De stenen vrouw
Geertje van Dongen werd met de ambulance gebracht, opgepikt van de straat. Ze was gevallen, midden in de vieze, kille natte sneeuw, te zwak om weer op te staan. Mannen tilden haar zompige, vermoeide lichaam in de wagen en brachten haar naar de Eerste Hulp.
Een grote, massieve vrouw in een broekpak, stevige laarzen met kleine hakjes, haar gezicht flink opgemaakt zodat haar wat uitpuilende ogen en brede lippen opvielen, zware oorbellen, leren handtas op de schootzo werd Geertje binnengereden, koppig zittend in een rolstoel. Liggen weigerde ze pertinent; toen ze weer wat bij kwam snauwde ze de ambulancechauffeur toe dat hij naar rook stonk, berispte de broeder om zijn traagheid, en verbood de stagiair, een jeugdig ventje uit de opleiding, haar ook maar aan te raken.
En dat hoeft voor mij ook niet! murmelde hij beledigd.
Gaat u maar een beetje onbeschoft doen, jongeman! Geertje leunde op de armleuningen, installeerde zich in de rolstoel en trok, als een boze uil, haar tas nog dichter naar haar kin. Haar schouders stegen, haar blik gleed kritisch, argwanend over de afdeling, als was zij een geheime inspecteur. Ze fronste haar smalle wenkbrauwen, bracht ze met houterige beweging naar het midden van haar granieten gezicht. Onder haar dikke laag foundation, nu hopeloos geplet door het zweet na de prikken, kwamen haar adertjes extra lelijk uit en werden haar rimpels benadrukt.
We rijden verder. Ik kan hier niet wachten, het tocht! zei ze kortaf, en knikte naar de volle wachtgang.
De vrouw achter de balie keek scherp naar deze nieuwe binnenkomer, elegant in bontjas tot op de schoenen, griste de papieren uit de handen van de broeder en verklaarde dat Geertje nu hun verantwoordelijkheid was, en dat de ambulancejongens konden vertrekken.
Hypertensieve crisis, buiten bewustzijn op straat… Niet op haar hoofd gevallen… Huidige bloeddruk… rapporteerde de stagiair in zijn blauwe uniform.
Goed zo, Robke. Ga maar, het is al druk genoeg, knikte een verpleegkundige, die sprekend op de jongen leekwaarschijnlijk zijn moeder.
Ze helpt… Familie aan een plekje… schoot Geertje, half versuft, door het hoofd.
Haar hoofd bonsde, haar armen voelden slap, de tasduur, met logodreigde telkens uit haar schoot te glijden. Ze had niet eens meer de fut om hem zelf op te tillen. Er was nergens meer kracht voor. Zelfs praten kostte moeite. Haar tong plakte droog en log aan haar gehemelte, ze verlangde naar water.
Mag ik een glaasje water, alstublieft? vroeg Geertje luid, zonder iemand specifiek aan te kijken.
Niemand hoorde haar. Om haar heen dromde mensen, familie duwde brancards, suste, ondervroeg, schudde aan hen die wegvielen. Artsen schoten langs, bogen stethoscopen recht, lazen lopend de papieren, riepen naar behandelkamers. Verpleegkundigen zoemden rond. Maar alles leek Geertje volslagen niet te betreffen.
Waar is Van Dongen? Van Dongen, wie? riep eindelijk een van die zusters, zoals Geertje ze in haar hoofd al had genoemd.
Ik ben hier, zei Geertje. Nog luider: Hier!
Goed, hier is een potje, wc is daar, daarna bloedafname. En haal die muts af, het is hier geen Spitsbergen!
Geertje besefte plots dat ze nog in haar dikke, harige muts zat, net als Barbara uit Alles is Liefde. Vandaar het zweet op haar voorhoofd en dat haar kruin gloeide.
Met tegenzin trok ze haar hoofddeksel af, stopte het in haar tas, die toch al uitpuilde van de papieren. Ze was niet van plan lang te blijven. Opknappen en weer door! Ze was Geertje van Dongen, directeur van een groot bedrijf, glazen gevels, werk in overvloed!
De verpleegkundige zette het potje op haar schoot.
