verpleegster overhandigde mijn ontslag: Dag Anton, kom niet meer terug!

***

Ik had een eigen studioappartement, maar ik reed meteen naar mijn ouders. Mama had al op me gewacht, zelfs een verlof genomen.

Zoon! riep ze, omhelsde me.

Ja, mam, ik ben weer gezond.

Kom, ik heb iets gekooks. Wat ben je toch mager geworden.

Ach, ik mis thuiseten.

Tot je weer compleet hersteld en getrouwd bent, blijf je hier wonen. Je kamer staat nog leeg, zei ze alsof ik een kind was. Ga je handen wassen!

***

Die middag ging ik naar de kapper, pakte wat kleren in mijn appartement, en mama hielp me meteen alles op te ruimen. s Avonds kwam mijn vader van werk, we zaten allemaal samen op de bank, kletsten tot laat.

Later, in mijn oude kamer, viel ik in slaap met de gedachte: Morgen moet ik naar de polikliniek, daarna naar het werk, en s avonds

***

De volgende dag ging ik s ochtends naar de polikliniek, rond het middaguur liep ik van kamer naar kamer, daarna werkte ik in de nachtdienst. s Avonds begon ik mijn spullen te pakken.

Waar ga je heen? vroeg mijn vader.

Pap, weet je nog die keer in de vierde klas, toen je een hanger voor een klasgenoot maakte?

Voor die… nietzoknappe Marjolein Erfsma?

Ja, precies.

En je zei toen: Misschien ga je wel verliefd op haar.

Dat deed ik, want ze heeft nu de operatie voor mij gedaan. Ze draagt die hanger nog steeds.

Wow, dat is echt gek!

Pap, je woorden zijn uitgekomen. Ik ga naar haar toe.

***

Zesentwintig jaar is niet zoveel voor een nieuw leven met de persoon van wie je houdt.

Zo, dat was het. Ik moet echt naar de huisarts nu, maar ik wilde je dit verhaal niet onthouden. Tot later!

Please rate
Bagattia News
LelijkeZe liep langs de grauwe grachten, zich afvragend of schoonheid echt iets is dat je kunt vinden in de schaduw van alledaagse routine.