Mijn Geheim
Op de koude, stevige sneeuw liggen voelde verrassend prettig. Gisteren was alles nog zacht geworden door de dooi, en pas vannacht had het weer aangevroren. In mijn binnenste kolkte het bloed, kloppend in mijn slapen, mijn borst deed pijn, mijn gezicht gloeide, en mijn keel was kurkdroog.
Met moeite schepte ik wat sneeuw in mijn hand en bracht een klomp koude vochtigheid in mijn mond. Het verlichtte, maar de smaak van ijzer bedierf alles: bloed proefde ik, uit mijn gescheurde tandvlees. Ik had geen kracht om te draaien of het uit te spugen.
De kou verdreef de pijn niet helemaal, maar schoof die naar de achtergrond, waar een rode zon als een gloeiende bol achter de horizon zakte. Zelfs naar de zonsondergang kijken deed pijn, het licht brandde in mijn ogen.
Met toegeknepen ogen zag ik ervan alleen nog een grote grijs-gele vlek.
Kon ik maar ergens dekking zoeken: in een greppel of achter een dijk, opgekruld als een gewonde hond, snikkend, rillend, proberend mezelf warm te houden. Maar kracht had ik niet. Mijn benen voelden als houten planken in de sneeuw, af en toe schoten de krampen erin.
Met moeite draaide ik opzij, steunde mijn rechterarm onder mezelf, maar die gaf het op: een scherpe steek in mijn schouder.
“Nou goed dan anders,” fluisterde ik, tandenknarsend. Het geluid van mijn eigen schorre stem joeg me schrik aan.
Aan mijn linkerzijde voelde alles nog heel; langzaam lukte het om een beetje overeind te komen, tot mijn hand wegzonk in een sneeuwhoop en opnieuw lag ik koud tegen het witte oppervlak.
Sterven. Hier en nu, dat zou een einde maken aan alles. Wat daarna gebeurde, maakte niet meer uit. Ik had mijn hand overspeeld, mezelf schuldig gemaakt. Geen redding meer.
Morgenvroeg zouden ze mijn lichaam zoeken dat hadden ze beloofd. Maar misschien zijn de raven of vossen sneller. Die moeten tenslotte ook eten Dan kan ik nog lachen om mijn vijanden, want zij krijgen enkel botten.
Het werd rap donker. De slaap daalde over me, vredig maar gitzwart, als een vis gevangen in een fuik. Soms kwam ik terug in het licht, in de pijn, fel rood oplichtend voor mijn ogen, stromend door mijn aderen, trekkend aan mijn spieren. Een woede borrelde op: zinloos, krachteloos, maar woest als een blaf van een hond die zich niet kan verdedigen. En verlangen naar wraak. Maar vrouwen kon ik geen kwaad doen, dat kreeg ik fysiek niet voor elkaar. Dus bleef het bij verlangen.
Woede dreef mijn hersenen door, krakend en schurend. Tegelijk kwam de angst omhoog uit mijn maag: oergevoel angst om te sterven die me wakker hield, niet toestond weg te zakken.
Links in het struweel jankte een vos. Ik trok mijn neus op. “Nee hoor, makkers! Jullie krijgen mij niet cadeau! Jullie zijn allemaal vossen twee of vier poten maar aan mijn botten komen jullie niet!”
Ik moest bewegen. Waarheen? Maakt niet uit. Hoe? Ook niet. Al was het kruipend, zover mogelijk van deze plaats van mijn volledige verlorenheid.
Moeder Die deed pijn. Zij wachtte thuis, maakte zich zorgen. Hoe zou het met haar zijn? Ik had haar niet verteld waar ik was. Ze zou mijn lot niet weten Al zouden ze het haar wel vertellen. Ze zou huilen en ik was schuldig aan haar tranen. Mijn vader zou mij vervloeken. Terecht.
De misselijkheid kwam op; tranen vroren op mijn wangen, vielen niet neer op mijn gescheurde jas.
Met mijn enige goede arm trok ik mezelf door de sneeuw, liet rode sporen achter, maar kwam langzaam vooruit, weg van het akelige huilen
Toen viel ik in het niets. Het was zacht, comfortabel, prettig. Niets voelde ik; mijn hoofd was leeg. Volledige reset. Als dit de hel was, best goed eigenlijk. Laat me hier maar zijn. Demonen, neem mij; mijn lichaam is toch gebroken!