Geertje van Dongen. Een grote, stevige vrouw. Altijd al. Mams hoorde ooit in de kraamkliniek: Wat een reusje! In de schoenenzaak fronsten ze bij haar schoenmaat. Nou, mevrouw…
Naast haar moeder leek Geertje een soort reuzin. Kracht kreeg ze van vaders kant, die stierf aan kanker toen Geertje acht was.
Geertje schaamde zich vaak. In de kleuterklas torende ze uit boven de kinderen, niemand durfde haar aan. Ze vond enig comfort in sport, waarop ze toevallig terechtkwam toen mama met de coach een korte romance had. Zodat Geertje s avonds niet in de weg liep thuis, werd ze op atletiek gezet. Discuswerp, kogelstotenhier bloeide ze op. Ja, af en toe een blessure, eeuwig daarna een zere schouder, maar fier dat ze ergens in uitblonk. Later maakte ze fouten, begreep de liefde verkeerd, groeide op, begroef haar moeder en maakte zich tot die vrouw waar mensen zich over verbaasden en omdraaiden.
Geertje ging werken op gemeentewerken, leidde haar team waar ze kon. Met de val van de Muur begonnen er ineens overal firmas en zaakjes; Geertje sjouwde met de jongens op de bouwplaatsen. Door haar groteske verschijning namen ze haar vaak voor een man, en als ze Geertje leerden kennen, werden ze beschermend. Ze was streng, soms hard, hield niet van gezelligheid, maar was een van hen.
Geertje van Dongen, altijd onverstoorbaar, de stenen vrouw, fluisterde men.
Toen kwam haar zaak: Ramen naar de Wereld. Geertje werd een leidinggevende in ramen, wikkelde alles eigenhandig af, werd gerespecteerd. Met het personeel was ze niet soft, dronk geen koffie met ze, maar ze stonden allen als één man achter haar. Ze bemoeide zich met hun levens, stuurde bij: dokters, restaurants voor jubilarissen, op hun falen wees ze, regelde checkups, cadeautjes met kerst, maar zichzelf verkleden als Kerstvrouw vond ze vanwege haar formaat nogal belachelijk.
Geertje wist alles: zelfs wie zwanger zou zijnzelfs nog voordat haar secretaresse Anouk de test had gekocht. Ze regelde de beste kliniek.
Ze kende alle gezinsruzies, studiekeuzes van kinderen, ineens neergeploft familie. Voor alles zorgde zij, met inzet van connecties, favorieten bij universiteiten, boodschappen voor onverwacht bezoek. De hoede was breed, geleerd zichzelf en uiteindelijk anderen te beschermende kwetsbaren, de rare snuiten, allen die het moeilijk hadden.
Vriendinnen had ze niet. Zo was het veiliger, eenvoudiger. Zo zou nooit achter haar rug een fluisterende onze reuzin klinken.
De stenen vrouw maakte geen fouten, draaide er niet omheen. De waarheid werd in haar handen een zwaard met lange reikwijdte. Als ze iemand ontsloeg, had ze altijd alternatieven klaarliggen. Nam iemand die niet aan, pech gehadverantwoordelijkheid lag bij die ander.
Een tiran? Nee, meer een stoomlocomotief richting toekomst. Sta niet op het spoor, want Geertje denderde door met haar wagon: haar zoon Simon. Voor hem deed ze alles.
Wie haar tempo niet aankon, verdween. Maar weinig mensen verlieten haar schip, want in tijden van werkloosheid en een overbevissing aan jonge rekruten wist iedereen: bij Geertje zat je veilig, haar kern bleef trouw.
Op die kern bouwde ze nu, terwijl ze hulpeloos in het ziekenhuis lag. Hopelijk zouden ze de deals met leveranciers niet verslapen!
Wat is dit? Dat potje? Ik ga nergens heen! Geertje mepte het potje op de grond. Ik heb een hypertensieve crisis! Ik moet liggen! Kunnen jullie niet lezen?
Rustig nou, meidje! riep een zwerverachtig type op het bankje. Hij pakte haar potje op, bekeek het. Wil je dat ik het voor je doe? Lachen hoor! Maar dan moet die muts er wel bij. Niks voor niks… Grote meiden zijn de beste!
Help jezelf! snauwde Geertje, duwde zich aan de muur af, tot de rolstoel met een bonk tegen de kalk stootte en twee kleine deukjes achterliet.
