Weet je nog, die keer dat we onverwachte gasten kregen? Het is al jaren geleden nu, maar het voelt soms nog als gisteren.
Anneke, we komen bij jullie logeren! Maar voor maar twee daagjes hoor, we hebben de treinkaartjes zelfs al gekocht! zo begon opeens de vrouw aan de andere kant van de lijn het gesprek. Anneke moest zich echt even achter haar oren krabben wie het kon zijn. Zon verre nicht, blijkbaar heel, héél ver, want Anneke wist bij het beste wil van de wereld niet wie ze moest voorstellen.
Met de telefoon nog aarzelend in haar hand probeerde Anneke zich te herinneren wie er überhaupt zo zou bellen, wat haar bedoeling was, en vooral: hoe wist deze vreemde vrouw haar naam?
Wie bent u? Gasten?
Anneke toch, giechelde de vrouw aan de andere kant, ben je me nu al vergeten? Ik ben het hoor, je tante Liesbeth!
Hoe ze ook nadacht, Anneke kon zich geen tante Liesbeth herinneren. Voor de vorm vroeg ze alsnog:
En wat was precies de bedoeling?
Nou, gewoon, gezellig bij jou aan de kust logeren! Het is maar voor twee nachten. Mijn zoon Bram heeft het écht nodig… zei de dokter.
Uit het gesprek begreep Anneke dat Bram zogenaamd tante Liesbeths zoontje frisse zeelucht moest halen voor zn gezondheid. Althans, dat was het verhaal van tante Liesbeth. Ze beloofde dat ze keurig zouden opruimen en nergens last van zouden maken. Na lang twijfelen stemde Anneke schoorvoetend toe, met het gevoel dat ze hier later spijt van zou krijgen.
Dankjewel, Anneke! riep de vrouw opgewekt. We zijn er vrijdag al!
Nog voor Anneke haar bedenkingen kon uitspreken, werd de verbinding verbroken. Ze keek op naar haar twaalfjarige zoon Jasper.
Mam? Krijgen we wéér logees?
Ja, een of andere tante Liesbeth, zuchtte Anneke.
Bel oma maar even. Misschien herkent zij dr. Jasper hield niet van dit soort gasten, want meestal zei men van alles, maar liep het anders.
De laatste tijd sloeg Anneke zulke verzoeken steevast af, maar met het idee een kind te helpen, stemde ze met enige tegenzin in. Bovendien: twee dagen, dat moest te overzien zijn.
Na haar scheiding had Anneke drie jaar geleden een huisje in Zandvoort gekocht, vlakbij zee. Nog geen maand later meldden zich opeens allerlei familieleden waarvan ze het bestaan niet eens kende.
In het begin vond ze het wel gezellig, nieuwe gezichten en verhalen, maar al snel bleek dat het merendeel alleen maar kwam om in de watten gelegd te worden. Zelfs afwassen was voor velen nog te veel gevraagd. Sommigen begonnen zich zelfs te bemoeienHet is toch jouw huis, dan ruim je toch op, zorg je voor boodschappen?
Daar had Anneke snel korte metten mee gemaakt. Dit is geen hotel. Degenen die daarop afdonderden, kwamen het huis niet eens in. Gelukkig waren er ook een paar familieleden die het fatsoenlijk hielden, hielpen, gewoon vriendelijk waren. Alleen, zo weinig.
Op Jaspers aanraden belde Anneke toch haar moeder op, die nog in Haarlem woonde, maar een paar keer per jaar langskwam.
Hoi, Anneke, lief dat je belt.
Alles goed mam? Ik heb een vraagje, er belt een tante Liesbeth, met haar zoon Bramken jij haar?
Er viel even een stilte. Die naam zegt mij ook niets, piekerde haar moeder. Misschien iets van jouw vaders kant? Ik vraag het hem wel, maar ik betwijfel of hij het weet.
Daar moest Anneke het mee doen. Wachten dan maar.
Twee dagen later stonden Liesbeth en Bram op de stoep. Tante Liesbeth bleek een forse vrouw met scherpe ogen, en Bram was duidelijk geen klein jongetje meer, maar een norse tiener van vijftien jaar. Achteraf hoorde Anneke via via dat er van doktersadvies geen sprake was: Liesbeth had gewoon gratis vakantie gewild. Die streken kende ze onderhand al.
