De hoop is weg
– Ik hoef je geld niet! riep Marloes in haar boosheid, terwijl ze de verfrommelde bankbiljetten op de houten vloer gooide.
– Het is eigenlijk jouw geld, antwoordde de eigenaresse van de woning kalm. En wat er gebeurd is, daar kan ik niets aan doen. Graag geen scène maken hoor, straks zijn de buren weer wakker.
Marloes wierp haar een vurige blik toe, draaide zich om en liep richting het trappenhuis.
Eenmaal buiten werd alles zwart voor haar ogen. Ze strompelde tot aan een bankje onder de oude boom.
Ze ging zitten, bedekte haar gezicht met haar handen en begon te huilen. Zachtjes, bijna onhoorbaar. En ze verweet zichzelf alles wat ze had gedaan:
“Had ik maar geweten dat het zo zou eindigen, ik was nooit naar die bruiloft gegaan!”
*****
– Marloes, ik ga trouwen! klonk de stem van haar vriendin Annelies door de telefoon. Over een maand is het zover, en dan worden we ook nog in de kerk gezegend. Kom je toch wel?
– Gefeliciteerd, Annelies, echt waar. Ik ben superblij voor je. Maar Marloes zuchtte zwaar.
– Kom op, zeg het nou!
– Sorry, maar het lukt me waarschijnlijk niet om te komen. Ik zou heel graag willen, echt waar, maar
– Hoe bedoel je, het lukt niet? Annelies klonk oprecht verbaasd. We zijn al vrienden sinds de basisschool, samen door dik en dun! En dan zou je op mijn bruiloft niet komen?! Wil je me kwetsen?
– Natuurlijk wil ik je niet kwetsen. Maar een bruiloft met kerkdienst, dat duurt langer dan één dag
– Ja, drie dagen maar! Werk kun je heus wel regelen.
– Daar zit het probleem niet. Het gaat om mijn kat, Sieb. Ik heb niemand die op hem kan letten. En ik kan hem ook niet meenemen, dat snap je toch? Dus
– Nee hoor, vriendin, ik wil er niets van horen! Je moét er zijn. En voor Sieb vraag anders iemand om op hem te passen, er zijn genoeg pensions tegenwoordig. Desnoods help ik je zoeken.
– Ik weet het niet, Annelies
– Je hebt een maand. Stel me niet teleur, alsjeblieft. Jij moet er gewoon zijn!
Na het gesprek bleef Marloes peinzend achter. Aan de ene kant wilde ze haar beste vriendin niet teleurstellen, aan de andere kant wist ze niet wat ze met Sieb aan moest.
Hem alleen in het huis laten? Nooit! Ook niet met weken voer en water. Sieb was een sociale kat, voor hem was een paar dagen alleen veel erger dan een lege etensbak.
Uiteindelijk besloot Marloes toch naar de bruiloft te gaan. Voor Sieb vond ze een lieve mevrouw bij wie ze gerust haar kat achter kon laten.
Tenminste, dat dacht ze.
Mevrouw Liesbeth, met wie Marloes via een advertentie op internet in contact kwam, bood al jaren kattenopvang aan, en beweerde altijd dat ze dieren veilig en gezond weer teruggaf.
Marloes las nauwgezet alle recensies. Die waren positief.
Sommigen keerden zelfs telkens terug bij Liesbeth, schreven ze. En, wel zon geruststelling: Liesbeth had in een dierenkliniek gewerkt en kon zo nodig medische hulp bieden.
Na lang wikken en wegen besloot Marloes het te proberen. Ze maakte een afspraak.
De flat waar ze heen moest, was ruim. Eén kamer, groot en zonnig, was helemaal voor de katten ingericht. Marloes vond het prettig: alles schoon, knus. En Liesbeth was een warme, vriendelijke vrouw.
En, dacht Marloes, Sieb zou zich niet vervelen, want er zaten nog drie katten bij hem. Verveling was uitgesloten.
– Sieb, lieverd, ik ben er maar drie dagen niet. Hou vol, goed?