Mevrouw! Wat doet u! Net weer geverfd! mopperde een vrouw met een naambordje. Wie is dit? Waar moet die heen?
Ik ben van niemand. Van mezelf. En ik ga ervandoor. Wat is het adres van deze instelling? Ik moet een taxi bellen. Mijn telefoon… Ja…
Waar wilt u heen?! Taxi? U blijft zitten. De dokter komt zo, u krijgt rust. Blijf maar zitten, mevrouw… De zelfde vrouw die haar net nog die daar had genoemd, sprak nu kalm.
Geertje was al aan het bellen.
Simon? Ilse, geef me mijn zoon! beval ze streng door haar mobiel. Luister, dit is belangrijk. Ik lig in het ziekenhuis. Ik heb morgen belangrijke afspraken. Ik heb Simon nodig.
Ze commandeerde niet graag, al kon ze hard uithalen. Maar liever schetste ze snel, helder de ernst, om dan droog te zeggen wat ze nodig had.
Ilse, Geertjes schoondochter, liep naar de badkamer, klopte. Je moeder aan de lijn! riep ze haar man boven het geluid van de douche.
Wat? Over tien minuten ben ik eruit! schalde Simons stem.
Had hij zijn moeder niet gehoord? Natuurlijk wel. Maar als mam belt, leeft ze nog, en dan kunnen die tien minuten geen kwaad.
Vroeger wachtte Simon alle dagen, van vroeg tot laat, tot zijn moeder hem kwam halen.
Moeder had werk, met het imposante woord business gedoopt. Dankzij haar firma hadden ze een nieuw appartement. Geertje verving de ramen op Simons school als sponsoractie, hielp vriend en vijand met klussen dankzij haar netwerken van bouwvakkers, installateurs, stylisten. Ze sleepte elke vis in haar net mee, gaf sturing, sloot contracten, beëindigde ze. Maar die ene kleine vishaar zoon Simon, grapte hij zelf, met die stekelige naambleef altijd net in een ander net hangen.
Moeder sloeg hem nooit, haar stem bleef altijd rustig. Ze kwam thuis, keek zijn huiswerk na. Als het niet goed was corrigeerde ze met een potlood en zei: Tot perfectie, waarna hij het over moest doen. Daarna, droog en spaarzaam, legde ze uit waarom goed leren belangrijk was.
Echt zeggen dat ze hem liefhadzoals een moeder haar kalf liktdat deed ze nooit. Geen gefluister voor het slapengaan, geen mijn lieve Simon, nooit zomaar liefde voor wie hij was. Ze zweeg.
Ze houdt niet van me! concludeerde Simon op zijn negentiende. Ze regelde zijn eindexamen, hij hoefde niet naast zijn studie te werken, oké. Maar dat is toch haar taak, hem een mens te maken? Zij koos voor hem, dan zet je hem toch ook stevig op de rails? Meer hoefde ze niet te doen, ziekenhuis of niet.
Geertje hoorde Ilse mompelen dat Simon over tien minuten zou terugbellen.
Geertje, wat is er? Kan ik helpen? vroeg Ilse.
Geertje hing op. Nu kon ze met zekerheid zeggen dat ze inderdaad van niemand was. Helemaal haar eigen. De zoon belt als het uitkomt, de schoondochter kauwt kauwgom, angst misschien dat de massieve schoonmoeder haar straks vastketent aan haar dikke lijf. Van niemand. Beter zo.
Geertje probeerde weer op te staan, steunde op de muur. Maar de rolstoel schoot weg en ze viel als een zak aardappels op de grond. Het potje rolde, haar leren tas gleed met een plof leeg, en haar slapende hoofd belandde voorzichtig op haar verfrommelde bontmuts.
Godver…! riep de zwerver, schoot op haar af, tilde haar opmaar stopte ongezien haar portemonnee en haar ring in zijn zak.
Hij leek vaag bekend. Van vroeger?
