Kom met me mee! Ik heb nu een lege tuin, zonder hond. Jij kunt de poort bewaken ik zal je niet benadelen! riep Opa Jan terwijl hij op zijn oude fiets stapte en richting het dorp tramde. Onderweg keek hij zich een paar keer om, maar er kwam niemand achter hem aan. De ontmoeting in het bos was inmiddels al een vage herinnering.
De hond was een onmenselijk beest Zoals men over mensen zegt, onmenselijk, zo was zij ook.
Lang geleden, toen Opa Jan nog jong was, zwierf hij het bos in om kastanjes te zoeken. Daar vond hij een onderontwikkeld puppyras. Alleen God weet hoe dat beestje zo in het dichte woud terechtkwam.
Hij dwaalde zwijgend tussen de bomen, nat van de regen, nog niet eens vastgebonden. Jan fronste, stapte dichterbij.
Klods, niet zo knap Maar toch, er glinsterden donkere ogen op haar kop. Geen puppyogen, maar de blik van een wijs roofdier. Jan bleef even staan en dacht na.
Kom met me mee! Mijn tuin mist een bewaker. Ik doe je geen kwaad, dat beloof ik!
Hij klom weer op zijn fiets en vervolgde de weg naar het dorp. Onderweg keek hij zich nog een keer om, maar niemand volgde hem. Al gauw vergat Jan de bosontmoeting.
Thuis wachtte een flinke boerderij: drie biggetjes, een varkentje met tien biggen, de koe Berta, een tiental kippen, zes eenden met hun kuikentjes, en de kat Mete. Jan rolde een zelfgemaakte sigaret, opende de poort en liet zich eindelijk op een houten bankje bij de kruipruimte neerzakken. Plots hoorde hij een zacht geritsel.
Donkere ogen staarden hem aan, zo aandachtig, zo vreemd, dat Jan even geen idee had wat hij moest doen.
Zullen we naar de tuin gaan? vroeg hij. Na een lange stilte draaide het puppyras zich om en verdween in de schemering.
Zo bleef het een paar avonden duren; de donkere blikken keken elke avond op hem alsof ze zijn ziel wilden doorgronden.
Op een warme zomermiddag, net toen Jan opnieuw op de bank zat en te roken begon, kwam ze een schattig, nat puppybeestje naar hem toe, snuffelde aan zijn broek en legde zich bij zijn voeten neer.
Jan was niet de zachtste oude man; hij bewaarde zijn dieren vooral als productiemiddelen. Hij had al menig varken, koe, kip en ander beest naar eigen zin gekweekt. Een hond was immers voor de bewaking, een kat voor de muizen. Hoeveel honden hij al had verloren, kon hij zich niet meer herinneren vergiftigd, ziek of gewoon oud. De hondenhok zat nu leeg.
Begin zomer trok een onweersbui over het dorp, de dierenarts fluisterde teken en iedereen haalde opgelucht de schouders op. Jan was een strenge kerel, zonder tranen; zijn vrouw Katrijn nog strenger. Het hele dorp fluisterde nog steeds over hoe ze ooit een kalf met één vuist tegen de ogen had geslagen, alleen omdat het kalf te vrolijk was.
Jan nam een trek aan zijn zelfgerolde sigaret, keek naar het puppybeestje naast zijn voeten, en de donkere ogen keken aandachtig mee.
Nou, beestje, je lijkt te willen blijven. Dan luister goed: ik voed je twee keer per dag, wat God ook wil sturen, en ik zal je niet mishandelen. Er is een hok, warm en knus. ‘s Avonds laat ik je soms een paar uurtjes los voor een patrouille. Jij bewaakt mijn tuin, zodat niemand ongezien voorbijloopt. Als je het ziet zitten, kom dan met me mee!
Zo begon haar nieuwe leven. Jan noemde haar Madelief een naam die hij ooit in een oud familieverhaal had gehoord en die sindsdien een mysterie bleef. Madelief kreeg een warm hok, een grote boerderij en een stevige riem.
De jaren vlogen, en het onhandige pupje groeide uit tot een reusachtige, prachtige en imposante hond, waar het hele dorp van huiverde. Er ging zelfs een gerucht dat er in haar lijn wolven zouden zitten.