Toch paste ik niet in de hel. Plots sloeg een fel geel licht in mijn gezicht, ijskoud water drupte in mijn mond.
“Nou, ho, ho! Je moet hoesten, jongen! Kiel schoonmaken, alles eruit! riep iemand, terwijl hij me hard op mijn wangen sloeg.
Uuuu” kreunde ik, draaide me om, spuugde de met bloed doordrenkte vloeistof in de sneeuw.
“Levend, mooi zo. We gaan naar huis. Mijn huis is vlakbij. Ga op de schapenvacht liggen, ik sleep je wel. Kom op! Kan je niet? Dan til ik je zo.” Sterke handen tilden me op een warme, muffig ruikende schapenvacht. “Ze hebben je flink te pakken gehad! Ik hoorde lawaai, keek uit het raam, zag koplampen op het veld. Dit veld is voor hen als een kerkhof. Dwaze mensen Nou ja, straks lappen we je op en zien we wel verder.”
Ik mompelde wat over de vossen, over vijanden die terug zouden komen, maar al snel werd alles aangenaam warm en verloor ik mijn bewustzijn.
“Wat ben jij toch lief, zo teder!” lachte Annemarijn, terwijl ik haar volle, zachte schouders kuste. “Kalfje ben je, hè?” Ze kneep in mijn wangen, drukte haar lippen op de mijne, genoot van mijn warme adem. Opeens duwde ze me van haar af, schoot overeind, trok haar ochtendjas aan en knoopte snel het koordje vast. “Ga weg. Je moet nu gaan.”
“Anne,” rekte ik heerlijk uit op het krakend frisse laken. “Ik wil slapen Het is nog vroeg, kijk zelf!” Weer stuurde ze me weg.
Ik bleef steeds vaker ‘s nachts bij Annemarijn slapen. Ze maakte eten voor me klaar, stuurde me naar de badkamer, en maakte daarna het bed op met altijd schoon en fris linnengoed. Eerst ging het licht uit, en dan lag ze te wachten tot ik erbij kwam. De nacht vloog voorbij. Nadat ik uit militaire dienst was gekomen, snakte ik naar het lichaam van een vrouw, en zij Zij was mooi, lief, beter dan welk meisje dan ook.
Ik keek hoe ze kousen over haar witte benen trok, zich achter een kamerschermetje in lingerie hees en jurken paste.
In de spiegel kon ik alles goed zien. Anne leek daar zonnestralen uit te zenden; ze was onaards, stralend, begeerlijk.
“Ik zei: ga nou,” fluisterde ze. “Rits mijn jurk dicht en vertrek maar. Harm, geloof me, anders krijg jíj problemen. Kom morgen weer. Morgen
Nog een minuut kusten we elkaar. Daarna gooide Annemarijn mijn kleren toe en liep weg.
Ik hoorde de gaskookplaat aanslaan, koffie werd gemalen. De sterke, prikkelende geur vulde het huis. Haar man, Geert-Jan, hield van pittige koffie met een snufje zwarte peper; goddelijk, zei hij altijd. Anne zat tegenover hem op het keukentrapje, lachte, knikte, trok haar benen op, pril en vlug, alles keurig. Ze moest opletten om Geert-Jan niet ineens “Harm” te noemen.
Nog even bleef ik, sloop toen naar de badkamer, spetterde met water, lachte, trok rustig mijn kleding aan, liep naar de keuken. Annemarijn stond met haar rug naar me toe. Ze werd in fel zonlicht omgeven, haar ochtendjas doorschijnend, de lijnen van haar lichaam onmiskenbaar verleidelijk.
Anne was vijftien jaar ouder dan ik, maar dat deerde mij niets. Ik voelde me juist trots: zon vrouw viel op mij, verkoos mij boven al die andere jongens.
Alles aan haar was harmonieus, soepel als een klassiek gitaarstuk dat precies in haar heupen paste. Een godin, míjn godin.
Die allereerste nacht samen vergat ik nooit meer. Anne was toen oprecht, teder, niet schijnheilig of spottend. Ze smolt in mijn armen, en ik raakte overweldigd door het gevoel dat ik haar had overwonnen, dat ze echt van mij was.
