Verrassing van de ex
– Bart, wacht even! riep Maartje uit het open raam.
Maar Bart hoorde haar allang niet meer.
Hij was al in zijn auto gestapt en had de motor gestart. Maartje greep haar telefoon en rende richting de deur.
Terwijl ze als een dolle van vierhoog naar beneden stoof, probeerde ze hem steeds te bellen. Geen gehoor. Niet op nemen, ook dat was typisch Bart.
En het enige wat ze kon denken was: Als ik maar op tijd ben!
De Nederlandse goden hadden haar verhoord, want toen Maartje als een wervelwind de straat op stoof, stond Bart nog te wachten tot zijn auto eindelijk een beetje op temperatuur was.
Hij keek stomverbaasd toen Maartje in haar trui zonder jas naar buiten stoof en liet zijn raampje zakken: Wat is er met jou gebeurd? Je lijkt wel een lijk bleke kaassoufflé!
– Onder je auto… er zit…
Maartje was zo buiten adem dat ze amper iets kon uitbrengen. In plaats van uitleg rolde ze dramatisch op haar knieën onder de auto.
Geen seconde dacht ze aan haar natte kleding of de bagger van gesmolten sneeuw in Amsterdam nood breekt wet.
Toen kwam ze weer tevoorschijn, triomfantelijk, maar smerig, en met een magere oude kater in haar handen. Bart stond ernaast, compleet verbijsterd.
– Maartje, wat dóé je nou weer? Wat moet dat hele cabaret van je? Ik ben al te laat voor werk!
– Er zat een kat onder je auto! Ik zag hem nog net! Straks had je m doodgereden!
– Een kat? Daar maak jij zon drama over? Tjongejonge…
– Sorry, denk je dat katten geen zin in het leven hebben? Maartje keek hem hoofdschuddend aan.
– Kom op zeg Als ie echt had willen leven, dan was ie wel weggeweest. Zodra hij een motor hoort, sprint ie toch weg? Jij maakt je druk om niks
– Echt niet, Bart. Kijk nou naar hem: hij heeft nog geen puf om te miauwen. Jij denkt dat hij weg kon rennen?
– Nou ja Oké dan. Heldin van de dag, je hebt een kat gered. Trakteer jezelf maar op een Wilhelmina-pepermuntje als je straks thuis bent, en gooi er een Insta-post tegenaan. Ik moet nu echt naar werk. Zie je vanavond!
Maartje bleef met de kat in haar armen voor zich uit staren terwijl Bart wegreed. Haar natte broek vond ze ineens niet meer zo belangrijk.
Waar komen zulke koude kerels toch vandaan? Ze had dat nooit echt gezien aan Bart.
Ze keek de kater in zijn halfdichtgeknepen ogen. Die beestjesogen was dat dankbaarheid? Ja, zeker weten. Hartje winter, deze magerlap had haar nodig. Opeens wist ze: ik laat je niet stikken, vriend.
Samen gingen ze terug naar boven. Ze trok droge kleren aan, pakte haar pinpas, tikte snel 30 euro van haar ING-rekening over naar haar spaarrekening (je weet maar nooit) en bestelde een taxi.
– Waar naartoe? vroeg de taxichauffeur opgewekt toen Maartje en haar kat instapten.
– Dierkliniek, alsjeblieft. En graag een beetje snel.
– Ha, naar de kliniek! Had je al gebeld ja. Wat heeft je poesje, als ik vragen mag?
– Genoeg. Hij heeft dringend hulp nodig.
– Ik snap het hoor. Even geen vragen verder. En trouwens, ik ken een goede kliniek een paar straten verderop. Maakt het je uit?
– Als het de beste is, graag!
– Dan gaan we daarheen. Daar slepen ze beesten letterlijk uit de dood, dat zijn echte dierenredders.
Kwartier later zat Maartje in de volle wachtkamer van de dierenkliniek, balancerend tussen blaffende honden en opgeluchte konijnenmoeders.
– Wat heeft die van u? vroeg een lieve oma met een keffer op schoot.
– Geen idee nog, – zuchtte Maartje. Lag onder een auto, vast de hele nacht in de kou…
– Ach kind… schrok de oma. Spring maar voor, hoor! Wij zijn alleen hier voor de jaarlijkse check van Tommy. Jij bent duidelijk dringender.
– Echt waar? U bent een schat!