Ze voelde niets meer, adem haalde ze schor, hoofd scheef. In haar oren galmde steeds maar weer: Houd rechts aan, houd rechts aan…
Normaal werd Geertje gebracht door haar chauffeur, Ron van den Berg. Zelf reed ze nooit; te lastig, te veel borden. In de auto regelde ze liever zaken of keek dromerig uit het raam. Ron tikte dagelijks om half acht aan haar deur, hielp haar jas, zette klassieke muziek op en reed haar naar kantoor. Ron klaagde nooit, profiteerde royaal mee van haar verbindingen en gulle bonussen. Ja, ze kon hem ‘s nachts bellen of hij naar Groningen wilde rijden vanwege een klacht over de ramen, en dan stond ze al in het vliegtuig. Ron, een kus op zijn slapende vrouw, reed haar dan zonder morren. Geertje excuseerde zich droog.
Maar vandaag parkeerde Ron in de straat, zijn bumper compleet tot moes door een vuilniswagen.
Geertje, ik bel wel een taxi! We zitten goed in de penarie! zuchtte hij.
Geen taxi. Ik neem de metro, Geertje, met haar bontmuts op, voelde zich vanmorgen al niet lekker. Was ze geschrokken van de botsing? Ja. Maar Geertje bleef kalm: geld lost alles op. Ga jij de schade regelen, kom daarna met papierwerk bij mij voor de reparatie.
En zo ging ze, een grote grijsrode wolk naar het metrostation. De mensen weken voor haar uit, werden overschaduwd door haar imposante gestalte. Ze zou zo een reuzin in een film kunnen zijn.
In de metro was het benauwd, mensen stuwden zich als water door de gangen. Houd rechts aan… hoorde ze door de intercom bij het overstappen op de Noord/Zuidlijn. En iedereen hield rechts. Ook Geertjeanders werd je platgelopen.
De dag liep op zijn einde, na het tumult van de spoed, de prikken, de piepende monitoren, werd Geertje naar de afdeling gebracht, met moeite in bed gelegd. Onder lakens luisterde ze nog steeds naar… vasthouden… vasthouden…
Op de kamer was het donker, het rook er vreemd van parfum, medicijnen, en gek genoeg naar vanille-beschuitjes.
Kamer op de derde, uitzichtloos op de drukke, kleurige Amsterdamsestraat onder haar die nu als een kerstverlichting schitterde…
Ooit had Geertje zon slinger met lampjes gekocht bij De Bijenkorf. Die avond haalde ze Simon op uit het kinderdagverblijf. Hij zat daar alleen op een bankje in de kleedruimte, de leidster trok haar jas aan.
Simon, daar is je moeder! Zie je wel!
Simon veegde snel zijn tranen weg en trok zijn rode overall met reflecterende strepen aanhij vond ‘m prachtig, maar deed alsof hij alles onverschillig vond, gewoon om zijn moeder dwars te zitten. Altijd boos op haar. De anderen hadden vaders, hij niet. Hun moeders waren vriendelijk, warm, bukkend om hun kroost te omhelzen. Maar Geertje stond als een blok boven hem, observeerde zwijgend zijn geworstel met de rits. Niet helpen, nooit bekritiseren. Gewoon wachten.
Wat zit er in die doos? vroeg Simon, snel stappend naast haar.
Oh, een pracht, jongen! Een slinger voor de boom!
De hele weg zag Simon het al voor zich: lampjes die schitterden in de glazen ballen van hun magere nepboom. Morgen zou hij opscheppen bij vriendjes.
Maar thuis werkte de slinger niet. Moeder had gelogen, geen feest nu. Ze rolde het snoer op en zei alleen: Kom, eten. Ik moet nog de was strijken.
Twee dagen later kwam ze met een gerepareerde slinger teruggaragekerels uit haar netwerk hadden die opgelapt. Maar Simon was ondertussen ziek, niet meer naar het kinderdagverblijf, en over zijn mooie boom vertelde hij niemand iets.
…Nu stelde iemand, ergens onzichtbaar, zon slinger bóven de stadspaden op. Lampjes knipperden via mensenharten. Maar Geertjes lampje was blijkbaar doorgebrandze had een opknapbeurt nodig.
De deur ging openeen vrouw in een roze doktersjas, klein en tenger.
“Ogen dicht, ik haal je mascara weg. Niet openen, anders brandt het straks.”
De zuster streek met een zachte natte watje langs Geertjes wangen.
