Het leven loopt op de gewone, vertrouwde manier: een zoon opvoeden, een huis bouwen, dicht bij je geliefde man staan. Marloes kiest zelf voor Jan van alle jongens sprong hij er bij haar uit. Zodra Jan terugkeert van zijn dienst bij de Koninklijke Landmacht, trouwen ze. Niet lang daarna krijgen ze een zoon, Sven. Als de jongen groter wordt, begint Marloes te dromen van een dochter.
Jan, laten we de verbouwing van ons huis afmaken en een meisje krijgen. Dan hebben we een echt thuis, een idyllisch gezin, zegt ze vaak.
Jan glimlacht alleen maar en knikt. Hij voelt zich al klaar om weer vader te worden, al zou het morgen kunnen gebeuren. Vaak tilt hij Sven op zijn schouders en loopt hij trotselijk door het dorp, zwaaiend naar iedereen die hij tegenkomt.
Op een koude winterdag wordt de weg door sneeuw geblokkeerd, de wind huilt. Marloes staart uit het raam en wacht op haar man, maar Jan keert niet terug. Op zijn werk gebeurt een tragisch ongeluk; hij komt niet meer thuis.
De tijd heelt, troosten de buren Marloes. Je bent niet de enige. Laat je tranen stromen, dan gaan de jaren voorbij en vind je misschien weer iemand.
Marloes luistert stil, maar de tranen blijven uit, en dat doet haar nog meer pijn. Een jaar verstrijkt. De economische crisis grijpt zelfs de stevigste gezinnen. In het dorp wordt er maandenlang geen loon uitbetaald. Alleen wie een boerderij heeft, kan het zware werk aan.
Marloes voelt de last van die momenten. Sven gaat naar school; hij moet aangekleed, geschopt en gevoed worden. Dat betekent: de moestuin moet dit jaar volledig worden aangeplant, zodat er in de herfst genoeg te verkopen is op de markt.
Ze werkt tot laat op het veld. Haar handen worden ruw, de glimlach verdwijnt, en haar ziel lijkt verhard.
Pak het emmer, Sennie! roept ze naar haar zoon als hij probeert te vluchten naar zijn vriendjes. Je bent niet weggelopen! Heb je je huiswerk al gemaakt?
Sennie tilt het emmer stilletjes op, maar in zijn hoofd herinnert hij zich hoe het vroeger met zijn vader goed ging en hoe vrolijk en lief hun moeder was.
s Nachts huilt Marloes vaak, verwijt zichzelf dat ze zo hard tegen haar zoon is. Maar s ochtends staat ze weer streng en onverbiddelijk.
Op een zaterdag komen haar vriendinnen Fien en Lotte langs. Voorheen had ze geen vriendinnen; Jan vulde al haar sociale behoeften. Nu komen de vrolijke, gescheiden vriendinnen vaak binnen, lachen en doen alsof ze op een kopje thee komen. Maar het draait niet alleen om de thee.
De ochtend begint zoals gewoonlijk. Marloes staat op zonder in de spiegel te kijken; ze weet dat haar gezicht er wat onverzorgd uitziet. Ze voedt het varkentje, strooit graan naar de kippen, zet de vuile borden in de gootsteen en beveelt Sennie zich te wassen en naar school te gaan.
Aan het einde van de dag verwacht ze niemand, maar ze weet dat een van de vaste gasten misschien wel langsrijdt. Ze neemt zulke beloften maar licht op: als hij komt, fijn; als hij niet komt, dan is hij niet meer uitgenodigd. Mannen begrijpen meestal meteen wat ze bedoelen, zien de jongen, wisselen een paar woorden uit en vertrekken, alsof ze een vrouw met een kar zien.
Kijk, Marloes, zo word je alle mannen kwijt, lacht Fien. Het is moeilijk je tevreden te stellen. Misschien is je bed wel de schuld? Een nieuwe bank kopen?
O ja, ik ga meteen een bank halen, zucht Marloes. Met welk geld? En als je het jammer vindt, mag je het houden.
Goed, word niet boos. Zet maar de tafel klaar en verwelkom de gast.