De jonge kat zette grote ogen op en wreef liefdevol langs haar benen. Marloes wist precies wat dat betekende: opgetild worden en knuffelen. Maar ze moest al gaan.
– Geloof me nou maar, meisje, glimlachte Liesbeth breed. Met Sieb komt het helemaal goed.
– Ik hoop het. Hier, het afgesproken geld, Marloes gaf haar twee biljetten van vijftig euro. Bel me gelijk als er iets is, goed?
– Natuurlijk.
*****
Drie dagen vlogen voorbij.
Annelies straalde, mede door Marloes’ komst, en Marloes gunde haar vriendin haar nieuwe geluk van harte. Ook de kersverse echtgenoot maakte een solide indruk. Betrouwbaar.
Toch dacht Marloes elke dag aan Sieb. En elke dag belde ze Liesbeth:
– Hallo, hoe gaat het met Sieb? Is hij lief? Vervelend? Alles OK?
– Ja hoor, alles uitstekend, zei Liesbeth altijd geruststellend. Hij eet goed, doet netjes zijn behoeftes. Je komt toch over drie dagen alweer?
– Ja Waarom?
– Oh, gewoon zeker weten. Soms blijven mensen langer weg en hoor ik dat last-minute. Maar alles dus volgens plan?
– Ja. Ik zou Sieb nooit langer dan drie dagen bij iemand laten! Ik mis hem elke minuut.
De dag van terugkeer stond Marloes vroeg op, nam de trein naar haar stad en waarschuwde Liesbeth alvast telefonisch.
– Ik wacht op je, zuchtte Liesbeth wat bedrukt.
Onderweg bleef die zucht in Marloes hoofd knagen.
Ach, stel je niet zo aan, wat kan er nou mis zijn? Ze zei dat alles goed was met Sieb probeerde ze zichzelf gerust te stellen.
Toch groeide de onrust. Tot ze bij Liesbeth aankwam.
– Uw kat is weggelopen bracht Liesbeth uit.
– WAT?! Hoe dan!?
– Bovenburen begonnen met verbouwen, er was enorm lawaai. De katten schrokken zich rot. Ik wilde naar de buren om te vragen of ze even konden stoppen, maar toen ik de deur opende, glipte Sieb het trappenhuis in. En, voordat ik het wist, was hij weg
– Waarom heb je niet meteen gebeld?! schreeuwde Marloes. Waarom heb je het verzwegen?
– Ik dacht dat ik hem zelf nog kon vinden. Katten ontsnappen wel vaker, ik ben meestal alleen hier en soms zijn het er wel vijf. Maar ik kreeg hem niet te pakken. Ik heb overal gezocht, online advertenties geplaatst, maar helaas. Maar geef nog niet op, misschien wordt hij nog gevonden.
– Niet opgeven? Hoe kon u dit laten gebeuren? U beloofde dat alles goed zou gaan.
– Neem anders je geld maar terug.
– Ik hoef je geld niet! riep Marloes gekwetst en smeet de biljetten op de grond.
– Het is jouw geld, zei Liesbeth rustig. En dit lag buiten mijn macht. Geen stampij nu, de buren slapen.
Marloes keek haar nog één keer aan, draaide zich om en liep de trap af.
Buiten werd het zwart voor haar ogen; ze sleepte zich naar een bankje. Waarom ben ik toch weggegaan? Waarom liet ik Sieb achter?
Haar gedachten vlogen terug naar die winteravond, lang geleden, vlak voor Oudjaar, toen Marloes na het werk naar huis ging. Plots dook in de schemer een piepklein rood katje op, sprong tegen haar benen, en voordat ze het wist, zat het in haar handen en keek haar verwachtingsvol aan.
Nogal wat, lachte Marloes. Meteen wist ze: mee naar huis, wat anders?
Oud en Nieuw vierde ze met Sieb. Haar vrije dagen, haar hele hart, alles gaf ze aan hem.
He meisje, wordt het niet eens tijd dat je een leuke man vindt, in plaats van weer een rode straatkat naar binnen slepen? grapte haar moeder eens.
