Drie draden. Drie levens
Wat zei ze nou? Veer, ik verstond het niet goed, wat zei ze? Irma van Dijk boog zich wat naar voren, dichter bij haar wandelende vriendin, Vera de Jong.
Vera begon gedetailleerd uit te leggen wat de zojuist langs lopende moeder en haar dochtertje van ongeveer zeven hadden besproken.
Er is een of andere deugniet bij haar op school, en zij heeft dus tegen hem gezegd
Vera sprak luid, haar stem galmde over de straat. Irma luisterde aandachtig, onderbrak haar niet; toen wierp ze een blik achterom, vond het meisje met haar ogen en knikte haar na.
Goed opgevoed kind, zo netjes ook. Alleen, wel heel wijs voor haar leeftijd! concludeerde ze nuchter.
Waarom dan? vroeg Irma verbaasd, pakte haar vriendin bij de arm en trok haar mee, want het verkeerslicht stond al tijden op groen en de autos stonden in een rij te wachten tot de twee bejaarde dames eindelijk de Overtoom overstaken.
Wat? Ik hoor je niet, Irm, wat? vroeg Vera, keek wat verward rond en klemde haar tasje tegen haar zij terwijl ze met kleine, haastige passen naar de stoep liep.
Ik vraag: waarom vind je haar dan zo wijsneuzig? herhaalde Irma, weer luid en duidelijk.
Gewoon, daarom.
Irma van Dijk hield er soms van haar bevindingen onverklaard te laten. Was het luiheid? Of vond ze t gewoon te logisch om uit te hoeven leggen?
Dat meisje had zichzelf blijkbaar als taak gegeven de deugniet van de klas tot de orde te roepen? Bemoeide zich ermee, gaf hem aanwijzingen? Nee hoor, meiske! Zo werkt het niet Zo los je niets op.
Irma schudde licht haar hoofd, in pas met haar gedachten. Vera zuchtte. Soms vond ze haar vriendin werkelijk ondraaglijk met die cryptische uitlatingen. Maar ach, zonder Irma zou deze wereld, die zo ontzettend veranderd was, één grote chaos zijn.
Irma van Dijk en Vera de Jong waren buurvrouwen. Hun appartementen waren bijzonder: elk had een eigen voordeur direct aan de straat, zonder trappen of liften. Ze woonden in een van de bijgebouwen van een oude buitenplaats in Amsterdam-Zuid, ooit eigendom van een flamboyante huzarenritmeester. Later schonk hij de villa aan een prominente cultureel leider, die er in het hoofdgebouw een gymnasium opende na overleg met de vrouw thuis, uiteraard. De aanbouwen en werkplaatsen werden omgetoverd tot ateliers. Geschiedenis had het leven op deze plek dooreengeschud, maar nu woonden Vera, Irma en hun vriendin Tineke nog altijd in het laagbouwgebouw, dat, ironisch genoeg, ooit als stallen dienst deed. Het grootste deel van de bewoners was allang vertrokken naar modernere flats, maar deze dames hielden stand, verscheurden elk koopbod, aanbod tot ruil of verhuishulp brutaal in stukken.
Natuurlijk zagen projectontwikkelaars en eigenaren van kleine bedrijven in deze plek hun kans schoon midden in Amsterdam, historisch grondgebied, vlak bij het Vondelpark, op loopafstand van De Hallen. Natuurlijk, het hoofdgebouw was nu een kunstschool, maar er waren altijd wel bijgebouwtjes of hofjes die nog niet verkocht waren aan betrouwbare handen.
Toch hielden de fragiele, broze dames hardnekkig vast aan hun hokjes. Hun levens waren hier verlopen, dus hier wilden ze ook sterven.
Zullen we even bij Tineke langsgaan? riep Vera opgewekt. In haar handen een doos met appeltaart. Even feliciteren.
Wat zeg je? Zeg het nog eens, ik versta je amper. Veer, kijk me aan, dan kan ik liplezen! Irma trok aan haar mouw. Ze schaamde zich voor haar slechthorendheid, was bang dat Vera eens boos zou worden, zou schreeuwen en haar zou achterlaten. Natuurlijk, het was lastig, Veratje was geen heilige
Maar Vera stopte, kwam dichterbij en begon rustig, zorgvuldig te articuleren.
