Ongewenste gastenDe nachtelijke wind fluisterde langs de ramen terwijl de onverwachte bezoekers stilletjes hun eigen duistere geheimen in de kamer begonnen te ontrafelen.

Ik herinner me nog dat het telefoon om vijf uur s ochtends onverklaarbaar ging. Een onbekend nummer liet zich horen.

Ja, fluisterde Marijke kortaf.

Marietje? klonk er een vrolijke, krachtige vrouwenstem. Ben jij dat?

Ja, antwoordde ze koeltjes.

Ik ben het, zei de vrouw stralend. Herken je me?

Ik herken u, zei Marijke beleefd, terwijl ze eigenlijk geen idee had wie er aan de lijn zat.

Ik wist zeker dat je me meteen zou herkennen, vervolgde de vrouw opgewekt. Wat fijn dat ik je te pakken kreeg. Kun je nu praten?

Ja, ik kan.

Perfect. Mijn man, de kinderen en ik zijn net van het station gestapt, een uurtje geleden. Hoor je me goed?

Ja, hoor.

Je stem is een beetje zacht. Alles in orde, Marietje?

Alles in orde.

Dat maakt me blij voor je. Eerst dachten we een hotel te zoeken, want we dachten dat we hier geen familie hadden. Maar toen herinnerden we ons dat jij hier wel woont. Begrijp je?

Ja, ik begrijp het.

Hoe prettig dat we aan je gedacht hebben. Je kunt je niet voorstellen hoe blij we waren, vooral de kinderen.

Dat kan ik me voorstellen.

Mijn man zei meteen: Bel Lotte. Zij laat je niet in de steek.

Hij heeft gelijk. Ik laat je niet in de steek.

Dus, mogen we bij jou overnachten? Heb ik dat goed begrepen?

Ja, dat klopt. Ik sta je toe.

We blijven niet lang, ging de vrouw vrolijk door. Slechts een paar weken, de stad bekijken en dan terug naar huis. Want thuis liggen de boontjes op, en zoals men zegt: Thuis is het mooiste. Ben je het hiermee eens?

Ik ben het ermee eens.

Zo dachten wij ook. Vooral mijn man. Hij kon zich niet voorstellen dat Marietje ons niet zou ontvangen. We zijn familie, ook al zijn we al tien jaar niet meer gezien.

Precies.

Woon je nu alleen?

Ja, alleen.

In een driekamerappartement?

Ja.

Dus we komen straks bij jou langs?

Kom gerust.

Over een uur zijn we er. Ben je nog steeds thuis?

Ja, ik ben er nog.

Dan wacht dan. We zijn er bijna.

Ik wacht, antwoordde Marijke.

Lotte hing op, legde de telefoon op de nachtkast, wikkelde zich in een deken en viel in een lichte slaap, zonder zich echt zorgen te maken over met wie ze zojuist had gesproken.

Een uur later klonk er een bel op de deur. Lotte keek op haar horloge, sloot haar ogen en draaide zich nogmaals. De telefoon rinkelde. Marijke sliep.

Na een tijdje begonnen er steeds luider op de deur te kloppen. Marijke bleef onverschillig. Toen ging de telefoon opnieuw over.

Ja, zei Lotte zonder haar ogen te openen.

Marietje? riep de vrouw blij.

Ja.

Wij zijn het. We zijn aangekomen. We bellen en kloppen, maar je doet de deur niet open.

Bellen jullie?

Ja.

Waarom hoor ik je niet?

Ik weet het niet.

Bel nog eens.

Ook in de flat ging de telefoon over.

We bellen, zei de vrouw.

Nee, zei Marijke, ik hoor je niet. Klop nu even.

Er klonk een tik tegen de deur.

We kloppen, zei de vrouw.

Nee, antwoordde Lotte, ik hoor niets.

Ik denk dat ik de verkeerde tijd heb gekozen, zei ze.

Wat? vroeg Marijke.

Waar ben je nu, Marietje?

Wat bedoel je met waar? Thuis.

Waar thuis?

In Alkmaar, blikte Lotte, het eerste dat haar te binnen schoot. Waar zou ik anders kunnen zijn?

In Alkmaar? Waarom niet in Amsterdam?

Ik ben negen jaar geleden verhuisd, meteen na mijn scheiding.

Waarom?

Waarom scheiden?

Waarom verhuizen?

Ik was het zat in Amsterdam, te veel nare herinneringen.

Is Alkmaar beter?

Zeker wel. Veel beter.

Wat is er beter?

Alles is beter. Wat ik ook doe. Geen nare herinneringen meer. Maar ik vertel je niets kom langs en zie het zelf. Hoeveel zijn jullie?

Wij zijn met z’n vieren. Ik, mijn man en twee kinderen. De oudste heet Pieter, de jongste Lucas. Lucas wil dit jaar voor de derde keer naar de universiteit.

Kom dan met z’n vieren. Ook bij ons is een mooie universiteit.

Wanneer komen we?

Zo gauw als je kan.

Nu lukt het niet. Ik heb veel te doen in Amsterdam. Lucas wil alleen in Amsterdam studeren. Wij zijn hier om werk te vinden. We dachten een jaar bij jou te blijven, maar zo zie je maar.

Dus jullie komen vandaag niet?

Nee.

Jammer. Ik was al klaar voor jullie komst.

En wij vinden het jammer. Je kunt je niet voorstellen.

Ik kan het mij voorstellen.

Nee. Je kunt je het echt niet voorstellen. Als ik denk aan wat ons te wachten staat, wil ik gewoon niet meer leven.

Lotte besloot het gesprek te beëindigen.

Nou, goed, zei ze, als jullie nu niet kunnen komen, kom dan wanneer het jullie uitkomt. Ik zie jullie graag. En als jullie je in Amsterdam vestigen, geef me dan meteen je adres. Ik kom dan op bezoek, ook voor een paar weken. Dan kijken we wel. Ik heb nu niemand meer in Amsterdam, behalve jou. Zijn we het daarmee eens? Stuur je me je adres?

Maar Lotte kreeg geen antwoord meer; de verbinding viel abrupt weg.

Please rate
Bagattia News
Ongewenste gastenDe nachtelijke wind fluisterde langs de ramen terwijl de onverwachte bezoekers stilletjes hun eigen duistere geheimen in de kamer begonnen te ontrafelen.