– Pap, heb je een kat meegenomen? – verbaasde dochter Lyudmila, die in het weekend op bezoek kwamDe kat spinde vrolijk terwijl hij zich nestelde op haar favoriete leunstoel, waardoor iedereen in de kamer even stil stond van verbazing.

Pap, heb je nu weer een kat geadopteerd? verbaasde Marijke, die haar weekend in het plattelandsdorpje Kwadijk had gepland.

Piet van den Berg staarde geïrriteerd uit het raam. Daar zat weer die roodachtige kater, lui op de grond van zijn moestuin, al de derde dag op rij.

Eerst knabbelde hij tomaten, gisteren lag hij in de komkommers, en vandaag nestelde hij zich gewoon tussen de jonge spruiten van de rode kool.

Ga terug naar je eigen eigenaren murmelde de oude man, terwijl hij met zijn handen tegen het glas tikte.

De kater hief zijn kop, staarde met felgele ogen en bleef onaangedaan zitten, zo brutaal als een kind dat zijn snoepje niet wil delen.

Piet trok zijn rubberen laarzen aan, stapte de moestuin in. De poes vluchtte niet; hij trok slechts een paar stappen terug, ging naast het houten hek zitten. Mager, rafelig, één oor scheef, een staart die in een wirwar van haren eindigde.

Hoe gaat het, arme ziel? boog Piet zich naar de kool, bekeek de schade. Je moet wel hongerig zijn, want anders nemen ze je niet meer mee naar huis, hè?

De kater miauwde zacht, een klagende toon. Piet besefte plotseling dat het beest honger had. Zijn magere lichaamsbouw maakte de ogen wijd en glanzend.

Waar zijn je eigenaren? vroeg hij, terwijl hij op zijn knieën ging zitten.

De kater schoof dichterbij, wreef zich tegen Piets laars, snorde zacht als een dankbaar kind dat niet wordt weggestuurd.

Opa, waarom leeft die kat nu bij ons in de tuin? vroeg Joris, de zoon van Piets broer, die voor een paar dagen bij de boerderij was ingetrokken.

Ach, die is van de buren. Vermist of weggegooid, weet ik niet.

Van wie was hij?

Piet zuchtte. Hij wist het wel. Van de weduwe Hanna, die een straat verder in het rijtjeshuis woonde. Ze was een maand geleden overleden, en de familie kwam alleen voor de begrafenis. Het huis werd dichtgesloten, de spullen werden weggehaald en de kat was vergeten.

Hij hoorde bij oma Anke. Zij is al lang niet meer.

Is de kat dan helemaal alleen gelaten?

Ja, helemaal alleen.

Joris keek verdrietig naar de roodachtige zwerver.

Opa, mogen we hem hier houden?

Natuurlijk niet! wuifde Piet af. Ik had al geen kat meer, nu nog één die niets te eten heeft, en dan…

Die avond, toen Joris weer naar de stad was vertrokken, zette Piet een kommetje met restjes erwtensoep bij de voordeur. De kater sloop er voorzichtig heen, at gulzig en haastig.

Goed, één keer is genoeg mompelde Piet.

Eén keer veranderde al gauw in elke ochtend. Piet ging de moestuin uit, en de kater zat al bij de poort te wachten, geduldig, zonder te miauwen, zonder te smeken.

In het begin kreeg hij restjes, later kookte Piet speciaal pap, kocht goedkope conserven. Hij stelde zichzelf gerust: Het is maar tijdelijk, tot hij een nieuw baasje vindt.

Roodje, kom hier riep hij. Ik roep je wel bij je oude naam, of hoe Hanna je noemde.

De kater reageerde op elke roep, zolang er een naam werd genoemd.

Geleidelijk wentte Roodje zich. Overdag lag hij in de zon op de tuin, s avonds kwam hij naar de veranda. s Nachts sliep hij in de oude hondenhok die naast de schuur stond.

Tijdelijk, herhaalde Piet, helemaal tijdelijk.

Maar de weken gingen voorbij, en de kat vertrok nergens heen. Piet besefte dat hij gewend was geraakt aan die roodbruine snuit bij de poort, het zachte gespin in de avond, de warmte van zijn schouder die af en toe op Piets schoot rustte terwijl hij op de bank televisie keek.

Pap, heb je een kat geadopteerd? vroeg Marijke, die net terugkwam van een dagje winkelen in Amsterdam.