O ja. Tineke had ons inderdaad uitgenodigd Dat weet ik nog! knikte Vera tevreden. Even was de spanning weer verdwenen: op naar Tineke!
Tineke van Rooijen was arm, bedlegerig. Vandaag was het haar feestje: de verjaardag van haar dochter Linde. Linde zelf was al lang volwassen, werkte in een marketingbureau en kwam zelden thuis. Ze zouden het in het weekend vieren, maar dat plan was weer verzet. Tineke was haar dochter niet kwalijk.
Het is mijn eigen schuld, bekende ze toen haar bezoek eindelijk aan de feesttafel zat. En niet over mijn dochter praten, graag! Ze stak snel haar vinger op, maar niemand was iets slechts van plan. Linde hoorde er gewoon bij, altijd alleen maar positief!
Vera wreef zacht over haar trillende, magere hand. Diezelfde hand waarmee Tineke als meisje nog het onkruid uit het tuintje achter de villa trok, toen haar moeder in de hongerdagen na de oorlog groenten probeerde te verbouwen. Die hand had ooit met moeite een zware schep vastgehouden, zichzelf door Amsterdamse kleigrond gegraven en daarna, teder, als ware het een kuikentje, zaaigoed in de groef gestrooid. Het leven was zwaar toen. Honger, armoede. De moeders werkten in ziekenhuizen, de meisjes waren veel alleen. Ze aten wat er was. Als er brood mee naar huis kwam, soms wat boter al smaakte dat altijd een beetje vreemd, zaagselachtig. Maar ze klaagden niet: het was overal zo. Maar zij hadden een tuintje! Met hulp van Oom Pros, een oude tuinman uit het blok verderop, geraakten ze aan zaadjes. Die man werd ondanks ruzie met buren toch voor hun drieën zacht van aard. Jong zijn was hun kracht: hun nieuwsgierigheid hielp tegen de zwaarte.
Kom eens hier, had hij Veratje geroepen. Hier meiden, zaadjes! Planten maar, lekker smullen straks. Ik kom geregeld helpen hoor.
Ze geloofden er geen barst van. Maar toch, er groeiden zowaar twee stronken kool, de komkommers slingerden zich over het pad tussen zoemende bijen, onder de grote bladeren. Alleen de peterselie deed niets, die kwijnde weg.
Oom Pros mopperde wat af ze hadden de oogst verknald, geen liefde voor de tuin! Maar na zijn tirade bracht hij ze toch een plak krentenbrood, veegde hun neuzen af.
Als dit allemaal voorbij is, dan maken we samen een tuin waar iedereen jaloers op zal zijn!
Maar Oom Pros leefde de oorlog niet uit. Ze zagen hem weggedragen worden, dode lichamen waren een dagelijks gegeven, maar als het iemand was die je vertrouwde… Was het zoveel erger. En hun vaders? Die kwamen nooit meer thuis. De tuin maakten ze zonder hen.
Nu zat Tineke, oud geworden maar nog altijd in datzelfde huis, in haar rolstoel; Vera wreef haar hand, Irma schikte het vlees en sneed komkommers. Op tafel stonden borrelglaasjes Tineke hield wel van cranberrylikeur, ze zou haar buurvrouwen trakteren en proosten op Linde, op haar eigen verlamde benen, dat de Hollandse winter de botten niet te hard zou teisteren.
Het verlies van haar loopvermogen was stomtoevallig en zo zuur. Eén verkeerde stap op de gladde stoep in de winter, ze viel, leek niet eens zo ernstig maar de volgende ochtend: niks. Haar benen bewogen niet meer. Paniek, ze kon niet bij de telefoon, kon haar dochter niet bereiken. Misschien, als ze uit bed was geslopen… Maar haar kracht liet het afweten. Tineke was breder en zwaarder geworden met de jaren. Artsen spraken over hormonen, schreven pillen voor. Ze wist: het is ouderdom, punt.
Ze hoorde Vera buiten duiven voeren een van haar terugkerende rituelen. Daarna liep haar schaduw langs de ramen alles lag bijna op maaiveldniveau, s winters steenkoud. Iedereen die langsliep was zichtbaar als op een tv-scherm.
Daar gaat Vera, boodschappen doen,’ glimlachte Tineke somber. Irma zal zo ook wel opduiken. Die slaapt altijd graag uit.