Eindelijk was ze bij de dierenarts, waar ze stukjes van haar stoel beet, zo gespannen was ze.
De arts bekeek Ouwe Loek zo had ze hem in gedachten al genoemd en deed onderzoekjes. Ze moest wachten op de uitslagen. Tijd kroop als koude stroop.
Bart belde een paar keer, maar Maartje nam niet op. Ze had geen tijd voor zijn kouwe klets vandaag.
– Mevrouw, – zei de dierenarts na een tijdje, bezorgd. Deze kat is ernstig onderkoeld, maar dat is niet het grootste probleem. Hij mankeert van alles, zal lang moeten aansterken. En… goedkoop wordt het niet. Heeft u daar goed over nagedacht? Kunt u die verantwoordelijkheid nemen? Anders gaan we zoeken naar een nieuwe eigenaar.
Maartje had zoiets natuurlijk niet verwacht. Ze keek de kat aan.
Hij hield haar blik vast. Vroeg niks, eiste niks, keek alleen. Als je me laat gaan, begrijp ik het, leken zijn ogen te zeggen.
– Ik doe het! hoorde Maartje zichzelf ineens zeggen. Ik blijf voor hem zorgen, hoe lang het nodig is. Mijn hele leven desnoods.
– Grote klasse, – glimlachte de dierenarts. Dan houden we hem een paar weken hier voor behandeling en daarna krijgt u instructies mee.
– Dank u wel, – snikte Maartje bijna.
– Nee, ú bedankt. Zulke mensen kom je niet vaak meer tegen.
Maartje beloofde Loek dat ze hem snel zou komen halen. Ouwe Loek keek haar zo dapper aan, dat-ie zelfs een piepklein kraakmiauwtje wist te produceren. Knappe Loek.
Pas tegen de avond was Maartje thuis. Ze was zo moe, ze wilde niets liever dan slapen. Morgen moest ze tenslotte weer de NS-trein naar werk pakken. Maar nee hoor daar stond Bart haar al op te wachten, met zo’n gezicht waarmee je in Nederland normaal gesproken alleen een tikkie stuurt.
– Maartje! Waar zat je uit te hangen? Ik heb je tig keer gebeld. Wat is dat nou weer voor poppenkast?
– Sorry, ik had een zware dag, – zuchtte Maartje terwijl ze haar jas uittrok en Barts schoenen keurig in het schoenenrek zette (want die liet ze nooit slingeren).
– Grappig Je hebt nota bene een dagje vrij Wat heb je in vredesnaam uitgevreten dat je zo moe bent?
– Ik heb de hele dag met die kat bij de dierenarts gezeten.
– Wat?! Welke kat in vredesnaam?
– Die van vanmorgen, onder je auto Eerlijk Bart, ik ben kapot. Zullen we er morgen over praten?
– Nee joh, wacht even! Heb je serieus ál die uren aan een zwerfkat verspild?
– Boeien of hij zwerver is of niet, – Maartje kon haar ergernis niet langer verbloemen. Dat beest had hulp nodig. Anders was hij dood geweest.
– En ik dan? Ik sterf gewoon van de honger hier! Kom thuis: geen Maartje, geen eten.
– Bart, je bent geen kleuter in de vriezer ligt nog stamppot, maak er wat van. Ben je bijna dood van de trek, dan moet er gegeten worden, toch?
– Stamppot?! Wat ben ik, een uitkeringstrekker? Ik heb de hele dag gewerkt, ga ik toch niet zelf koken!
Maartje, tot op het bot verkleumd en doodmoe, ging toch de keuken in om een degelijke Hollandse maaltijd voor hem te maken, precies zoals meneer het lust.
Bart verdiende die moeite totaal niet. Maar ja, zij had geen zin in ruzie aan haar hoofd. Hij bedankte haar niet eens…
Twee weken later mocht Maartje eindelijk Loek ophalen uit de kliniek en bracht hem, met nieuw kattenspul en brokjes, naar haar flat.
Ze had alles in het geniep gekocht, want je weet hoe Bart kan reageren. Ze durfde nauwelijks te zeggen dat Ouwe Loek nu bij hen zou wonen. Maar de woning was van háár en Bart was niet meer dan een soort kamergenoot met extra gebakken lucht. Aan een aanzoek had hij nooit gedacht.
Gek genoeg dacht ze dat Bart het wel zou snappen. Maar nee hoor, hij schoot acuut in een ouderwetse Nederlandse driftbui.