Ach mam, de kat was eerst. Een eventuele man weet dat hij op de tweede plaats komt.
Op haar werk vertelde Marloes haar verhaal.
Weet je, meiden volgens mij kiezen katten zelf hun baasje, altijd op een stormachtige dag, of wanneer het vriest, fantaseerde Marloes. Dan duiken ze zomaar op: nat, koud, met die ogen die zeggen: Mag ik bij jou schuilen? En dan kun je geen nee zeggen. Zo neem je zonder nadenken geluk op je arm en draag je het naar huis.
Jij zou boeken moeten schrijven, Marloes, gniffelden haar collegas. Onbegrijpend, want zij hadden zelf geen dieren. Nog niet.
Eenmaal Sieb in huis, was Marloes’ woning gevuld met haren, maar ook warmte, geborgenheid, liefde.
Steeds als ze thuis kwam, zat Sieb al te wachten bij de deur.
Miauw! riep hij blij; wreef zijn pluizige kopje tegen haar. Zijn favoriete plek? Op haar schoot, luid pruttelend, alsof er een Groningse tractor in haar huiskamer stond.
Maar nu wachtte niemand haar op. Geen gemiauw. Geen Sieb meer.
Of, dat hoopte ze: misschien leefde hij ergens. Maar waar?
Kom op, zei ze uiteindelijk tegen zichzelf en stond op van het bankje. Niets doen lost niets op. Ik moét hem vinden.
*****
Hallo! Hebt u hem gevonden?! riep Marloes wanhopig toen één van de vrijwilligers belde.
– Misschien Een mevrouw vond een rode kat, lijkt op jouw Sieb. Ze wacht vanavond op je, ik stuur het adres via sms.
– Dank je wel!
Marloes was zó dankbaar voor alle hulp. In haar eentje had ze het nooit volgehouden.
Vanaf de dag dat Sieb verdween, was er al anderhalve maand verstreken, vreselijke weken waarin ze haar kat zocht op fora, in Facebookgroepen, flyers ophing. Maar Sieb zag ze nergens.
Tot overmaat van ramp had ze amper fotos; alleen die van hem als kitten.
Hij was nu volwassen en veranderd. Misschien daarom zo lastig te herkennen.
Uit de taxi stormend, belde Marloes bij het goede huis aan.
– Wie is daar?
– Marloes, voor de rode kat, de vrijwilliger gaf uw adres.
– Kom binnen.
Tien minuten later stond ze weer buiten, verweesd kijkend rond naar een bankje. Er was er geen in de buurt, dus huilde ze gewoon staand.
De rode kat ja, die leek op Sieb maar het was hem niet. Lieve kat, maar niet haar kat.
– Dan hou ik hem zelf, zei de vindster. Maar voor u veel succes. U vindt uw Sieb vast en zeker. Geef de hoop niet op.
Voor het eerst voelde Marloes jaloezie. Ze vertrok snel, haar verdriet niet langer bij die lieve vrouw willen achterlaten.
De maanden die erop volgden kreeg ze vaker telefoontjes: mogelijk een beeld, mogelijk haar kat telkens voor niets.
Dat was het zwaarste: rennen, telkens de hoop dat erachter haar Sieb schuil ging en dan, weer niet.
Meid, ik begrijp je. Je hield van die kat, sprak haar moeder door de telefoon. Maar je moet door. Er zijn vast meer rode katjes, desnoods bij mij op de boerderij er lopen hier genoeg.
– Dank je mam, maar ik wil geen andere kat
Na een half jaar gaf Marloes het op. Er was geen hoop meer.
Haar enige wens was dat Sieb ergens gelukkig was. Al was het zonder haar als hij maar leefde.
*****
Hoe het nu verder moest, wist Marloes niet.
Ze voelde zich schuldig, kreeg een hekel aan zichzelf. Die bruiloft Was ze dan maar thuisgebleven.
Dan was ze Sieb niet kwijtgeraakt.
En nu nu wist Marloes niets van hem. Niet waar hij was, of hij nog leefde. Die onzekerheid dat was het ergste.