Vraag om hulp durfde Tineke lang niet. Ze lag in de kou, oktober blies de warmte door het open raam weg. Ze had honger, moest naar het toilet
De buurvrouwen maakten zich zorgen. Tineke die s ochtends geen radio aan had? Onmogelijk! Ze stond altijd bij het krieken van de dag op, alsof er een klok in haar lijf zat.
Zij en Irma tikten op de deur, toen kwam de huismeester, die uit zichzelf aanbood de deur open te breken.
De gammele houten voordeur gaf het op onder zijn duw. De huismeester rolde als een bowlingbal de kamer binnen, Irma erachteraan, vervolgens Vera.
Tineke! Waar ben je? Zeg nou wat! riep Irma, van schrik en angst zo goed als doof. Alles voelde als een waas.
Daar lag Tineke. Snel werd de huismeester weggestuurd.
Wat een schande! Meiden, kijk niet naar me, ga maar weg jammerde Tineke, maar de handen van Vera verschoonden haar bed, wasten haar, trokken verse kleren aan. Vera had eerder voor haar verlamde man gezorgd, een restaurateur die van de steiger was gevallen. Die man was acht jaar geleden al overleden, en ze had verdriet én opluchting gevoeld.
Hij heeft genoeg geleden, sprak ze bij het graf. Nu heeft hij rust, daarboven wordt hij weer als nieuw.
Waarom de zuinige, zure man van Vera naar de hemel zou mogen, begrepen haar vriendinnen niet. Maar ze gingen haar niet tegenspreken.
Tineke werd opgenomen. Diagnoses, geen hoop Ze huilde zich door de nachten, zichzelf beschuldigend, haar lotgenoten op zaal vertellend dat God haar straft.
Maar waarvoor dan?! klonk het verbaasd door de kamer.
Er was inderdaad van alles geweest. Op haar negentiende kreeg Tineke een dochter, een gevlekte, roodharige meid. Uit grote liefde voor een jongen uit een parallelklas. Jonge liefde, samen huiswerk maken, en toen gebeurde wat Tineke haar vriendinnen nauwelijks durfde vertellen. School klaar, en ze ontdekte dat ze zwanger was. Haar moeder sloeg haar snikkend met een theedoek om haar oren, stuurde haar halsoverkop naar het ziekenhuis. Maar daar moest ze gewoon bevallen: Als het zo is, dan maar zo. Haar moeder probeerde de artsen te betalen wie wilde voor haar een oplossing zoeken? Te laat. Tineke vluchtte naar een tante op het platteland, droeg Linde, werkte in de melkveehouderij. Haar moeder kwam af en toe. Ze leerde haar kleindochter langzaam waarderen.
En de vader? Die trok zijn handen eraf. Waarom zijn toekomst opgeven? Studie, carrière, misschien een diplomatieke post in Brussel Tineke en Linde pasten daar niet bij.
Toen Linde tweeënhalf was, nam moeder haar en Tineke terug mee naar hun huis in de stad. Vera en Irma werden geweldige surrogaat-omas. De kleine Linde ging van het ene huisje naar het andere altijd werden haar stappen gevolgd door drie paar ogen.
Het was maf, vonden de vrouwen. Gisteren nog een meisje, nu een moeder. Alsof dat haar op een voetstuk plaatste. Maar ze hielden van Tineke zoals ze was, uitgeput en toch trouw.
Tineke haalde via avondonderwijs haar diploma, werkte, voedde Linde op, begroef haar moeder toen Linde negen was.
Toen kwam er een buitenlandse delegatie op bezoek bij haar drukkerij. Daar stond hij: een knappe Fransman. Geen enkel waarschuwingsgesprek haalde wat uit. Liefde veegt alles van tafel!
Vera en Irma vielen van hun stoel als Pierre weer eens met grote cadeauverpakkingen uit Parijs op de stoep stond jurken, poppen, servies, alles voor de kleine meid. En op een dag vroeg hij Tineke mee naar Frankrijk.
Stel je voor, een villa net buiten Parijs, eigen kamer Tineke ratelde vol dromen.
Maar Linde dan? vroeg Vera direct.
Zij blijft voorlopig in Nederland, ik regel alles voor haar, kom later terug probeerde de bruid zichzelf wijs te maken. De bruiloftmuziek speelde haar hoofd vol, stemmen van vriendinnen verdwenen naar de achtergrond.
