-Maartje, ik ga weg. hoestte Bart met een vreemd, kleurloos stemmetje.
-Naar de schuur zeker? mompelde Maartje gedachteloos, terwijl ze haar man maar vluchtig aankeek.
-Nee. Maartje, ik ga écht weg. Naar een andere vrouw
De half gesneden aardappel floepte uit haar handen en stuiterde kwiek onder de eettafel. Maartje keek een paar seconden naar de ontsnappende aardappel, alsof daar alle antwoorden te vinden waren, draaide zich toen strak om naar Bart. Pas nu landde de boodschap. Van buiten leek ze kalm, zon stuk rots op het strand bij Scheveningen. Maar van binnen? Een lawine van emoties raasde naar beneden, sloeg alles plat: liefde, geluk, hoopjes toekomst.
-Wie is deze vrouw dan? vroeg Maartje met een stem zo beheerst, alleen haar moeder had haar erop kunnen betrappen.
-Je kent haar niet, Maartje. Maar ze is Ze is Ja, alles is echt tussen ons. Ze begrijpt me zonder woorden en we hebben zó veel gemeen. Echt! riep Bart bewonderend, terwijl Maartje zich in gedachten al helemaal zag uitleven met de dunschiller op zijn rug.
-Nou ja, gefeliciteerd met je nieuwe geluk zei ze, handen en dunschiller onder de kraan, klaar met de aardappelen, Ik hoef de details niet te weten. Ga maar. Je hoeft niet te blijven eten, je wordt vast al verwacht
Bart snifte, emotioneel of misschien opgelucht, en vertrok naar boven om zijn spullen te pakken. Maartje hield zich staande aan het aanrecht, witknokkels om het rvs. Ze dacht slechts aan twee dingen: overeind blijven en hopen dat die Bart snel vertrok.
-Ik eh ik ga dus echt, goed? mompelde Bart terwijl hij richting deur scharrelde. Maartje draaide zich naar hem om. Haar gezicht kalm, bijna sereen. Bart leek verrast hij had in ieder geval huilbuien en verwijten verwacht, geen ijzige onverschilligheid. Hij haalde zijn schouders op en vertrok de gang uit.
Toen pas, toen de voordeur dichtsloeg, zakte Maartje krachteloos op de keukenvloer. Ze beet in haar hand om niet te schreeuwen. Net een stervende zeehond helemaal verloren. Na uren snotteren en snikken kroop ze uiteindelijk naar bed, gekleed en wel. Alles in haar wereld was grijs.
Die nacht werd ze wakker, overvallen door weemoed. Ze dacht terug aan hun eerste ontmoeting. Zij, een naïef meisje net uit Groningen verhuisd naar Amersfoort voor haar eerste baan, had haar vriendinnen meegetroond naar het dorpsdansfeest. En daar was hij: Bart, lachend met zijn vrienden, klaar om orde te houden in het park.
Lang, stevig, die brede glimlach hij viel direct op. Maartje was verkocht. Bart vond haar ook wat hebben, dat was duidelijk; nog diezelfde avond bood hij haar een lift aan naar huis. Vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk.
Ze zagen elkaar bijna dagelijks. Na drie maanden deden ze huwelijksaangifte en die zomer was het feest in het dorpshuis niet van de lucht, polonaise tot ver in de nacht. Eerst woonden ze samen in een flatje, maar na de geboorte van hun eerste kind kregen ze een echte twee-onder-eenkapper van de woningbouw. Ze waren dolblij; liefde kon niet op. Ze begrepen elkaar met een enkele blik of een simpele zucht. Ze hadden werkelijk nooit ruzie echt waar! Soms klopt het gewoon, als twee stukjes kaas op de boterham, gewoon precies goed.
Vorige week werden ze zesendertig jaar getrouwd. Maar zevenendertig? Dat ging er niet meer komen Dat besef deed Maartje weer huilen, zacht en bitter, een echte Hollandse regenbui van verdriet.
De volgende ochtend was net zo bewolkt als haar stemming. Opgeven lag niet in haar aard; er moest nog van alles in huis gedaan worden. Stamppotgerechtjes moesten worden voorbereid, de kippen gevoerd, de geit mocht naar het weitje, de vloeren gedweild, en de vaat nagelopen van gisteren. Keihard sjouwde ze door, geen tijd geven om in te storten. Maar één akelige taak bleef over: het moet verteld worden aan de kinderen. Zoon Hannes en dochter Anouk. Ze besloot het pas rond lunchtijd te doen.
-Mam, is ie nou helemaal gek geworden? Een andere vrouw? Welke vrouw? Dat meen je niet, mam Zullen we komen? We stappen direct in de auto! riep Anouk overstuur.
-Nee joh, Anouk, blijf nou maar thuis! Je bent bijna uitgerekend, alle stress is nergens goed voor. Ik red me wel. Er is niet iemand dood, hoor!
Hannes sloeg aan het schelden (schaamteloos dit, schande!) via de telefoon, zo erg dat Maartje hem moest stoppen. Hou op, joh. Dit gebeurt gewoon Niemand is heilig. Uiteindelijk zouden ze het weekend langskomen, verder geen drama.
Nadat ze het aan de kinderen had verteld, haalde Maartje diep adem. Ze passeerde de spiegel in de gang en zag haar eigen verloren blik. Het huispak slobberde, er was geen make-up te bekennen, haar ogen gezwollen als boerenkool geen wonder dat Bart een jongere vlam had gezocht. Die zag er vast gelikt uit, dacht Maartje, met haar vingers droevig langs haar gezicht.