Fien irriteert Marloes soms, maar ze zet stilletjes de ingelegde augurken op tafel. Terwijl ze naar een trouwfoto kijkt, zucht ze zwaar:
Sorry, Jan. Zonder jou is het moeilijk.
Ze zijn allemaal hetzelfde, leest Fien haar gedachten. Kom op, Marloes, drink voor ons! We zijn de besten!
De volgende ochtend ruimt Marloes de overgebleven servies op en gaat naar haar werk.
Nina de Vries, de tante van haar overleden man, valt binnen.
Wat doe je hier, Marloes? Ik herken je niet meer sinds Jan, zegt ze. En die vriendinnen ze komen alleen maar in de weg.
Wat, Nina de Vries, wil je me nu preken? Denk je dat ik een mislukking ben? Ik heb een huis, een boerderij, een zoon die naar school gaat, ik controleer zijn huiswerk Marloes valt even stil, denkend aan het feit dat ze al meer dan een week niet in Sennies schoolboeken en dagboek heeft gekeken, en hoe ze onlangs de klassenlerares had ontmoet die haar naar school had uitgenodigd om te praten.
Marloes weet niet wat ze moet zeggen, dus begint ze simpelweg de vuile borden in de gootsteen te zetten.
Je was vroeger zo anders, vervolgt Nina. Mooi, hardwerkend, lief Laat die gekke uitjes maar achter.
Ik ga niet uit, protesteert Marloes. Ik ontmoet soms vrienden om even te ontspannen. Heb ik niet recht op een beetje rust na het werk?
Natuurlijk wel, knikt Nina, zuchtend.
Dus spaar me die preek. En blijf uit mijn zaken, lieve tante. De deur staat open, zegt Marloes en draait zich naar de keukentafel.
Nina trekt haar sjaal strakker en verlaat de kamer.
Marloes zucht en trekt een frons van pijn. Het voelt ongemakkelijk, zwaar, en er trekt iets aan haar. Ze rent naar de voortuin en pakt haar tante die al op de stoep staat.
Nina, wacht even, ik geef je wat wortels, we hebben dit jaar volop.
Niet nodig, meisje, zwaait Nina weg terwijl ze van de stoep afloopt.
Wacht, ik bedoel het echt, dringt Marloes aan.
Nina, met jaren ervaring, voelt meteen dat het een stil excuus is. Marloes zegt niets luid, maar haar stem en ogen vragen om vergeving. Nina blijft even staan.
Hier, een zakje, zegt Marloes terwijl ze de wortels in een bakje doet. Wil je het meenemen of hier laten?
Ik neem het mee, Marloes, antwoordt Nina en loopt naar huis, haar hart zwaar van de zorgen om Marloes.
Later op vrijdag verzamelt Marloes uien en wortels om naar de markt te gaan.
Al een centje, hoe dan ook, want je geld zie je niet meer, denkt ze terwijl ze de tassen inpakt.
Waar ga je heen met die zware zakken? vraagt nieuwsgierige buurvrouw Zoya, die in de deuropening gluurt.
Naar de markt, ik breng groenten, antwoordt Marloes.
Ze worstelt zich naar de bushalte. Daar staan al opa Karel en oma Greet, die ook naar de stad willen. Maar de bus blijft uit.
Wat een ellende, zucht de oma. Waarschijnlijk is de bus weer kapot.
De oude man scheldt de bus en de vervoersmaatschappij kwaad. Uiteindelijk besluiten ze te voet naar huis te gaan en later een andere rit te zoeken.
Marloes blijft wachten. Ze wil de zware tassen niet terug naar huis dragen, dus ze zoekt een lift.
Eerst komt een oude Lada, dan een kleine Renault, maar beide zitten vol. Uiteindelijk stopt een oude DAF. Marloes knijpt haar ogen dicht, probeert te zien of er plek is, maar de chauffeur stopt al voordat ze zijn hand kan uitsteken.
Hij is een wat oudere man, onbekend voor haar, duidelijk afkomstig uit de stad, want ze heeft hem nog nooit gezien. Hij kijkt naar de tassen.
De bus is er vandaag niet, hij is kapot. Ik ga naar de stad, ik kan je meenemen, zegt hij.
Dan graag, zucht Marloes.