Mam, waar is mijn ticket? Linde keek haar recht aan. En wat moet ik op school zeggen, dat ik
Je blijft hier, Linde. De reis is nu te zwaar voor je. Ik kom je ophalen zodra ik alles geregeld heb, tot die tijd woon je bij
Het geluid van een brekende vaas, cadeau van Pierre, deed Tineke verschrikken. Linde gooide hem dwars op de houten vloer, daarna volgden bekers, borden, alles in gruzelementen.
Later zei Linde tegen Vera dat ze zich op dat moment gewoon door midden gescheurd voelde. Alsof iemand haar keel dichtkneep, geen lucht kwam er nog in. De handen tastten meteen naar steun, maar raakten enkel leegte, en haar ogen werden zwart van verdriet.
Je moeder komt terug. Geloof me, ze houdt het niet vol zonder jou. En dan mag jij beslissen of je haar vergeeft. Ik zal je niet vertellen of je het moet goedpraten of niet. Maar we leefden zo lang zo grijs, dat je makkelijk valt voor de belofte van iets mooiers. Het is vrouwenzwakheid, had Vera gezegd.
Zelf had ze eens een blauwtje gelopen door verlangen naar iets moois: een mevrouw op straat beloofde haar een prachtige bontmuts te verkopen. Vera betaalde, kreeg een zakje en werd naar huis gestuurd. Daar bleek het vol oude lappen. Geen muts, geen schoonheid. Het verlangen naar luxe liet haar in de kou staan.
Tineke vertrok. Linde zwaaide haar niet uit, beantwoordde haar brieven niet. Tineke hoorde slechts via karige berichtjes van haar vriendinnen wat haar dochter deed.
Ze keerde na een halfjaar weer terug een eeuwigheid voor een puber. Linde haatte haar, gooide alle cadeaus bij het afval.
Ben je dan wenigstens getrouwd? vroeg Irma zacht.
Nee schudde Tineke haar hoofd. Pierres familie vond het met een kind veel te ingewikkeld, vroegen me of ik afstand wilde doen van Linde “geen probleem”, noemden ze dat. Kun je je dat voorstellen? Pierre stond daar gewoon achter. Toen heb ik hun villa bespuugd en ben terug naar huis gegaan. Denk je dat Linde me ooit vergeeft?
Irma haalde haar schouders op, dacht even na, zei uiteindelijk:
Later. Ze moet ouder worden, zelf pijn ervaren, verliefd worden. Dan snapt ze het misschien een beetje. Maar ik, Tineke, vergeef jou nu nog niet. Het was dom en hard van je, excuseer mijn eerlijkheid.
Toen waren Vera en Irma zelf al getrouwd, elk met een zoon, en geen haar op hun hoofd die eraan dacht om zelfs maar een paar dagen de kinderen te verlaten.
Voor deze zonde voelde Tineke zich gestraft. Daarom werkte haar halve lijf niet meer.
Linde nam een oppas voor haar moeder, maar die verzorgde haar koeltjes en puur zakelijk. Tineke klaagde niet, ze had iemand nodig. Op een dag liet de oppas haar per ongeluk met kokend water in plaats van lauw sop achter. Tineke krijste, huilde, haar rug brandde, de oppas sloeg op de vlucht. Naakt met helse pijn bleef Tineke achter in de badkamer.
De muren tussen de woningen zijn dun. Vera hoorde haar schreeuw. Zij en Irma hadden een reservesleutel. Ze redden haar, verzorgden haar huid. Vera werd voortaan Tinekes steun en toeverlaat.
Nee hoor! Dat kun je niet maken! Ik betaal je wel wat! sputterde Tineke.
Zeg, waar slaat dat op! siste Vera. Stop die euros maar lekker in je spaarpot! Echt, Tineke, je ben vreemd bezig.
Schaamte? Waarvoor? Ze hadden samen gebaad, samen gewacht bij de huisartsenpraktijk, ze kenden alle moedervlekken van elkaars lichaam. Ze hadden elkaar altijd geholpen, geschuild voor bommen tijdens de oorlog, één lichaam als schild voor de ander. Zou je dan na zon leven geld gaan vragen? Echt niet.