Nee, hij kwam zelf naar mij toe. Een buurkat, de eigenaren zijn er niet meer

Waarom voed je hem dan? Zet hem niet gewoon weg.

Wie heeft er nu een oude kat nodig? aaide Piet Roodje achter het oor. Laat hij maar blijven.

Pap, dat zijn toch extra kosten. Voedsel, dierenarts, alles Je pensioen is toch niet heel groot?

Het komt wel goed, antwoordde Piet kort.

Marijke schudde haar hoofd. Piet was de laatste jaren een vreemde man geworden hij sprak met de tomaten, sprak zacht tegen de aardbeien, en nu had hij een kat geadopteerd

Misschien moet je naar de stad verhuizen? Bij ons? stelde ze weer. Waarom blijf je hier alleen?

Niet alleen. Roodje is er toch.

Pap, echt?

Ik meen het. Het is goed hier. Er is een tuin, en er is een kat.

Marijke zuchtte. Het gesprek met haar vader was moeilijk geworden. Hij was koppig, trok zich terug na het verlies van zijn vrouw.

In de herfst begon Roodje te verslappen. Hij at niet meer, lag zwakker in het hondenhok, ademde nauwelijks. Piet werd angstig, voelde zich net als een vader over een zieke kind.

Wat is er met je, vriend? ging hij naast het hok zitten. Ben je ziek?

De kat opende zijn ogen, liet een zwakke miauw horen. Piet besloot hem naar de dierenarts in het plaatselijke gezondheidscentrum te brengen. Hij gaf bijna zijn hele pensioen uit aan medicijnen, maar hij berouwde het niet.

Uw kat is een goede kerel, zei de jonge dierenarts. Slim, zachtaardig. Alleen is hij oud, het immuunsysteem is zwak.

Zal hij nog leven?

Als u goed voor hem zorgt, kan hij nog een tijdje doorkomen. Alleen moet u hem blijven verzorgen en de medicijnen geven.

Thuis maakte Piet een soort hospice op de veranda. Hij legde oude dekens neer, zette kommen met voer en water. Elke dag gaf hij pilletjes, controleerde de temperatuur.

Word beter, fluisterde hij. Zonder jou is het hier zo stil.

En zo werd de kat meer dan een huisdier; hij werd een vriend, de enige levende ziel die zich blij voelde om Piet te zien.

Opa, is Roodje al beter? vroeg Joris, die met zijn zoon tijdens de wintervakantie was gekomen.

Ja, kijk, hij slaapt op zijn kussen.

Roodje lag inderdaad knus op een verwarmd kussen, opgerold als een bol, zijn vacht glansde, de ogen helder.

Blijft hij hier voor altijd?

Waar moet hij heen? aaide Piet hem. Wij blijven samen. Hij is mijn gezelschap, ik ben zijn thuis.

Opa, was je niet eenzaam?

Piet dacht even na. Sinds het overlijden van zijn vrouw leek het huis leeg, stil. Hij kookte soep voor één, keek naar de televisie in stilte, ging alleen naar bed in een lege kamer.

Ja, kind, ik voelde me vaak eenzaam.

En nu?

Nu is het niet meer eenzaam. Roodje begroet me als ik van het veld kom, hij spint terwijl ik het avondeten maak, hij ligt op mijn schoot tijdens het tvkijken. Het is beter geworden.

Joris knikte. Hij hield ook van dieren en begreep hoe ze een leeg huis konden vullen.

Opa, wat zegt mama ervan?

Mama protesteerde. Ze vond het een onnodige uitgave, te veel gedoe.

En jij?

Ik vind het niet onnodig. Roodje brengt vreugde, en vreugde is niet overbodig.

In de lente gebeurde er een onverwachte wending. De nicht van de overleden Hanna, een jonge vrouw met een klein kind, kwam op bezoek.

Opa, excuus dat ik stoor, zei ze. Ik ben Sanne, nicht van Hanna. Ik hoorde dat je haar kat nog hebt?

Piets hart bonsde. Zou hij Roodje verliezen?

Hij leeft nog, antwoordde hij voorzichtig. Wat wilt u?

We wilden hem graag meenemen. Na het graf hebben we niet aan de kat gedacht, maar nu willen we hem niet laten staan.

Ik begrijp het, Piet voelde een knoop in zijn borst.

Heeft u genoeg geduld? Het is veel werk

Nee, ik ben niet moe. Hij is een mooie kater.