Hij lacht, stapt uit, en tilt de zware zakken moeiteloos, alsof ze geen gewicht hebben.
Rijd je me wel tot de markt? vraagt Marloes.
Dat kan wel, zegt hij.
Ik betaal, stelt ze voor.
Tijdens de rit haalt Marloes een spiegeltje tevoorschijn en doet haar lippenstift bij. Ze kan de chauffeur goed zien vanaf de achterbank.
Ik ben Marloes, breekt ze de stilte.
Ik ben Jeroen de Vries, antwoordt hij. Een directeur van een staalfabriek, of zo, haha, eigenlijk ben ik ploegbaas op een bouwplaats.
Jeroen brengt haar naar de markt en helpt zelfs de tassen uit te tillen. Hij neemt alleen de helft van het geld, de rest zal s avonds worden terugbetaald.
Je bent gul, lacht Marloes. Wat een geluk voor mij.
Later brengt Jeroen haar huis binnen.
Kom binnen, neem gerust een kopje thee, Jeroen, zegt ze.
Dan mag je me gewoon Jeroen noemen, grapt hij.
Marloes zet de tafel klaar. Sven komt binnen.
Sta niet te staren! Ga naar je kamer. Heb je je huiswerk al af?
Bijna, mompelt hij.
Dan maak het af! beveelt ze streng.
Jeroen, op een kruk naast de open haard, zet één been over het andere en glimlacht tegen Sven.
Aangenaam, ik ben Jeroen, en jij?
Sennie, zegt de jongen.
Echt? Jouw echte naam is Sven?
Ja, dat is het, knikt Sven.
Hoe gaat het met je schoolwerk? Moeilijk?
Met wiskunde lukt het niet, bekent hij.
Laten we even kijken, zegt Jeroen en gebaart hem zijn schrift te laten zien.
Na een half uur, tevreden dat hij geholpen is, gaat Sven naar bed.
Ruim de tafel af, vraagt Jeroen kalm. Ik drink alleen maar een kopje thee.
Als jij achter het stuur zit, mag het maar één kopje zijn, stemt Marloes in.
Zelfs zonder stuur blijft het thee, lacht Jeroen, en voegt nog toe: En een compote, een pap, een vruchtensap, alles.
Marloes kijkt wantrouwend, giet heet water in een kop, voegt een theezak toe en zet er een bordje aardappelen bij.
Ik moet gaan, zegt Jeroen, staat op. Hij aarzelt even, dan zegt hij: Je bent me echt aardig geworden, Marloes van de Dijk. Mag ik vrijdag nog eens langskomen?
Marloes glimlacht licht, precies zoals ze had verwacht.
Kom gerust.
Ik ben vrijgezel, legt hij uit, hoewel Marloes niet vroeg.
Hij zal binnen een week wel verdwijnen, denkt ze, zonder hoop op meer.
Toch, nadat haar vriendinnen Lotte en Fien langs zijn gekomen, stuurt ze ze eerder weg. In haar hoofd draait zich een vraag: «Komt hij echt?»
Nee, Marloes, dat is oneerlijk, protesteert Fien. Laten we naar de club gaan!
Moet ik nu naar de club rennen?
Waar heb je het over? We gaan naar de film!
Nee, meiden, ga zelf. Ik moet hier opruimen.
Marloes heeft geen tijd meer om op te ruimen. Jeroen komt eerder dan verwacht binnen, loopt het erf binnen en Marloes leidt hem naar de keuken. Er liggen nog sporen van het avondeten, maar hij doet alsof hij niets heeft gezien.
Ik warm het nu op, anders is de stamppot koud, legt Marloes uit.
Jeroen praat een beetje met Sven, helpt met de wiskunde en legt uit wat pks zijn in een auto. Als de jongen naar bed gaat, voelt Marloes zich wat lichter en wil ze een grapje maken.
Jeroen staat op, legt zijn handen op haar schouders en vraagt haar op te staan. Dan omhelst hij haar stevig om haar middel. Marloes schrikt, kan nauwelijks ademhalen.
Ik blijf tot de ochtend, zegt hij simpel.
