Ik zie je, verstop je niet. Wat doe jij in ons trappenhuis? – De kat keek berouwvol, terwijl hij zwijgend, door de koude verzwaren pootjes langs de rand van een klein ijsstikje wreef dat van zijn vacht smolt. Alsof hij zei: ik ben fout gegaan, het gebeurt, vergeef me…

Op het moment dat die verschroeide zwerverkat zich op de achtertuin van een oud rijtjeshuis in de Amsterdamse Jordaan nestte, leek niemand zich meer te herinneren dat er ooit een kat had geleefd. Hij sloop geruisloos rond, bijna onzichtbaar, alsof hij een schaduw was een mooie, maar vieze en uitgemergelde kat. Het enige dat men zich kon herinneren was dat hij in het voorjaar plotseling verscheen.

Een meisje, Marijke, gaf hem af en toe wat te eten en zo goed als hij kon voor hem zorgen: bij koude dagen opende ze de kelderdeur als die niet op slot zat, legde oude wollen dekens onder hem, en één keer smeerde ze zelfs zijn pootje in groene verf toen hij een wond had.

Zo leidde de kat stil, voorzichtig, bijna onzichtbaar zijn bestaan.

Op een dag zag hij Marijke, gekleed in een wit jurkje met bloemen in haar haar, de trap uitlopen en in de armen van een man stappen die een feestelijk pak droeg. Rondom hen waren mensen, gelach, applaus. Iedereen stapte in de met linten versierde autos en reed weg. Vanaf die dag zag men Marijke nooit meer.

De kat bleef alleen. Van honger slenterde hij s nachts naar de vuilnisbakken daar was het s nachts stiller en had hij meer kans iets eetbaars te vinden voordat de zwerfhonden terugkwamen.

Het belangrijkste was om die gemene honden te vermijden. Zo bleef hij het hoofd boven water houden totdat de bijzonder gure vorsturen van de winter begonnen en de nieuwe huiseigenaar de kelderdeur stevig op slot deed.

Waar moest hij heen? Hij probeerde de trappenhuis binnen te dringen, maar werd overal tegengehouden: sommigen sloegen de deuren dicht, anderen spraken hem uit, schreeuwden en duwden hem weg. Niemand wilde het bibberende beest binnenlaten.

Wanhopig klom hij op een avond de trap op van een vierkante flat op de bovenste verdieping. Hij had nog geen kracht meer om te vechten of te hopen. Het maakte hem niets uit hij wilde alleen maar niet bevriezen tot de dood die nacht.

Eerst merkte Jozefina Steensma, beter bekend als Tante Anke, die op de tweede verdieping woonde, hem op. De vrouw bekeek haar brievenbus ze wachtte op de huurincasso. Ze was streng, maar rechtvaardig, en door de hele binnenplaats gerespecteerd. In elk geschil kon ze zonder omwegen de waarheid uitspreken, daarom luisterde het bestuur van de wijk naar haar.

De kat, die samen met een bewoner de trap was opgelopen, kroop zich in een hoek naast de radiator, hijgend. Zijn vacht was bevroren, zijn ogen smeulden van smeekbeden en uitputting.

Ik zie je, verschrompeld, ga niet meer wegglijden. Ben je bevroren, hongerig? sprak tante Anke streng maar meelevend.

De kat keek schuldbewust op, bewoog langzaam zijn klauwen terwijl het ijs onder zijn poten smolt.

Wat ga ik met je doen wacht even

Ze wist hoe honger voelde. Zijn trillende poten bewogen nauwelijks, maar hij klom naar haar flat en keerde terug met een schaal vol eten, een bakje water en een oude wollen deken.

Kom maar, eet. Arme ziel, wees niet bang, ik laat je niet zitten zuchtte ze terwijl ze zag hoe de kat worstelde met een hap haver, de rest van het voedsel bijna niet kon verteren.

Ze legde de deken neer en vergat zelfs de huurbrief.