Maar soms moest ik voor dag en dauw vertrekken.
Opstaan, liefje! Het is tijd om te gaan, fluisterde ze na onze derde nacht samen. Geert-Jan komt terug van zakenreis. Kom voorlopig niet, hij is een week thuis, daarna vertrekt hij weer.
“Misschien moet ik eens met hem praten,” zei ik speels, “maar ik wil jou voor mezelf! Ik wil jouw man zijn!”
Ze lachte hardop, haar donkere, kastanjebruine haar krulde over haar schouders als vloeibare honing. Ik sprong uit bed en omhelsde haar.
“Van mij, hoor je! Alleen mijn vrouw!” fluisterde ik. Denk jij echt dat ik niet met Geert-Jan zou durven ruzieën? Maar Anne trok zich los.
“Ik wil het houden zoals het is, Harm. Jij blijft mijn geheim, ik blijf dat van jou. Sommige dingen moet je niet willen weten.”
Beledigd liep ik weg; ze wilde geen officiële relatie! Maar bij de deur trok Anne me nog een keer naar zich toe en kuste me. Geen vaste partner, maar zelfs af en toe, ze was van mij, mijn gedachten vulde ze elk moment.
Na mijn vertrek begon Annemarijn driftig schoon te maken. Haar man belde s nachts, dat hij eerder thuiskwam dan gepland. Hij was een nette, bedachtzame man. Anne werd zenuwachtig, gooide het raam open, zodat Geert-Jan geen vreemde luchten zou ruiken. Toch voelde hij iets aan.
Het stinkt hier, Anne! riep hij terwijl hij zijn tas neerplofte.
Waarnaar dan? vroeg ze verward, trok haar ochtendjas strakker dicht.
Naar iets vies, Anne. Ben je mij ontrouw geweest in mijn afwezigheid? vroeg hij terwijl hij zijn schoenen uitdeed, haar strak aankeek. Anne hield zich groot.
Natuurlijk niet! De kip in de oven was bedorven, stel je voor! Ga je handen wassen, ik maak de tafel alvast klaar. De koffie is klaar, en ik heb gehaktballen. Zal ik ze opwarmen? Kom, schatje, ik heb je gemist
Geert-Jan trok haar aan haar haar naar zich toe, staarde haar lang in de ogen en liet haar toen los, met een glimlach.
Ik heb een cadeautje. Pas het eens. Uit een zakdoek haalde hij zware gouden oorbellen met robijnrode stenen, wat dof uitgeslagen. Ik zei: pas ze! blafte Geert-Jan. Anne draaide onrustig de juwelen rond.
Wat zit er op, Geert? ze keek angstig naar haar man.
Waandenkbeeld! Past prima. Kom, ontbijt! zei hij kortaf.
Ze haalde gehoorzaam haar oude moeder-oorringetjes uit haar oren, deed de nieuwe in en liet zich aankleden als een pop. Geert-Jan vond het heerlijk haar te behangen met dure jurken, schoenen, tassen, juwelen. Soms moest ze zelfs met zware armbanden en kettingen slapen.
Ik blijf een dag of vijf, dan vertrek ik weer, zei hij, terwijl hij zijn bord schoonveegde met brood. Gaat goed op het werk. En waar is die kip, Anne? siste hij plots.
Welke? Haar hand beefde, koffie droop over het tafelkleed. Geert-Jan had een hekel aan vieze tafelkleden, het herinnerde hem aan zijn jeugd met een alcoholistische moeder in een vervallen huis, waar niemand zich bekommerde om eten.
Hij had zijn leven wijzigingen beloofd: het beste huis, het mooiste servies, de lekkerste gerechten. Anne had hij aan zijn zijde bemachtigd, omdat ze het beste was. Haar jeugdverloofde, een knappe jonge wetenschapper, was tijdens een roofoverval om het leven gekomen. Anne was verwoest. Toen was Geert-Jan daar: vol lieve woorden, hulp voor haar familie, geraffineerd en geduldig. Haar vader dreigde te worden opgesloten, maar Geert-Jan regelde het achter de schermen. Zo werd Anne zijn echtgenote.
Nu glimlachte ze opnieuw, de vlek van koffie verbergend met een servet.
Die kip die je bakte. In de vuilnisbak lag hij niet, vroeg Geert-Jan.