Heerlijk… God, wat heerlijk! De koude watjes streelden haar huid; Geertje dacht aan haar moeder, allang dood, liefdevol begraven ergens in de klei. In september had zezelf vergeet-mij-nietjes gezaaid op het graf, grof strooiend, bemesting laten regelen door mannen van het kerkhof. Of het zou ontkiemengeen idee. Misschien groeide er niks, maar ach, tot het voorjaar was nog een hele oversteek…
Vroeger doekte haar moeder haar gezicht schoon als Geertje ziek was, met een zachte, frisse handdoek die rook naar schoon wasgoed en winterwind.
Niet nodig, ik was me straks zelf wel… mompelde Geertje beschaamd.
Ssst, rustig, u moet aansterken, zei de zuster zacht. Ik maak uw haar los, goed?
De zuster tilde voorzichtig Geertjes zware hoofd op, maakte de knot los.
Ik zal betalenmijn portemonnee, in de tas… Geertje schrok. Portemonnee… zoek maar niet.
Geertje snikte.
Het was de tweede keer in haar leven dat ze beroofd werd. De eerste keer was jaren geleden, in de metro; een man duwde steeds tegen haar aan op de roltrap. Toen ze boven was en in de kiosk een krant wilde kopen, ontdekte ze de snee in haar tasportemonnee weg, met daarin een foto van Simon, haar meevallertje van één stuiver die ze had gekregen van een collega, en een boodschappenlijstje. Ze zat op een bankje en huilde, deze reus, deze breedgeschouderde vrouw.
Zonde… fluisterde ze, tranen vegend. Niet om het geld. De tas, net nieuw, zo trots open het portemonneetje van blauw kalfsleer… Schade, op de tas én haar hart.
En ook nu was het zonde. Waarschijnlijk die man uit de spoed.
U moet rusten, ik haal de bloeddrukmeter,” suste de zuster.
Ze vertrok, kwam terug, omklemde Geertjes arm met de band. Gerommel, gepiep, maar Geertje zonk weg in een zweverige droom, warm en stroperig als smeltende stroop…
…Simon, uit de badkamer, vergat zijn moeder. Ilse probeerde hem op te roepen, maar Geertje nam niet op.
Er is iets mis, Simon. Bel haar werk, probeerde Ilse, maar Simon wuifde haar weg.
Moeder heeft alles geregeld. Zelfs haar IC-bed zal vast gereserveerd zijn. En haar privé-ambulance. Laat me, Ilse.
Hij schoof haar als een meubel weg, zette voetbal op het supermoderne, door zijn moeder cadeau gedaan tv-scherm. Daar renden jongens in blauwe shirts achter de bal aan, en Simon trapte in gedachten mee.
Mooi scherm, thanks mam! riep hij tussen slurpen aan zijn bier, pindas wegkauwend.
Ilse probeerde nogmaals Geertje te bellen, zonder antwoord.
Hun omgang was altijd kil. Geen ruzie, maar nooit warm.
Geertje kon niet anders, zo liefde ze: nieuwe ramen (de zoon van de ramen-vrouw géén slechte kozijnen!), verbouwing van de badkamer, auto voor hem, sportschoolpas voor Ilse (rugklachten), weer tasjes met biologisch brood. Geertje drong niet op. Ze nodigde Ilse uit, reed samen naar de winkel, waar Ilse mocht kiezen uit het allerbeste.
Ilse was sprakeloos, probeerde te weigeren, maar wist: zinloos. Stiekem spaarde ze nu, om ooit terug te betalen.
Zo hield Geertje van mensen. En Simon: speelgoed, sportclub, meubels, rolschaatsen, vakanties (niet met haar, maar in een kampze bezocht hem wel). Moest het kinderdagverblijf nieuwe verwarming? Geertje regelde het, kreeg materiaal, schold uit. Zwembad voor de school? Zij regelde zwemles. Ze hield zielsveel van Simon; zijn haten was haar dank. Kocht ze het af? Nee, ze wilde hem alles geven wat zij ontbeerde.
Toen haar zoon ging trouwen, was Geertje even van haar stuk. Speelgoedautootjes, dat was toch gisteren? Maar het werd een bruiloft zoals het jonge stel wenstemaar wel in het beste restaurant. De jurk voor Ilse precies zoals zij wildegoede stoffen, goed gemaakt. In het begin begreep Ilse niks van deze aanpak, maar later accepteerde ze het, besloot alles ooit terug te betalen.