Waarom heb je ons eigenlijk niet gehaald van het station? waren de eerste woorden van tante Liesbeth. Overigens, haar vader wist ook van niets.
Dat hoeft mama helemaal niet te doen, bromde Jasper droog, naast Anneke.
Liesbeth deed of ze het niet hoorde en wierp Jasper een boze blik toe.
Anneke, waar brengen we onze spullen? Waar zijn onze kamers?
Jullie krijgen één kamer, ik heb geen ruimte voor ieder apart, zei Anneke vastberaden.
Hm, gek, we hadden gehoord dat je een prachtig, groot huis aan zee hebt!
Geen idee wie je zoiets wijsmaakt. Als het niet bevalt, kun je altijd naar een hotel, zei Anneke zonder omwegen. Ik wil niet dat ons samenzijn met ruzie begint.
Liesbeth zette direct een beschaafd glimlachje op en sloeg haar armen om Anneke.
Ach kom zeg, Anneke, meen je dat nou? Je gooit ons toch niet je huis uit, we zijn familie! Maar het was een lange reis, laten we gezellig naar binnen gaan.
En zo sjokte Liesbeth als eerste naar binnen, met Bram traag slepend achter haar aan. Jasper keek zijn moeder doordringend aan.
Ze moeten overmorgen toch echt weer vertrekken, mam. Let maar op mijn woorden.
Nog maar twee nachtjes, suste Anneke zowel Jasper als zichzelf.
Die avond verliep gelukkig redelijk rustig. Bram en Liesbeth gingen vroeg naar bed, al moest het ze even van het hart dat zij thuis ieder hun eigen kamer gewend waren. Anneke had inderdaad nog twee ongebruikte kamers, maar daar was ze net aan het klussen; bovendien vond zij ze te lastig om logees te geven. Slapen op de bank in de woonkamer was nog een mogelijkheid, maar daar hadden haar gasten geen zin in. Anneke haalde haar schouders op en ging slapen.
s Ochtends werd Anneke echter al om zes uur (!) gewekt door een hoop kabaal. Ze was altijd een slechte slaper geweest en hield er niet van s ochtends vroeg gestoord te worden. Jasper wist dat en was altijd stil, speelde rustig, of liet een briefje achter als hij vroeg naar vrienden ging.
Wat is die herrie? mopperde Anneke, slaperig de woonkamer in.
Niets bijzonders hoor, tante Liesbeth stond midden in de kamer haar koffer om te keren en gooide zwempakken en zomerjurken alle kanten op. Kan mijn badpak niet vinden, gek hè?
Had dat niet in je eigen kamer gekund? En wat zachter?
Daar is geen plek ik dacht dat ik stil was?
Buiten klonk nu ook lawaai Bram was met een stok op een zinken emmer aan het slaan. Hij wachtte op zijn moeder die zich niet leek te haasten.
Kun je hem even tot stilte manen? Straks krijgen we nog het hele dorp over de vloer, zuchtte Anneke tegen Liesbeth.
Met een verveeld gezicht riep Liesbeth haar zoon tot de orde. Bram sjokte naar een bankje onder de kastanjeboom.
Anneke wist meteen: slapen was verleden tijd. Ze liep naar de keuken.
Waar ga je heen?
Koffie zetten, morde Anneke.
Lekker! Voor mij een grote mok, met melk en drie suiker graag.
Anneke draaide zich abrupt om, geïrriteerd door zoveel vanzelfsprekendheid.
Luister, mevrouw van Dijk Ik heb u direct in huis genomen, u was nog geen uur binnen of het is al gemopper en nu begint u ook nog commandos te geven.
Ach, het is hartstikke laat joh! Ik heet trouwens Liesbeth Cornelia van Dijk. Waar blijft mijn koffie?
Hier geldt zelfbediening!
De dag was nauwelijks begonnen en Anneke voelde haar humeur al kelderen. Ze probeerde bij haar koffie bij te komen. Jasper kwam binnen en legde begripvol een hand op haar schouder.
