Het regende keihard, alsof de hemel het hele Utrecht wilde afspoelen. Het asfalt glinsterde onder de lantaarnpalen en kleine beekjes stroomden door de goot, met bladeren, sigaretteneinden en het stof van dagen geleden meegetrokken. In mijn auto droeg de verwarming zachtjes warmte, alsof ik een knusse deken om me heen had. De rustige muziek uit de radio leek me in een eigen bubbel te houden, ver weg van de storm.
Het was gewoon een doordeweekse woensdagmiddag, en ik reed net van mijn werk bij de Rabobank, waar een vergadering verrassend goed was verlopen. Op de passagiersstoel lag een map vol papieren en in mijn hoofd tikte een eindeloze takenlijst. Maar alles kwam plotseling tot stilstand toen ik, op de hoek van de Vismarkt, een klein figuurtje onder de regen zag.
Ze was niet ouder dan acht. Haar donkere haar plakte tegen haar gezicht van het water, en de dunne jas die ze droeg leek van papier. In haar handen klemde ze een bos verwelkte bloemen, omhuld door een gerimpeld, doorzichtige plastic. Haar papieren schoentjes waren helemaal doorweekt.
Ik liet de auto iets langzamer rijden en stopte zonder er te veel over na te denken. Een moment staarde ik naar haar. Ik had gemakkelijk kunnen wegrijden, zoals zoveel anderen, maar iets in de manier waarop ze de bloemen tegen zich aandrukt, als haar enige schat, hield me tegen.
Ik zette de motor af en opende de deur. De koude wind sloeg me meteen weg, vergezeld van het tikken van de regen. Ik stapte naar haar toe.
Hé, meisje! grieste ze boven het geruis van de bui . Wil je bloemen voor je moeder? Ze zijn heel mooi ik kan ze goedkoop laten.
Haar stem klonk zwak, maar ze probeerde vrolijk te klinken.
Ik trok mijn jas uit en legde die over haar schouders. Hij was enorm voor haar kleine lijf, maar hij hield haar toch warm.
Neem maar zei ik, terwijl ik ook mijn rode paraplu aan haar gaf. Zo word je niet ziek.
Ze keek me aan alsof ik haar een diamant had gegeven.
Nee, meneer mijn moeder zegt dat ik niets van vreemden moet aannemen.
Je moeder heeft wel een punt antwoordde ik, maar dit is geen cadeau, het is een leen. Tot je weer kunt werken.
Even aarzelde ze, maar nam de paraplu uiteindelijk aan.
Hoeveel bloemen heb je? vroeg ik.
Twintig boeketten, meneer. Een euro per stuk ik kan ze voor achttien euro geven, want ze zijn een beetje nat.
Ik haalde mijn portemonnee tevoorschijn en gaf haar twintig euro.
Ik neem ze allemaal.
Ze opende haar mond alsof ze iets wilde zeggen, maar er kwam geen woord uit.
Allemaal? Wat ga je met al die bloemen doen?
Ik ga ze uitdelen zei ik. Aan de mensen die hier langs lopen. Dan wordt ieders dag een beetje mooier.
Er verscheen een verlegen glimlachje op haar gezicht.
Mijn moeder zal het niet geloven.
Waar is je moeder?
Thuis ze zorgt voor mijn broertje. Hij is ziek. Daarom ben ik vandaag naar buiten gegaan, zodat zij niet nat wordt.
Er knoopte een knoop in mijn maag.
Houd de jas en de paraplu maar, en vlucht nu naar huis. Je moeder maakt zich vast zorgen.
Ze klemde het geld tegen haar borst, zette een paar stapjes, en voordat ze de hoek omging, riep ze:
Bedankt, meneer! God zegene u!
Ik zag haar weglopen, nu beschermd door mijn rode paraplu. Ik stapte weer in de natte auto, met een vreemd gevoel: een mengeling van verdriet, tederheid en een zacht sprankje hoop.
Ik zette de verwarming weer aan. De geur van de bloemen vulde het interieur, en terwijl ik ze begon uit te delen aan voorbijgangers, voelde ik dat er iets in mij was veranderd, al wist ik nog niet precies wat.