Het laatste jaar was zwaar geweest; Anouk’s zwangerschap, een nieuwe baby bij Hannes, altijd maar zorgen en boodschappen. Bart at meestal alleen, zij was met de kleinkinderen of rende met een emmer sop door het huis. Geen tijd meer voor elkaar, Bart had zijn vertrek al voorbereid zonder dat zij het doorhad. Of misschien wilde ze het niet zien.
De dagen zonder Bart werden langzaam dragelijker. Eerst was het bikkelen, later viel het wel weer mee. Ze zei de kinderen hun vader niet te mijden hij was en bleef een goede opa en vader, ook al was hij een oen. Dus beloofden ze hun best te doen, er moest tenslotte maar één dramaqueen in huis zijn, vond Maartje. Na een half jaar kwam er rust. Ze was druk, mocht zelfs weer ergens aan de slag als parttime boekhouder, afleiding genoeg. Kilos vlogen eraf, er kwam een nieuwe boblijn, ze knapte zienderogen op. Die oude glimlach keerde langzaam terug want tja, het leven gaat door.
En toen, een half jaar later, was daar ineens een onbekend nummer.
Maartje, lieverd Vergeef me alstublieft, neem me terug. Ik kan echt niet zonder jou. De eerste maanden zweefde ik in een soort mist, maar telkens als ik mijn ogen dichtdeed, zag ik jou. Laat me terugkomen? smeekte Bart.
Nee, antwoordde Maartje direct. Ga maar naar je jonge prinsesje. Jullie hebben zó veel gemeen. Het gaat wel prima zonder jou. En de haak erop.
Vanaf dat moment belde Bart elke avond. Smeden met warme woorden, smeken, alles uit de kast.
Maartje, we zijn toch niet meer de jongsten. Wat hebben we nog te winnen bij ruzie? Ik houd van jou, van de kinderen, van de kleinkinderen Ik wil gewoon bij jullie zijn.
Wie verbiedt je dat, Bart? Hou van de kinderen, bezoek de kleinkinderen. Die weigeren je niet. Maar mij krijg je niet terug. De stukgeslagen mok repareer je niet, hoe je het ook probeert. Deed Maartje resoluut.
De kinderen kwamen inmiddels in het kamp van Bart. Vooral Anouk pleitte: Mam, je ziet hoe hij eraan toe is. Zou je het hem niet vergeven? Iedereen maakt fouten. En Hannes: Kom op, mam, je houdt van hem. Dat zie ik zo.
Nee is nee. Pijnlijk, maar klaar. Ik kan het niet. Ik vergeet het verraad nooit meer, hield Maartje vol.
Dus redde Maartje zich wel. Werk, huis, kleinkinderen alles zonder Bart.
Bart was intussen al in de clinch geraakt met de vrouw met wie hij zoveel gemeen had. Het liep spaak, waarna hij bij zijn oude moeder op de logeerkamer introk. Heimwee knabbelde aan hem. Hij merkte dat hij Maartje harder miste dan een bakje verse haring op Koningsdag. Maar goed, sommige fouten kun je niet meer rechtzetten.
Op een dag kwam hij tot een besluit. Hij zou naar Maartje rijden, op haar stoep neervallen en haar om vergeving smeken. Baat het niet, dan schaadt het niet. En misschien zag hij haar dan nog één keer zijn alles.
Hij trok zijn beste overhemd aan en fietste richting het oude huis. Daar aangekomen klopte hij, maar niemand opende. Maartje was nachtdienst gaan draaien in het verzorgingstehuis. Dus bleef Bart nog even zitten op het bankje in de voortuin. Lag te rillen onder zijn jas en doezelde in slaap. Voor het eerst sinds maanden leek hij nog een beetje thuis.
Maartje kwam bij zonsopgang terug en schrok zich rot. Daar lag Bart, lijkbleek in het scheve ochtendlicht. Hij ademde amper. Maartje gaf hem een por geen reactie. Klopte hem op zijn schouders niks. Schudde hem als een natte dweil geen VIN-minimale beweging.
“Ach hemel… wat een ellende. Bartje, lieverd, op wie laat je me nou achter? Hoe moet ik dan zonder jou verder…” jammerde Maartje, trillend met haar hoofd op zijn borst.
Maar plots… pakte Bart haar beet en kuste haar.
“O gelukkig, je houdt van me, je noemt me ‘lieverd’! Ik houd ook van jou, Maartje, vergeef me alsjeblieft! Zonder jou kan ik niet leven!” snikte Bart, op zijn knieën.
“Wat ben jij een schavuit! riep Maartje, die direct haar tranen in woede omzette. Levensgevaarlijk ben je! Ik dacht al dat je de pijp uit was en bij mij kwam sterven. Je hebt er goed van langs gehad, of niet? Moest dat nou…?
…Sindsdien was het weer koek en ei. Bart en Maartje leefden samen, beter dan ooit. De liefde die werd alleen maar sterker. Want ze wisten nu pas écht hoe het is: je eigen mens kwijtraken. En ze leerden: soms moet je leren vergeven. Trots is niet altijd de beste raadgever. Zelfs na een rotstreek kun je misschien toch nog een plekje in je hart maken voor die ander. En waardeer vooral wat je nu hebt, niet alleen wat je mist. Zo ging dat dus, met een mooi einde of zoals wij in Nederland zeggen: eind goed, al goed!