Om het thuis, vol Sieb-herinneringen, uit de weg te gaan, dwaalde ze in het weekend door de stad, liep hofjes en keek bij vuilcontainers.
Ze verwachtte allang haar kat niet meer te vinden, maar kon het ook niet laten.
Op een dag had ze niet door hoe ze aan de rand van Haarlem kwam, waar een dierenasiel stond. “Misschien heeft mama gelijk, moet ik gewoon een andere kat nemen?” dacht ze even.
Die gedachte schoof ze ook weer aan de kant.
“Maar stel dat Sieb tóch ooit wordt gevonden Wat denkt hij dan? Dat ik hem vervangen heb?”
Ze wilde al omkeren toen een medewerkster van het asiel haar aansprak.
– Mevrouw, zoekt u een huisdier?
Marloes schrok op.
– Als u wilt, kunt u onze katten even zien. Het verplicht tot niets, misschien springt er eentje in het oog?
Eigenlijk wil ik niet, dacht Marloes, maar ze kon geen nee zeggen.
– Hier, dit is Simon. En daar verderop zit Boaz. Zijn ze niet prachtig?
– Ja, erg mooi, vond Marloes oprecht.
Voor het eerst sinds lange tijd voelde ze zich plots een beetje lichter. De katten, allemaal zo liefdevol, verwarmden haar diep vanbinnen, alsof hun hoopvol miauwen haar ziel genas. Gek genoeg wilde ze er niet meer weg.
– En daar, wie zit daar? Marloes wees naar de achterste kooi. Zit daar nog iemand?
– O, daar woont onze kluizenaarskat. Zo noemen we hem. Laat niemand toe, niet eens om hem te voeren. Hij kwam hier ruim een half jaar geleden, sterk verzwakt. We hebben hem opgelapt, maar hij blijft star.
Marloes voelde haar hart even overslaan.
– Zou ik hem mogen zien?
– Natuurlijk, antwoordde de medewerkster.
Toen ze naderden, draaide de rode kater zich demonstratief om alsof hij niemand wilde zien.
– Daar zit-ie. Hij keert zich altijd af. Niemand mag dichtbij komen.
Marloes luisterde nauwelijks, keek intens naar de rode kattengestalte en toen
– Sieb? fluisterde ze, haar adem stokte. Sieb, ben jij het?
Langzaam draaide de kater zich om en keek haar aan.
“Nee ik verbeeld het me”
– Sieb! riep Marloes, nu zekerder. Lieve help, je leeft nog! Kom hier, liefje. Herken je me, Sieb?
De kat keek haar lang aan, twijfelde even. “Baasje?”
Ja, nu herkende hij haar haar stem, haar blik, haar geur Maar op haar af rennen deed hij niet.
“Ze heeft me toch verlaten of niet? Of is ze nu gekomen om me weer mee te nemen? Wat zegt mijn kattengevoel?”
Zijn gevoel zei: rennen! En hij rende. Recht op zijn baasje af.
De asielmedewerkster kon het deurtje net open doen, en toen vielen ze in elkaars armen.
Iedereen keek: de medewerkster, de dieren, zelfs de Hollandse wolken hoog boven het asiel leken te kijken. En de zon ook, met een grote glimlach want bij zulke momenten wíl je gewoon glimlachen.
Daarna verliet Marloes het asiel met Sieb in haar armen, beloofd dat ze het asiel zou steunen.
Want zij hadden haar kat geholpen.
*****
Op weg naar huis snorde Sieb luidruchtig als een Groningse tractor en miauwde af en toe, alsof hij vertelde over die enge dag:
“Wat schrok ik! Zoveel lawaai, en jij was er niet. Dus ik ben je gaan zoeken. Maar toen werd ik geschept door een fiets. Wat ben ik blij dat je me gevonden hebt, baasje. Je laat me toch nooit meer in de steek?”
Sieb hield op met snorren, keek Marloes indringend aan.
– Nee, Sieb. Ik laat je nooit meer los. Nooit meer.