– Jij… Jij hebt die kat in huis gehaald?! Ben je nou helemaal? Misschien toch een steen tegen je kop gehad toen je onder mn auto kroop!
– Rustig Bart. Ik héb hem gered, dus nu zorg ik voor hem, klaar.
– En wat kost dat allemaal wel niet? En hoeveel ga je nog kwijt zijn aan die zwerfkat?
– Wat maakt het uit? Het is mijn geld. Jij loopt ook niet met bonnetjes naar mij te zwaaien. Je koopt zelden eten, maar wel altijd lekker mee-eten.
– O ja, maar mijn auto kost ook geld, hè! En op werk loopt het niet lekker. Maar laat het nu over die kat gaan, niet over mij.
– Hij heet Loek, trouwens.
– Heb je ook al een naam bedacht? Zoek hulp Maartje, je hoofd zit niet goed vandaag!
Die nacht sliep Maartje apart gelukkig was haar appartement ruim zat. Ze dacht na. Over Bart, en hun relatie die toch al langer rammelde als een oude Gazelle-fiets. Hij was steeds veeleisender, vernederde haar, schreeuwde soms. Dit kon zo niet. Was dit het waard?
Ze besloot hem nog één kans te geven want Hollanders blijven tenslotte altijd hopen op overleg. Maar Bart greep die kans als een natte haring: totaal niet.
Hij bleef klagen over Loek, zei steeds weer dat hij terug naar buiten moest. Maartje luisterde aandachtig, trok haar conclusie en zei op een avond:
– Bart, ik hou niet meer van je. Jij van mij ook niet. Laten we ophouden elkaar te kwellen.
– Wat bedoel je daar nu weer mee?
– Je pakt morgen je spullen en vertrekt. Ik ben je dramas zat. Rust in huis, daar snak ik naar.
– Dus omdat jij stiekem een kat binnenhaalt, ben ík de tiran? Zo kun je niet tegen mij doen!
– Als jij niet kunt leven met een kat, ga dan gezellig naar een vrouw zonder katten. Of, beter nog, koop een eigen woning en bepaal daar de regels.
Ze had morgen een vrije dag, dus geen beter moment om een ex uit te zwaaien.
Bart probeerde haar nog op andere gedachten te brengen, maar zodra Loek ter sprake kwam, ging hij steigeren als een boze pony op Koningsdag. Maartje wist: met deze man komt het nooit meer goed.
Die dag pakte Bart pas tegen lunchtijd zijn spullen. Maartje duwde hem vriendelijk richting voordeur; hij stelde het afscheid zo lang mogelijk uit. Die kerels toch altijd met hun hoop…
Maartje zat aan de thee toen haar baas belde: of ze alsjeblieft meteen naar kantoor kon komen, want er was acute crisis bij de gemeente.
– Maartje, schat… Ik weet dat je vrij zou zijn maar we hebben je nu nodig.
– Mevrouw de Vries, dit komt zó slecht uit… Ze keek even snel naar Bart, die wrokkig zijn sporttas dichtpeesde en daarbij zijn oude game-PC wilde meenemen.
– Maartje, alsjeblieft. Het duurt maar een uurtje. Ik zou je niet bellen als het niet belangrijk was.
Met een diepe zucht dronk ze haar thee op, gaf Bart de instructie om zijn sleutels in de brievenbus te gooien en vertrok.
Na veertig minuten was ze alweer klaar en stapte in een taxi.
– Hoe gaat het met uw kat? vroeg de chauffeur, die haar meteen herkende.
– Beter, gelukkig. Rij snel, alstublieft, ik moet naar huis.
De chauffeuse lachte breed en trapte het gaspedaal in.
Eenmaal thuis checkte Maartje de brievenbus: geen sleutels, geen auto, geen Bart. Zeker nog niet vertrokken, dacht ze. Maar toen ze haar deur naderde, schrok ze: op slot! Sleutels pasten gewoon, dus snel naar binnen… maar geen Bart meer, en geen Loek!
De sporttas, computer en klusspullen: weg. Alles opgeruimd, fris Hollandse schoonmaak.
In paniek stormde ze haar slaapkamer in Loek weg. Ook het kattenmandje! Ze zocht, riep, fluisterde, maar niks. De geur van kattengrit en wanhoop. Bart had Loek meegenomen! Maar waarom?!