Sanne keek naar de tuin, waar Roodje in de zon lag naast de wortelbedden.

Kijk hoe hij veranderd is! Vroeger zo mager en ziek, nu een prachtdier.

Ik heb hem verzorgd, goed gevoed.

Dank u wel! Sanne was oprecht dankbaar. We nemen hem mee, en betalen alles

Piet bleef stil. Juridisch gezien was de kat eigendom van Hannas familie, maar in zijn hart was Roodje al wekenlang een deel van zijn leven.

Mag ik hem even zien? vroeg Sanne.

Ze gingen naar de poort. Roodje hief zijn kop, keek wantrouwend naar de onbekenden. Toen stapte hij naar Piet, wreef zich tegen zijn benen.

Vreemd, zei Sanne. Hij herkent me niet. Ik kwam vaak bij tante Anke langs

De tijd is voorbij, zei Piet. Hij is het even vergeten.

Maar hij begreep het niet als vergetelheid; de kat had simpelweg een nieuwe eigenaar gekozen: diegene die hem voedde, verzorgde, hield.

Misschien mag hij bij u blijven? zei Sanne plotseling. Hij is gewend aan ons, en wij aan hem.

Hoe bedoel je? vroeg Piet verbaasd.

Het is simpel. Wij wonen in een appartement, hebben een klein kind. De kat is oud, gewend aan buitenleven. Waarom hem verplaatsen?

Maar hij is van ons

Hij was van tante, nu is hij van ons. Jullie hebben hem twee keer gered eerst van de honger, daarna van de ziekte. Dus hij is nu van ons.

Piet kon zijn geluk niet geloven.

Echt? Ik mag hem houden?

Natuurlijk! Alleen, als je iets nodig hebt medicijnen, voer laat het ons weten. We helpen graag.

Na Sannes vertrek zat Piet nog lang op de veranda, aaide Roodje.

Blijf je, vriend? fluisterde hij. Voor altijd.

De kater spinde, sloot tevreden zijn ogen.

Later die avond belde Marijke.

Pap, hoe gaat het? Is de kat nog levend?

Ja, hij leeft. En weet je, hij is nu officieel van mij. De eigenaren zijn langsgekomen en hebben ons toestemming gegeven.

Goed om te horen. Als hij al zo gewend is

Weet je, Marijke, ik heb iets ingezien.

Wat?

Een eenzame man en een eenzame kat redden elkaar. Ik redde hem van de honger, hij redde mij van de eenzaamheid.

Pap, filosofeer niet te veel

Ik filosoof niet, ik vertel de waarheid. Nu heb ik een reden om s ochtends op te staan, om voer klaar te maken, om medicijnen te geven. En er is vreugde, want er spint iemand naast me bij de poort.

Marijke zweeg een moment. Misschien begreep ze eindelijk dat haar vader werkelijk dit katje nodig had.

Kom je echt niet naar de stad verhuizen?

Komt niet meer. Hier heb ik alles huis, moestuin, Roodje. Waarom zou ik naar de drukte van de stad gaan?

Dan blijf je.

Ik blijf. We blijven.

Een jaar verstreek. Piet en Roodje leefden een rustig, ordelijk leven. s Ochtends een ontbijtje en een wandeling langs de tuin, overdag klusjes op het erf, de kat sliep in de schaduw. s Avonds de maaltijd, televisie, Roodje op de schoot.

De buren waren gewend aan hun duo.

Piet, jouw kat is echt handzaam geworden!

Hij is niet van ons, we zijn één geheel.

En dat was de waarheid. De oude, eenzame man en de oude, over het hoofd geziene kat hadden elkaar gered vonden in elkaar wat ze zocht: begrip, warmte, een reden om te blijven.

Wat heb je nog nodig voor geluk?

Roodje spint zacht op de schoot van zijn baasje, en Piet denkt: wat een geluk dat ik die hongerige zwerver niet heb weggestuurd. Wat een geluk dat ik medelijden heb gevoeld

Soms worden de belangrijkste beslissingen niet met het hoofd, maar met het hart genomen, en blijken ze de juiste te zijn.

Please rate
Bagattia News
– Pap, heb je een kat meegenomen? – verbaasde dochter Lyudmila, die in het weekend op bezoek kwamDe kat spinde vrolijk terwijl hij zich nestelde op haar favoriete leunstoel, waardoor iedereen in de kamer even stil stond van verbazing.