Geertje kon niet teder zijn, zo werkte ze niet. Haar hele bestaan bestond uit deadlines, bestellingen, fouten en rechtszakeneen werkpaard dat steeds door moest, niet anders kon.
… Ilse probeerde weer te bellen. Er werd opgenomen, maar niet door Geertje, een onbekende vrouw. Ilse noteerde alles. Kom morgenochtend, uren van bezoek.
Ze slaapt, is uitgeput. Neem makkelijke kleding mee, en een vest.
Ilse luisterde, knikte, bedankte.
Simon zat alweer achter de laptop te gamen. Ilse overwoog iets te zeggen, liet het.
Ze pakte stil de huissleutel van Geertje en vertrok…
…Geertje werd vroeg wakker. Op de andere bedden roerde het, kopjes rinkelen, iemand nieste.
Zo, Van Dongen, wie is dat? riep een zuster.
Geertje zat op het bed, probeerde haar haar in een staart te krijgen, maar was te zwak.
Ik ben Van Dongen.
Ze zat in blouse en pantalon, jas en muts op de grond in een zak. Haar laarzen, netjes weggewerkt. Haar blouse onthulde iets kantGeertje droeg alleen mooi, zacht ondergoed, met moeite in haar formaat te krijgen, vaak uit het buitenland.
Op het naastgelegen bed keek een vrouw nieuwsgierig. Geertje werd verlegen, trok het laken over zich heen.
Kom, Van Dongen, even bloedprikken, klonk het. De zuster prikte raak, Geertje voelde niks. Daarna rinkelde constant haar telefoon.
Sorry, werk… fluisterde Geertje, ging in de gang zitten. Het werk stroomde, voorstellen, orders, alsof ze niet in het ziekenhuis was. Uiteindelijk trok ze streng de lijn: nu naar de vervanger, niet bellen.
Aan de andere kant werd opgehangen.
Geertje liet haar schouders zakken; van de statige, onwrikbare vrouw was niks over, een gewone, kwetsbare patiënt bleef over.
Ze kreeg een ziekenhuispyjama. In de spiegel: mascara vegen, haar pluizig, nagels afgebroken. Scheuren in haar panty, schrammen op ziel en huid.
Ga maar op bed, straks artsenronde. En ontbijt, zei de zuster van gisteravond, nu in gewone jas, klaar om naar huis te gaan. Uw dochter belde, Ilse. Ze komt. Hup, even liggen.
Waarom doet u dit allemaal? Geertje richtte zich op, torende als een heuvel boven haar uit. Ilse is mijn schoondochter, niet mijn dochter… Ze komt heus niet.
Jawel, ze komt. Herken je me niet? vroeg de vrouw zacht, omhoog kijkend. Ik ben Marjan. We lagen lang geleden samen in het ziekenhuis… Toen je… na… dat kind…
Het sloeg in als een zweepslag. Ze herinnerde zich schokgewijs, zakte op een stoel. Marjan wist als enige, naast de artsen, dat Geertje als jonge vrouw zwanger was geraakt van een man die haar het gevoel had gegeven dat zij mooi was, haar bespeelde en liet vallen. Marjan had haar getroost, gefluisterd dat ze wél mooi was, wél goed… De wereld zat vol slechte mensen.
Marjan! Ik herkende je niet… Werk je hier? Goed gedaan, dat was je droom… Geertje glimlachte flauwtjes.
En jij, een zoon… Trots op je! Ik heb twee dochters, drukte bij de kleinkinderen… En een man?
Marjan schudde haar hoofd, te pijnlijk. Nee. Nooit gehad. Ach, laat maar. Ik wilde een kind om voor mij te zorgen… maar ik heb het alleen gedaan. Ik bescherm mezelf. Altijd al.
Marjan wilde iets zeggen, maar de artsen kwamen al aan voor de ronde. Geertje ging weer liggen; Marjan moest naar huis, doodmoe.
Het ontbijt volgde snel, Geertje keek nu wat rond. De andere dames, stil en rond haar leeftijd. Lezen, dutten, zacht praten. Eén, Truus bij het raam, zat de hele tijd iets te knabbelen. Krokant geknaag door de kamer.
Beschuitjes? gokte Geertje. Vanille-beschuit. Maar zonder drinken is niet goed! Drink wat thee of water!