Ze was schitterend en ongewoon, en haar gewoonten waren beslist geen hondenkwaad. Geen kwispelende staart, geen likken van handen alleen een kalme, intelligente blik.
Wanneer Opa Jan, zijn vrouw of een familielid naderde, lag Madelief gewoon rustig en keek hen doordringend aan met haar slimme ogen. Maar bij indringers liet ze geen greintje medelijden zien. Ze blafte nauwelijks, maar gromde met een angstaanjagende brul en dan alleen overdag. Daarom verplaatste men haar hok van de tuin naar de erfschuur, zodat de dorpsbewoners niet over de poort struikelden.
s Nachts liet Jan haar af en toe los met de woorden:
Over drie uur ben ik weer terug, zodat je hier wacht! Kijk, de melkerinnen durven niet meer langs je te lopen tijdens het melken! Raak niemand aan!
Nooit beette of joekte ze iemand; haar interesse lag elders. Opa Jan vond haar elke ochtend weer in haar hok, en dat verdiende ze enorm al was hij zich niet altijd bewust van haar gevoelens.
Madelief kreeg regelmatig welpen, zoals geweten is, en hoewel de dorpsbewoners haar vreesden, vlogen haar pups als verse croissants langs de huizen. Mensen uit naburige dorpen kwamen speciaal voor haar pups, want ze respecteerden haar, zelfs als ze haar niet zomaar wilden aanraken.
Op een doodnormale zomerdag, na het ontbijt, lag Madelief in de zon naast haar hok en hield één oog op het zandbakje waar de driejarige Marlies onder de schaduw van een reusachtige eik speelde, en met het andere oog op de tuin van oma Katrijn, die tussen haar koolbladeren rommelde.
Marlies, die pas drie jaar was, had haar ouders alleen in het weekend, en toen riep ze enthousiast:
Madelief!! Madelief!!
Het hondengehart bonsde van vreugde en liefde voor dit kleine mensje. Zo hield Madelief Marlies, oma Katrijn en de omgeving in de gaten, en viel uiteindelijk in slaap.
Plotseling voelde ze scherpe krassen tegen haar neus. De kat Mete zat met een kreet voor haar gezicht:
Doe iets! Marlies gaat nu verdrinken!!
Marlies was nergens te bekennen niet in de zandbak, niet op de schommel, niet onder de boom. Madelief staarde naar de kat.
Ze is bij de vijver! Haar zwempak zat in het water! Ze rolt erin! Help me! Niemand hoort me! Aaaaaaauuuu
Madelief blafte als nooit tevoren, zo hard dat het dorp deed schudden. Ze sprong, rukte, bond zich bijna los van haar riem.
Oma Katrijn draaide zich om, keek de hond aan en dacht:
Gekke hond maar wat een heldin, terwijl ze zich weer in de koolbocht boog.
Madelief huilde nee, ze huilde niet, ze jaupte een wolfachtige kreet die over het hele dorp galmde en ieders haar rechtop zette. Het was een wanhopige, pijnlijke schreeuw die geen woorden aankonden.
Op dat moment begreep oma Katrijn dat er iets verschrikkelijks was gebeurd en rende naar de vijver. De buren sprongen uit hun huizen, de brandweer reed aan. Marlies werd net op tijd uit het water gered.
Er volgde een herrie in het dorp, huiltende ouders, opgeluchte blikken. s Avonds kalmeerde de sfeer, en er kwam een kleine delegatie naar Madelief: Marlies vader Ivo, zijn vrouw en Opa Jan.
Ivo knielde naast haar en zei:
Dank je wel dat je mijn dochter gered hebt!! Ik vergeet dit nooit! Kom met ons mee, we hebben een huis in de stad. Je krijgt een groot hondenpark, ik zal je heerlijk voeren en dagelijks uitlaten!
Madelief keek met haar donkere, wijze ogen, bleef even stil, legde toen haar kop zachtjes op Ivos schouder, een paar seconden. Daarna keerde ze terug naar Opa Jan, legde zich bij zijn voeten. Jan stond verstijfd, wist niet hoe hij op die onverwachte liefde moest reageren, en een enkele traan rolde over zijn wrijsome wangen.
Applaus, reacties en commentaren volgen!
Vrienden, als jullie meer van dit soort verhalen willen lezen, laat een reactie achter en vergeet de likes niet. Dat geeft ons de energie om door te gaan!