Geldkwestie opgelost. Vera zat bij Tineke, dan weer met Irma de stad in. Irma kon nog weleens zomaar voor een auto lopen of stond verstijfd bij het oversteken; Vera pakte haar arm, samen de Amstelveenseweg of de grachten op. Ze maakten mooie wandelingen over de Prinsengracht, naar het Oosterpark, of zaten in stille binnenhofjes te kijken naar spelende kinderen. Ze mijmerden over vroeger, hun zonen spelend in de hoge lindebomen van het centrum. Overal in Amsterdam staan linden, hun bloei maakt je beneveld van de geuren. Irma bewaarde altijd een voorraadje, wist precies hoe je het moest drogen én zetten voor hun lindebloesemthee-avond. Daarmee zaten ze steevast bij Irma thuis, in de piepkleine keuken, aan de ronde tafel, met ieders mooiste servies. Iedereen nam iets bijzonders mee. Als hun deugnieten de boel niet verpestten, was het een culinair festijn; anders gewoon gezellig en lekker.
Ze dronken thee, keken op de tuin achter het raam, zwijmelden bij de trillende linden onder het zomerlicht. Daar kwamen al hun verhalen los: Tineke over Parijs, Vera over de kunstenaars uit het museum waar ze werkte, Irma over de chemische fabriek in IJmuiden. Zij zweeg het meest, haar gehoor werd al slechter, bang dat haar vriendinnen daar iets van zouden merken.
Tijdens de oorlog kreeg Irma een granaatscherf bijna in haar oor, haar hoofdpijn was legendarisch ze dacht als kind dat haar hoofd zou barsten als een watermeloen vol zoet, plakkerig sap. Ze klemde haar handen eromheen, zijn moeder was er niet, dus zelf maar voorkomen. Iedereen ging er stil achteruit.
Ze ontmoette haar man Jan op de fabriek. Twaalf jaar ouder, het gezicht verbrand.
Waarom zou je met mij willen? vroeg hij, zijn litteken verborgend. Je vindt straks toch een jongere, mooiere vent. Dat overleef ik niet, Irma, dat trek ik niet
Toen ze trouwden, hield Jan haar die eerste nacht de hele nacht in de gaten alsof hij zeker wilde weten dat ze bij hem bleef. Hij luisterde naar alles: de klok, de muis onder de vloer, regen op het dak, haar ademhaling. Pas bij zonsopgang sliep hij in, terwijl Irma aan zijn zijde opkeek. Jan was haar enige, zijn littekens en grijze slapen deden haar niets: zijn ogen bleven eeuwig die van een kwajongen.
Hij stierf jong: 55 jaar. Ging slapen, werd nooit meer wakker. Irma huilde zwijgend, haar tranen droegen ze weg, bang dat ze zout waren, dat hij het zou voelen.
Zoon Egbert haalde de buren erbij, die sleepten Irma weg, en namen de jongen zelf in huis. Samen rouwden ze. Linde, die het verdriet van zo dichtbij aanschouwde, besefte ineens hoe dierbaar haar moeder was. Zo begon ze vergeving te schenken, stapje voor stapje haar moeder, de mislukte Parijse dame, weer toe te laten.
Veras man was nooit populair bij de vrouwenkring. Hij legt alles mooi uit, maar in het echt stelt het niets voor! Tineke zei altijd: hij rekende, koos, beloofde, kwam nergens toe. Nieuwe gordijnen? Vast ooit. Eerst sparen voor een koelkast. Uiteindelijk verscheurde hij het koopwon-bonnetje en mopperde vooral over geld.
Als het eenmaal zover was, mopperde hij: te duur, onnodig. Vera wachtte thuis. Alles stond klaar Maar haar man kwam brommend thuis: Dat laat ik niet gebeuren Ik ben het niet eens.
Waarom ben je met hem doorgegaan? vroeg Irma, toen de man weer eens tegen niks kon kiezen.
Ik was bang dat niemand anders voor mij zou kiezen. Jullie zijn allebei mooi. Ik? Ik voel me net een muis, wie wil mij nou? snikte Vera.
Scheiden! riepen haar vriendinnen in koor. Je hebt het recht op een leven!
Dat kan niet. We hebben een zoon. Ik mag het gezin niet breken omdat ik teleurgesteld ben in een man. Michiel houdt van zijn vader. Die snapt het niet, nee, nee, nee
Irma en Tineke trokken wenkbrauwen op, maakten ruzie met haar man, morden. Maar opeens bloeide Vera op, lachte, liep door de straat als een bootje op de gracht.