De kat, die eerst nog op straat had geleefd, besloot: dit is nu mijn thuis, en de strenge maar goedhartige vrouw is mijn baasje. Om niet weer verdreven te worden, gedroeg hij zich stil en gehoorzaam, zoals hij vroeger was toen hij nog een huisdier was. Tante Anke gaf hem een naam: Mies.

Niet alle buren waren even blij met de nieuwe buur. De familie van de derde verdieping, de Van Dijks, kwamen langs. Eduard van Dijk stond voor de deur, keek afkeurend naar de kat.

Wat is dit voor zoo dier hier in ons gebouw?

Zijn vrouw, in een fluwelen jas, trok verontwaardigd haar neus op.

Edu, deze kat is een plaag!

Weg ermee! beval de man.

Tante Anke rechtte zich rechtop:

Waarom? Het stoort niemand. Hij gaat nergens heen laat hem hier.

Nou, ik roep de ongediertebestrijding, ze halen hem weg en beboeten ons. Het is een gemeenschappelijke ruimte!

Prima. Ik bel de gezondheidsinspectie. Laat ze maar kijken hoe een eenvoudige magazijnmedewerker, die elke dag de tekorten thuisbrengt, als een echte heer kan leven. De buren bevestigen het: als iemand de kat lastigvalt, moet hij de gevolgen dragen.

Vanaf dat moment liet men Mies met rust. Zelfs Goga, de roekeloze bewoner van de vierde verdieping die vaak dreigde, liep voorbij alsof hij de kat niet eens had gezien.

Na een paar weken raakte iedereen gewend aan Mies. Maar tante Anke wist dat het voor Mies nog niet veilig was. Hoewel hij steeds dichter bij haar kwam, bleef hij een buitenstaander.

De vrouw overwoog om hem binnen te nemen, maar Mies ontweek de flat alsof hij bang was voor iets groots. Het leek alsof er iets vreselijks met hem gebeurd was.

Tante Anke haalde zich niet op, hoopte dat Mies op een dag vanzelf naar binnen zou sluipen.

En inderdaad, elke keer als zij de deur sloot, volgde de kat stiekem, luisterend, maar hij ging nooit ver.

In februari, te midden van een hevige sneeuwstorm, werd Jozefina Steensma doodsbang wakker ze kreeg geen adem meer. De pijn doorboorde haar lichaam, ze kon niet meer schreeuwen. Alles om haar heen leek gehuld in een mist.

De buren werden gewekt door Mies’ wanhopige miauwen. Hij krabde aan de deur, klauwde de houten deur.

Mensen stormden naar binnen, maar kregen geen antwoord. Toen kwam de buurvrouw van de derde verdieping, Nyla Smit, aan de deur:

Ik heb de sleutel. We spreken af met Anke

Ze openden de deur. Een ambulance werd opgeroepen. Mies lag onder het bed, zachtjes jammend.

Jozefina Steensma had geen familie. De blokkade had iedereen weggerukt. Ze bleef alleen

De buren bezochten haar in het ziekenhuis, brachten kleine geschenken. Iedere keer zei ze:

Zorg goed voor Mies. Voed hem, laat hem terugkomen. Hij heeft mijn leven gered

Drie weken later, op een lentedag in maart, kwam tante Anke thuis. Mies stond al bij de deur, alsof hij wist dat ze terugkwam.

Ze stak haar arm uit:

Kom mee, Mies.

En samen liepen ze naar binnen. Die avond pakte tante Anke Mies voor de eerste keer in haar schoot. De kat begon te spinnen, kroop tegen haar aan.

Het is goed, Mies we hebben nog een beetje tijd samen.

Zo leerde iedereen dat een klein gebaar van medeleven, zelfs aan een verlaten kat, een heel leven kan veranderen. Een beetje vriendelijkheid kan een wereld vol kou en eenzaamheid doen ontdooien.

Please rate
Bagattia News
Ik zie je, verstop je niet. Wat doe jij in ons trappenhuis? – De kat keek berouwvol, terwijl hij zwijgend, door de koude verzwaren pootjes langs de rand van een klein ijsstikje wreef dat van zijn vacht smolt. Alsof hij zei: ik ben fout gegaan, het gebeurt, vergeef me…