Oh, die heb ik buiten in de container gegooid! wimpelde ze af.
Geert-Jan glimlachte. De oude vos had het allang door.
Zodra haar man vertrokken was, nodigde Anne mij uit. Ze belde op mijn werk in de Amstelkoeltechniek, waar ik aan ijsmachines sleutelde. Anne was dol op roomijs, vooral vanille in een hoorntje. Ik bracht het altijd mee, voerde haar en kuste de zoete kruimels van haar mond.
Ik zei dat ik me niet goed voelde en ging vroeg weg van mijn werk. Ik smachtte naar haar liefde.
Drie dagen had ik thuis niet geslapen, niets van me laten horen aan mijn ouders. Verloren, ja, maar ik was jong.
Dat moeder in het ziekenhuis lag, hoorde ik bij de ingang van de fabriek van mijn vader. Hij stond daar, grauw, mager, meer een schim dan een man.
Pap, wat doe je hier? vroeg ik, half snibbig.
Je moeder is vannacht opgenomen. Maagklachten. Ga je haar bezoeken? fluisterde hij, pet ronddraaiend.
Welke kliniek? vroeg ik, boos dat ik door hem uit mijn romantische gedachten werd getrokken.
Pa gaf het adres. Ik beloofde te komen. Hij knikte, snikte zelfs, geloof ik, maar het deed me niks. Moeder lag altijd wel ergens in een ziekenhuis. Dat stelde niks voor!
Annemarijn liet me met tegenzin gaan en gaf wat eten mee. Toch zo zorgzaam, mijn lieve Anne. Een engel.
Moeder lag op een brancard in de gang; ze werd telkens misselijk, de zuster snauwde dat ik haar maar moest meenemen.
“Waarheen dan? Ze heeft hulp nodig!” riep ik woest. Mijn moeder probeerde me te kalmeren, maar ik was zo gestrest. Wat voor ziekenhuis was dit? Waarom moest ík altijd alles oplossen? Ik had mijn eigen leven!
Ze at langzaam de soep die Anne had meegegeven en prees hem. Naast haar voelde ik me alleen maar opgejaagd; ik wilde naar huis, naar Anne.
“Mam, kan je zelf verder eten?” vroeg ik ongeduldig, zette het eten bij haar voeten.
“Moet je weg, jongen? Goed hoor. Je vader komt morgen, maak je geen zorgen,” glimlachte ze, streek over mijn hand.
Ik knikte kort en vertrok, niet wetend dat al het eten weggegooid zou worden moeder kon het niet eens binnenhouden dat ze bleef liggen waar de wind door de gang trok. Het kon me niets schelen; ik dacht alleen aan Anne.
Ik kwam thuis bij Annemarijn, waar ze op de grond zat te huilen.
“Wat is er? bleef ik in de deuropening staan.
Ze trilde, wees naar juwelen op het tapijt.
“Geert-Jan gaf me deze oorbellen tijdens zijn laatste bezoek. Ik wilde ze schoonmaken ze zijn oud maar kijk: ze zijn vies. Vieze vlekken, Harm! Neem ze mee, gooi ze weg, hier horen ze niet. Ik ben bang, Harm!
Ze wikkelde ze in een doek en gaf het me.
Ik stelde voor ze schoon te maken, maar ik had al heel snel door dat ze – zoals zo vaak – een situatie probeerde te verdoezelen. Die sieraden waren duidelijk niet op eerlijke wijze verkregen. Zwarte vlekken, sporen als na een diepe wond
Zal ik naar de politie gaan? Dacht ik. Maar ik wist meteen: Anne zou haar man nooit verraden.
Gedwee gooide ik het pakketje achter de muur van de oude drukkerij, niet wetend dat een kromme man in de bosjes stond te kijken. Dat had ik moeten merken Hij observeerde Anne en mij namelijk al lange tijd.
Geert-Jan en twee handlangers kwamen s nachts. We waren pas net in slaap gevallen, na teveel wijn en liefde.
Ik werd wakker van de klappen. In het donker sloegen ze op me in. Anne gilde, toen werd het stil.
Ik probeerde terug te vechten, maar werd overweldigd. Ik zagen niet meer goed, mijn mond vulde zich met een metaalsmaak.