– Bart! Hoe bedenk je het: waarom neem je Loek mee?! schreeuwde Maartje hysterisch toen hij eindelijk opnam.
– Waarom… waarom… Ach, gewoon een verrassing, Maartje! Kom je op handen en knieën terug? Misschien geef ik hem dan terug!
– Snap je niet dat Loek speciaal voer nodig heeft? Je mag hem niet zomaar meenemen!
Maartje riep nog wat, maar Bart had al opgehangen.
Waar moest ze zoeken? Bart was van oorsprong uit een dorp ergens in Noord-Brabant, maar had nooit willen zeggen waar precies. Hij was nooit eerder zo onvoorspelbaar geweest.
Maartje sliep die nacht nauwelijks en ging de volgende dag direct naar Barts werkplek.
– Hij heeft vrij genomen, – zei zijn chef nuchter. Wat is er aan de hand?
Maartje legde het grofweg uit, en de chef beloofde Bart tot orde te roepen zodra hij weer op kantoor zou verschijnen.
Terug buiten, haar hoofd tolde, belde ze Bart opnieuw mobiel uit.
– Mag ik u ergens heen brengen? hoorde ze ineens een stem.
Ze schrok, keek rond, en herkende de taxichauffeur.
– Mag ik met u mee? piepte ze. Naar huis…
Ze was ten einde raad, geen idee waar te beginnen. Maar de chauffeur knikte begrijpend en reed haar naar huis.
Onderweg kreeg ze telefoon van een onbekend nummer.
– Spreek ik met Maartje? klonk het.
– Ja, en met wie…?
– Kijk, Bart, uw vriend, heeft vannacht bij ons thuis geslapen. Mijn man werkt met hem samen. Maar… hij had een kat bij zich. Die zit in een mandje, steeds te miauwen. De arme schat lijkt u heel erg te missen.
– U geeft hem toch geen voedsel? Hij heeft speciale brokjes nodig. Heel belangrijk!
– Ik heb het geprobeerd, hij wilde niet eten. Maar Bart is nu ergens buiten, ik mag hem niet echt. Wilt u uw kat nu meteen ophalen? Het arme beestje kan er toch niets aan doen wat er tussen mensen misgaat.
– Ik kom eraan! Zegt u snel het adres?
Maartje legde vliegensvlug alles uit aan de taxichauffeur, die scherp de file ontweek en zich als Max Verstappen met een BOB-pasje door Rotterdam wrong.
Voor ze het wist, stond ze voor de deur, liep vlug de trap op, bedankte de vriendelijke vrouw hartstochtelijk en nam Loek weer in haar armen terug naar het vertrouwde thuis.
Toen hun flat uit het zicht verdween, was Maartje zelden zo opgelucht geweest. Onderweg huilde ze. Omdat er gelukkig toch veel goede mensen bestaan in dit land: de oma bij de dierenarts, de taxichauffeur, deze toegewijde vrouw.
– Zal ik nog even bij je blijven? bood de taxichauffeur aan. Voor het geval je ex komt spoken?
– Heel graag, – zei Maartje meteen, terwijl ze en Loek eindelijk huiselijk neerplofte.
Nog diezelfde dag belde ze een slotenmaker voor nieuwe sloten. Victor zo heette de taxichauffeur bleef even bij Maartje en Loek. Loek was dolblij met zijn nieuwe vriend, kroop spontaan op schoot en begon te spinnen.
Maartje kon wel huilen van dankbaarheid. Zij en Victor… Dat werd een mooie toekomst, wie weet zelfs liefde, ergens tussen de stroopwafels en de kattenbrokjes door.
En Bart? Die werd bij zijn logeeradres meteen de deur gewezen, nadat bleek dat hij tegen de vrouw des huizes had staan schreeuwen. Vriend voor het leven, mét een mooi blauw oog als aandenken.
Op werk moest hij vertrekken. De chef keek hem aan: En nu het formulier indienen, Bart. Je hebt je kans verspeeld hier.
Uiteindelijk verdween Bart spoorloos terug naar zijn gehucht in Brabant of Groningen geen mens die er echt naar omkijkt.
Dat krijg je, Bart. Zo ga je niet met een ander, en vooral niet met dieren, om. Zelfs niet in Nederland.
En zo won de goedheid. Want wie goed doet, goed ontmoet zeker hier.
Volg mijn kanaal, dan mis je geen enkel kattenavontuur meer.