Nee, ik heb stress. Mijn man, andere verdiepingberoerte… Ik kan niet stoppen met kauwen. En thee… Laat maar…
Niet laten! Sorry, waar kan ik thee halen? Met haar lengte bewoog Geertje zich de zaal in, slippers van het ziekenhuis, deed indrukken op de keuken. Ze zag meteen het opkrullende linoleum, het verouderde keukenapparaaten natuurlijk de ramen, hun smerigheid, het hobbelige rubber rondom. Ze moest straks haar meester-ramenzetter sturen…
En even later liep ze alweer de gang door, beker hete thee in de hand.
Truus, alsjeblieft. Ik weet niet hoeveel suiker je wilt, maar iets warms is goed! Ze zette de kop neer.
Truus dronk gulzig. U bent zó aardig! En speelde met haar ring. Daar, een meisje. Die zwaait naar u.
Geertje keekIlse, vrolijk en opgelaten in een blauw wegwerpoverall en blauwe overschoenen, stond met een tas te zwaaien.
Dag, ik roep al, maar je hoort niks. Ik kom voor mevrouw Van Dongen. Ilse gooide de tassen bij de sloffen van haar schoonmoeder. Truus glimlachte begrijpend en wendde zich weer tot haar beschuit.
Hoefde niet, Ilse, ik red me hier wel… Geertje aarzelde.
Jawel, ruimte maken, alstublieft! Pyjama, peignoir, vest, alles erbij. En hier: lekkers uit je favoriete winkels. Thee, koffie. Beddengoed paste niet in de tas.
Geertje torende als een berg boven haar uit. Haar pony schudde, Geertje beefde, en haar borst golfde schokkend.
Tante Geertje, wat is er? Kom, ga je omkleden, dan ga ik de arts spreken.
Ilse schoot de kamer uit, Geertje bleef, starend naar het bed, de tassen, het peignoir.
Het leven kwam stukje bij beetje terug, na jaren waarin ze haar ziel over de scherven van haar dromen had geschoven, onbeschermd. Daarom was ze altijd zo streng, zo gefocust, nooit open, alleen maar doorzetten.
Nooit liet ze iemand toezelfs Ilse niet. En toch stond ze daar, die zorgende jonge vrouwwaarschijnlijk om het geld? Ze wist het niet. Maar het voelde goed.
Simon belde een paar keer, maar Geertje nam niet op. Ze wist niet wat ze moest zeggen.
Ilse kwam terug van de dokter, keek bedachtzaam naar haar trouwring. Ze zou niet zeggen dat ze wilde scheidennu niet, Geertje niet ongerust maken.
s Nachts lag Geertje stil te huilen, zich afvragend waarom.
De dag erop kreeg ze haar portemonnee en ring terug.
Die man uit de spoed stal deze. Nu zijn ze terug.
En hij? vroeg Geertje.
Helaas, hij is er niet meer. Hartstilstand. Hij heette Bertus Brouwer, zeiden de gezichten die het kwamen brengen.
Geertje knikte. Nu wist ze hethij leek op Bertus, de beste atleet van haar trainingsclub. Die haar destijds over haar rug streelde en haar beloofde dat er niemand mooiers bestond. Hij loog; zij geloofde. Hij stierf, zij leefde door.
En ze was helemaal niet van steen, gewoon: niemand had haar geleerd hoe weer luchtig te ademen.
Nu kwam alles anders. Ze had Marjan, Truus, Ilsedat domme, lieve meisje, haar werk, haar zorgen, het voorjaar en vergeet-me-nietjes die alsnog gepland moeten worden. Honderden, duizenden kleine taken waar niemand anders doorheen navigeert behalve Geertje. Náást alles een nieuwe, aankomende kleinkindnet een knikkertje op het echo-fotootje.
Ilse, verwacht niks van hem. Maar blijf toch liefhebben en zeg het gewoon. Ik zei het nooit, schaamde me, nu spijt het me, zei Geertje eens. Een vrouw moet iemand liefhebben, anders versteent ze.
Ilse knikte. Nee, Geertje van Dongen was niet van steenmaar groot, statig, kwetsbaar. Toch was zij, met haar geboorte op deze wereld, een schreeuw door de kamer, een kreet van leven.