Plots ging het licht aan. Geert-Jan zat in de leunstoel, Anne stond naast hem, ogen gesloten.
“Sorry voor de overlast,” zei haar man. “Ik moet even iets terughalen. Kus me, Anne, je man is thuis!”
Hij trok haar aan haar arm naar zich toe, zijn mond op haar gezicht.
“Geert, luister nou” wees Anne naar mij.
“Geen interesse,” schudde hij zijn hoofd en knikte naar zijn knechten, waarna ze me opnieuw sloegen. Ik was weerloos, de wijn nog in mijn benen.
“Anne, schat, pak je juwelen. Ik heb ze nodig.”
Geert-Jan kwam naar me toe, zijn kille ogen vlakbij.
“En jij, worm, ga maar kruipen.”
Anne ritselde stiekem aan een tas bij het dressoir. “Laat hem met rust, Geert! Jij vond t toch goed? We hebben afgesproken!”
“Misschien,” zei Geert, “maar hij bevalt me niet. Ik kan veel tolereren liefde, vrouw, zelfs overspel. Maar stel je voor: zn moeder sterft in het ziekenhuis, en meneer ligt op ónze lakens. Moeder moet je eren. Ik haatte de mijne, maar heb haar als een koningin begraven. Deze jongen trekt zich nergens wat van aan.”
Langzaam keek ik Anne aan. In mijn hoofd dwarrelde alles door elkaar: moeder in het ziekenhuis, de soep geurend als thuis, ons liefdesspel, en nu die ijskoude ogen van Geert-Jan.
“Je had je moeder niet mogen laten stikken. Jullie zullen elkaar nooit meer zien,” lachte hij in mijn gezicht. Ik huilde. Ik was een schoft en wist dat mijn einde nabij was.
“Wat moet ik hem vertellen dan?” deed Anne nu zakelijk.
“Zelf schulden maken,” zei ze koel, “Ik heb er niet om gevraagd.” Ze stak Geert-Jan de tas vol sieraden toe.
“En pak nu díe oorbellen die ik laatst gaf,” beval hij.
“Past niet bij mijn ochtendjas!” trachtte Anne, hem knuffelend af te leiden.
Ik zei: pak ze!,” schreeuwde hij, en schoot met zijn pistool in de vloer, vlakbij mijn voet.
Anne deed alsof ze ze zocht. “Ze zijn weg, Geert! Ik had ze hier, maar nu zijn ze verdwenen! Jij!” schreeuwde ze ineens, schopte me tegen de zij. “Hoe kon je, Harm? Voor je zieke moeder kookte ik soep, en dan bestal je mij? Geert, zet hem het huis uit!
Die uurwerkjes Die had Anne gegeven aan die arts die haar abortus hielp uitvoeren. Ze en ik hadden samen een kind kunnen krijgen, maar zij wilde niet. Geert wel, maar hij kon geen kinderen krijgen. Ze betaalde de arts met die klokjes en nu schoof ze alles op mij.
Geert-Jan beval me op de been te helpen. Wat daarna gebeurde weet ik amper meer. Alleen het beeld van Annemarijn met die vurige, felle ogen achter haar man, blijft me bij.
“Stelen kan ik niet tolereren, Harm,” zei Geert-Jan later in de sneeuw. “Liefde, vrouwen dat kan allemaal. Maar mijn bezit is mijn bezit!”
Ik ging in de kou liggen, hoorde de auto wegrijden, de wind die me sneeuw in het gezicht slingerde. En bleef toen achter met de gedachte dat zelfs mijn grote liefde mij verried. Mijn hart werd koud. Maar gek genoeg: dat luchtte op.
U weet hoe het verder ging
Ik lag weken in het huisje van de jager. Hij haalde een arts voor mijn gebroken ribben; gelukkig waren mijn benen niet gebroken. Deze twee vreemde mannen lappen me op, ik kon ze alleen maar door mijn tanden bedanken. Ze grinnikten.
“Je zult weer rennen, jongen!” moedigde de jager mij aan.
Na drie weken strompelde ik voor het eerst naar buiten. Het veld badend in zonlicht, als een gietijzeren hekel: fel, brandend, alles wit reflecterend. De jager gaf mij een donkere zonnebril.