Je ziet het, mam. Ze zijn zo brutaal, dat staat gewoon op hun gezicht geschreven. Eigenlijk moet je ze wegsturen.
Nog één dag, alleen vandaag nog, zuchtte Anneke.
Ze hebben zelfs mij wakker gemaakt! Dat zegt wat.
Voetstappen klonken en tante Liesbeth stak haar hoofd om de deur.
Waar blijft die koffie?
Moeder hoeft dat helemaal niet te maken! Maak het zelf maar! viel Jasper fel bij.
Anneke, leer jij jouw zoon niet luisteren als er volwassenen praten?
Laat mijn kind erbuiten! Anneke voelde zich al koken.
Ik ben geen kind, siste Jasper.
Liesbeth snuffelde kwaad in de keuken, zette uiteindelijk eigenhandig haar koffie. Even later draaide ze zich om en glimlachte alsof er nooit iets was gebeurd.
Anneke, jij loopt hier vast als een vis in het water. Ga je straks mee naar het strand en wijs je de weg?
Je hoeft alleen het paadje af, dan zie je vanzelf het strand.
Liesbeth had haar aangesproken met je, dus Anneke liet de beleefdheid ook maar varen.
Gaan jullie nu alleen?
Jasper keek zijn moeder smekend aan, hij had geen zin om als gids te dienen.
Wij komen na de lunch wel, ga nu maar alleen.
Wat eten we dan straks samen?
Gewoonlijk kookte Anneke voor haarzelf en Jasper en soms ook voor gastvrije familieleden dan deelden ze de kosten. Ze had niet de portemonnee om iedereen zomaar te onderhouden. Dus antwoordde ze zoals vaak:
Wij lunchen samen, jullie kunnen terecht bij het café om de hoek.
Kan je niet iets voor ons maken? Ik verdraag restaurants slecht, Liesbeth keek smekend.
Kan best, maar dan betaal je gewoon mee. Ook ik heb niet oneindig euros, zei Anneke eerlijk.
Liesbeth snoof en hief haar neus.
Dan ga ik liever naar het eetcafé, dat zal vast lekkerder zijn!
Jasper lachte zacht, maar zei niets terug.
De twee dagen gingen verder voorbij met gekibbel en kleine ergernissen. Maar op de tweede dag maakte Liesbeth een onverwachte draai: ze had geen enkele bedoeling om te vertrekken.
Toen Anneke haar daar vriendelijk aan herinnerde, grijnsde Liesbeth schaamteloos.
Anneke toch, joh! Ga je ons echt het huis uit zetten? We blijven zeker nog een week. Het is vakantie. Jouw huis is toch groot genoeg?
Anneke vond het helemaal niet jammer. Die twee dagen had ze al vroeg op moeten staan en constant op haar tenen moeten lopen. Vooral Liesbeth was haar een doorn in het oog, Bram bleef een ongemakkelijke puber die rommelde en lawaai maakte, ondanks dat de buren zelfs begonnen te mopperen.
Jazeker is het jammer, want dit is mijn huis. We hadden afgesproken: twee dagen. Ik verwacht morgen andere gasten, dus graag om negen uur vertrekken.
Anneke sprak kalm, maar vastberaden. Liesbeth was duidelijk niet gewend dat ze tegengewerkt werd. Haar ogen werden groot en ze hief haar stem bijna tot een kreet.
Hoe kan je zo ongevoelig zijn? Je zet familie toch niet op straat! Waar moeten we naartoe? Naar het station? Wat moet ik doen?
Bram stond vernederd naast haar. Het leek hem ook niet lekker te zitten.
Welke familie? Niemand herkent jullie! Jullie hebben tot morgenochtend. Als je iets sloopt of steelt, bel ik de politie.
Anneke verliet de kamer met een gevoel van overwinning. De volgende ochtend vertrokken Liesbeth en Bram, met veel gemopper, maar ze dropen af. Sindsdien liet Anneke nooit meer zomaar zogenaamde familie in huis, zelfs niet voor een paar dagen. En daar heb ik nog altijd geen spijt van ook.