Wat is er met je? vroeg Irma streng. Hoe kun je blij zijn met zon man?
Vera draaide zich verlegen om, bekende:
Ik ben verliefd. Er is iemand die voor me zorgt. Nu begrijp ik pas wat het betekent om op een man te leunen
Ze barstte in tranen uit, Irma schudde haar hoofd. Met haar principes zou Vera nooit scheiden. Het zou haar en haar minnaar alleen maar pijn doen.
Die verhouding was langdurig. Het eindigde pas toen Michiel ging studeren en zijn vader Veras man een beroerte kreeg op zijn werk, van de steiger viel Hij kwam zijn bed niet meer uit. Vera zorgde voor hem, voelde zich schuldig, vroeg hem om vergeving, hij kon alleen nog mompelen.
Toen hij stierf, deed haar minnaar een huwelijksaanzoek. Vera sloeg het af.
Michiel zal mij niet begrijpen, zei ze zacht. Dat voelt als verraad. Ik heb al teveel schuld tegenover André.
De man vertrok voorgoed uit Amsterdam, zonder afscheid. Hij kon Vera niet uit haar cocon van spijt trekken. Wat jammer! Hij had haar zoveel gebracht koelkast, eetkamerset, handige kleding voor Michiel maar nooit werd hij de heer des huizes. Jammer.
De jaren gingen, de vrouwen werden ouder, het hoefijzervormige huis raakte verder in verval. In de kunstschool groeiden talenten, artiesten, muzikanten. Hun onzekere beginselen werden door drie oude dames bijgewoond op concerten: Tineke in haar rolstoel, omhuld door een plaid en gekleed in fluweel met kantkraag; Vera recht, met keurige kapsel en donkerbruin jurkje, ceintuur van kraaltjes, en Irma, vooral ter gezelschap, nooit veel horend, gekleed in grijs, soms zwart, met haar versleten handtas en vredige blik regelmatig werd ze voor een verdwaalde beroemde pianist aangezien.
Alle drie droegen ze kanten handschoentjes, een knipoog naar Tinekes Parijse verleden.
Jij hoeft jezelf niet zoveel te verwijten, Tineke, zei Vera op een dag, terwijl ze de taart sneed. Linde is allang volwassen, moeder, vrouw. Zij kent die Liefde. Pierre mag ze verachten, terecht, maar jou houdt ze van.
Ja, ja! knikte Irma. De jeugd is hard, maar vergeven, dat leren we als we ouder worden. Linde was verloren, snapte het niet. Nu weet ze meer. Maar je Pierre blijft een kwal, hoor.
Nog een keer zetten ze de waterkoker aan. Geen ouderwetse koperen ketel uit het bos, wel warm op hun plekje. Hij reflecteerde hun jonge moeders, hun verleden een erfstuk om te koesteren.
Buiten ritselde de regen op de platanen; ieder moment kon de eerste nachtvorst de tuin zwart maken. De herfst hing in de lucht maar bracht nu nog warmte.
Op dat moment kwam op het natte binnenpad een auto de hof oprijden. Koplampen flitsten, gingen uit. Hakken tikten richting voordeur. Tineke hield haar adem in.
De bel klonk. Vera opende de deur, liet Linde binnen, gaf haar een kus, knikte richting keuken.
Je wordt verwacht. Ga, meisje. Gefeliciteerd met je verjaardag, schat!
Linde bracht haar moeder dahlias, donkerviolet met gele harten. Achter de grote bos bleef de jarige onzichtbaar en huilde. Ze huilde, want geloven dat ze al lang was vergeven kon ze niet. Of vergaf ze zichzelf niet en was ze toch blij. Haar dochtertje is vandaag geboren, een klein roodharig meisje, als een katje in een roze deken. Ware geluk.
Als je vandaag achter de ramen kijkt van de lage, hoefijzervormige woning achter de villa van de huzar, zie je drie oude dames lachen, koffiedrinken, mijmeren. Ze wachten op kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen iedereen die hun leven nog kleur, geur en betekenis geeft. Ze zullen ooit verdwijnen in de tijd, maar nu, nu omarmen ze hun geliefden. Dat is pas onbetaalbaar.