“En nu moet je weg,” zei hij. “Neem nooit het bezit van een ander meer, jongen. De volgende keer kom je er niet zo makkelijk vanaf.”
Terwijl ik mijn schoenen aantrok, hoorde ik die twee bespreken wat Geert-Jan ze had betaald voor mijn redding. Ik verstijfde, liet een schoen vallen, steunde tegen de muur.
“Wat zeg je?”
Niks, hoor. Geert-Jan is een gulle man. Maar hebzuchtig Zijn vrouw is nog erger: ze verkoopt zijn goud stiekem verder, denkt dat ze ooit bij hem weg kan. En als hij haar betrapt geeft ze jongens zoals jij prijs. Je bent hier niet de eerste, noch de laatste. De rijken hebben zo hun spelletjes Neem de toekomst zoals hij komt. Vertrek, Harm.
Ik kwam laat in de middag in de stad aan. Meteen liep ik naar het ziekenhuis. Misschien was ik op tijd voor moeder?
“Hier staat geen patiënt in het systeem,” zei de receptioniste en sloot het loket.
“Mevrouw, kijk alstublieft nog eens…” smeekte ik, maar uiteindelijk liep ik naar huis.
De ondergaande zon kleurde de lucht bloedrood; het joeg me angst aan.
Thuis was licht. Opgelucht haastte ik me naar boven, rinkelde aan de bel. Moeder deed open klein, mager, verschrikt. Ik omhelsde haar, zag mijn vader, en barstte in tranen uit.
“We hebben ons zorgen gemaakt,” zei moeder, steeds maar frietjes op mijn bord scheppend. “Gelukkig belde Geert-Jan, hij zei dat je in de problemen zat, maar het goed kwam. Hij regelde zelfs dat ik een eigen kamer kreeg in het ziekenhuis dankzij jou, jongen! Zonder hem had ik het niet gehaald.”
Ze kleedde me met woorden, aaide over mijn korte haren. Vader keek me doordringend aan, ik wendde mijn blik af.
Jaren later wandelde ik met mijn vrouw Marloes over een Amsterdamse markt, op zoek naar een kerstboom. Het was bijna kerst, en zij hield van de geur van verse dennegroen, van de stekels op het parket, de harsdruppels.
Er waren volop bomen, maar we vonden onze boom steeds niet.
“Laten we daar eens kijken,” stelde Marloes voor, wijzend op een tentje van jute zonder lampjes, slechts half verlicht. Skeletten van bomen, wat kale takken in een hoek.
Toen we naar binnen stapten, klonk een schorre stem: “Pas na betalen aanraken!” Uit het schaduw doemde een vrouw op, gehuld in een oude jas, wollen muts, somber, met verbeten blik.
Ik herkende haar meteen. Het was Annemarijn mijn eerste, vurige liefde. De vrouw die haar sporen op mijn lichaam had achtergelaten. Soms vroeg Marloes naar mijn littekens; ik loog haar voor, want zij was mijn enige echte liefde, ik wilde haar geen pijn doen. Zij was echt, zuiver, mijn rots, door God aan mij gegeven.
Anne keek mij aan, spuwde op de grond. Ja, ze herkende me.
Geert-Jan liet haar nu kerstbomen verkopen in de kou, terwijl hij zelf in een chic restaurant champagne dronk. Hij sloeg haar niet, schakelde haar niet uit hij was gewoon weer slimmer geweest. Zij had alles verloren. Een volgend slachtoffer zou er niet komen: haar schoonheid was voorbij, de jongens kwamen niet meer.
“Laten we hier weggaan, Marloes,” zei ik zacht, terwijl ik haar hand pakte. “Deze bomen zijn niets waard. We gaan naar het bos en zoeken er zelf eentje uit.”
Marloes lachte. Ze vertrouwde me, hield echt van me. En ik ik kon nauwelijks geloven dat ik dat verdiende.
Moest ik Geert-Jan bedanken? Bedanken omdat hij me toen liet leven? De magere, kromme Geert-Jan won. Hij werd mijn schuldeiser voor het leven. Terecht misschien
Soms lopen de zaken zoals ze lopen; soms moet je je verlies nemen, maar nooit moet je jezelf verliezen. Blijf trouw aan wie je bent, want alleen zo vind je steun en liefde, die alles overwinnen zelfs de langste winter.