Wie houdt je tegen? vraagt Marloes, eindelijk kalm. Ze weet al dat hij blijft, dus woorden lijken overbodig.
s Ochtends, terwijl ze eieren bakt, pakt Jeroen emmers en gaat water pompen.
Wil je de sauna in? vraagt hij.
Doe maar, antwoordt Marloes, hoewel ze normaal nooit om hulp vraagt, omdat ze niet gelooft dat zoiets kan blijven duren.
Na het ontbijt, terwijl hij nog van zijn thee nipt, fluistert Jeroen plots:
Marloes, als je bij mij wilt blijven, moet die drank die gisteren op tafel stond, verdwijnen.
Marloes bevriest met de theelepel in haar hand.
Is dat een voorwaarde? vraagt ze verbaasd, niet boos.
Ja, beschouw het zo. Ik verdraag die geur niet. En verder ben ik normaal, dat zie je wel.
Hij glimlacht en voegt toe:
Kom je vanavond weer naar de sauna?
Marloes wil haar ongenoegen uiten, Jeroen de deur uitzetten, maar iets houdt haar tegen. Onverwacht stemt ze in.
Kom maar, zegt ze kort.
Die avond komt Fien langs.
Heb je alles weggegooid, Marloes? Is dat waar?
Ja, Fien. Er is niets meer.
Ben je gek geworden? Hoe kun je zon goedbedoeling verknallen!
Wat goedbedoeling? Het is één ramp. Ga maar, ik heb nu geen tijd voor je, snauwt Marloes.
Marloes wast de vloer, wisselt het beddengoed, dat nu fris ruikt omdat ze het buiten heeft gedroogd. De pan staat klaar met erwtensoep, maar ze krijgt zin in iets anders, iets lekkers. Ze besluit pannenkoeken te bakken. Sven pakt ze stilletjes van de tafel, slurpt een slok vruchtensap.
De tijd vliegt. Marloes slaapt zelfs een keer in de sauna, en buiten wordt het al donker. Jeroen verschijnt echter niet.
Drie jaar wacht ik op een belofte, zucht Marloes bitter. Ik ben dom geweest. Ik weet dat alle mannen hetzelfde zijn, behalve Jan. Misschien had ik beter alles kunnen laten gaan.
Ze glimlacht, denkt aan de warme keuken vol geuren, en voelt een rust terugkeren.
Niet voor niets, zegt ze beslist. Genoeg is genoeg.
Ze richt zich tot haar zoon:
Wacht niet, Sven, oom Jeroen komt niet. Laten we je schoolboeken nakijken. Je laat je studie niet vallen.
Plots hoort ze het gerommel van een motor buiten. Jeroen staat in de deuropening met een kleine reiskoffer. Hij haalt er worst, ingeblikte groenten, koekjes en boter uit.
Een vriend van me van de fabriek heeft dit meegebracht, een beetje hulp, legt hij uit. Voor jou en Sven.
Marloes zit aan de tafel, leunt met haar kin op haar hand, en kijkt naar de gast.
Het is echt een tekort, zegt ze. Zoiets krijgen we niet meer.
Ik weet het, daarom heb ik het meegebracht. Pak maar, antwoordt Jeroen.
Marloes vraagt al nonchalant, alsof hij net van het werk komt:
Eet je eerst, of ga je naar de sauna?
Eerst de sauna, zegt hij.
Buiten is het donker. Terwijl ze de tafel dekt, voelt Marloes een lang verloren gevoel van geborgenheid en warmte terugkeren, wat ze vroeger met Jan had gehad. Ze kijkt naar de jas van Jeroen die aan de kapstok hangt.
Als hij vandaag is gekomen, blijft hij wel, denkt ze met een ongekende zekerheid.
De herfstdag is grauw, maar kalm en stil.
Nina de Vries zit bij haar poort, kijkt naar de weg. Een glimlach verschijnt op haar gezicht als ze de auto ziet die al twee maanden achter Marloes schuur staat.
Nou, dat is fijn. Laat ze maar leven. Misschien krijgen ze nog kinderen, zucht ze zacht. Marloes is nu weer zoals vroeger: glimlachend, zacht. Laat haar van het leven genieten, want het stroomt altijd voort. Het belangrijkste is te blijven leven.







