Mijn Geheime Verhaal

Mijn Geheim

Op die koude, veerkrachtige sneeuw liggen het leek zowaar aangenaam. Gisteren was alles nog wat gesmolten, vandaag had het net weer gevroren, dus de sneeuw kraakte zachter dan anders. Maar vanbinnen werd ik verteerd door koorts: bloed pulseerde in mijn slapen, mijn borst gloeide, mijn gezicht stond roodgloeiend en mijn mond was stroef en droog.

Met een bibberige hand schepte ik een pluk sneeuw op, en traag, als een oudje met reuma, spreidde ik mijn kaken en liet de klont kou in mijn mond smelten. Het was even fijn, tot de metaalsmaak alles verpestte. Bloed sijpelde uit mijn gescheurde tandvlees, waardoor ik moest hoesten en slikken. Om me om te draaien en de sneeuw uit te spugen had ik geen kracht meer.

Die sneeuw verdoofde een beetje de pijn daarvoor was ik hem eindeloos dankbaar. Gratis verdoving, Halleluja! Maar de kou slokte de pijn niet helemaal op, hij leek enkel wat verder weg te trekken, richting de roodgloeiende zon die onder de horizon zakte. Kijken naar de ondergaande zon deed ook zeer, het licht prikte vlijmscherp in mijn ogen.

Ik kneep mijn ogen dicht, nu werd de zon één grote vage gelige vlek.

Wegkruipen wilde ik. Het liefst in een greppel, een kuil, ergens ver weg me opkrullen als een geslagen hondje, zachtjes janken, rillen, mezelf proberen te verwarmen. Maar daar had ik geen kracht voor. Mijn benen lagen als twee blokken hout in de sneeuw, soms schoot er kramp doorheen.

Ik probeerde me op mijn zij te draaien, duwde mezelf op met mijn rechterarm, maar die zakte door. In mijn schouder stak een scherpe pijn.

Ach, niets Dan maar andersom, mompelde ik met op elkaar geklemde tanden. Mijn eigen stem klonk zo hees en gebroken dat ik ervan schrok.

Links voelde alles nog heel. Uiteindelijk lukte het me om mezelf overeind te trekken en half te gaan zitten, maar mijn hand zakte direct weg in een sneeuwberg, en ik plofte weer terug.

Sterven. Gewoon hier en nu sterven, dan was het klaar. Wat erna zou komen, boeide mij niet meer. Ik had me op iets gestort waar ik niet tegen opgewassen was. Eigen schuld, dikke bult. Nu red ik het niet meer.

Morgenochtend gaan ze naar me zoeken, hebben ze beloofd. Althans misschien zijn de wolven sneller. Die moeten tenslotte ook eten. Laat ik ze maar voor zijn: dan kunnen mijn vijanden straks lekker gniffelen krijgen ze alleen maar mijn botten.

De duisternis viel snel in. Ik werd duizelig van de slaap. Ik dobberde in het zwart, als een visje in een net vol klauwen een rare, prettige rust. Maar dan keerde de pijn steeds terug: rode lichtbolletjes schoten door mijn hoofd, vloeiden uit in krampen door mijn spieren, deden mijn tanden knarsen. En uit die pijn kwam een machteloze woede omhoog. Woede zonder tanden, als een hond zonder staart. Maar wild, onberekenbaar, alsof ik gillend en met open armen op mijn vijanden wilde afrennen. Onbewapend en zwak, maar stiekem schrik ik ze daarmee af. Streven naar wraak, maar ik kan geen vrouwen slaan. Letterlijk niet. Dus wraak blijft voor mij iets theoretisch.

Woede hield mijn hersens in beweging: piepend, knersend, met horten en stoten, maar toch.

En ergens diep onder in mijn buik zwol angst op: de rauwe, oeroude angst voor de dood. Ook dat weerhield mij ervan “uit te schakelen”.

Links in het struikgewas jankte een wolf. Ik trok een lelijk gezicht: Nee hoor, vriendjes, zo makkelijk laat ik me niet opeten! Allemaal wolven, jullie op vier poten en jullie op twee, maar mijn botjes krijgen jullie mooi niet!

Ik moest bewegen. Waarheen? Geen idee. Hoe? Ook niet belangrijk. Kruipen desnoods, als het maar weg is van dit stomme, waardeloze punt.

Mama haar vind ik erg. Zij zit thuis te wachten, zich zorgen te maken. Hoe zou ze zich voelen? Ze weet niet waar ik ben, weet niet hoe het afloopt Nou ja, waarschijnlijk krijgt ze het toch wel te horen. Ze zal huilen. Haar tranen, mijn schuld. Papa zal me vervloeken. Eigen schuld ook weer

Bij die gedachte werd ik misselijk, tranen prikten in mijn ogen maar vroren op mijn wangen en vielen niet eens meer op mijn gescheurde jas

Dus kroop ik. Onhandig, met mijn goede arm onder mijn lijf, mijn benen klotsend door de sneeuw, karmozijnrode sporen trekkend maar ik bewoog. Weg bij dat donkere, hongerige gehuil.

En toen viel ik flauw. Het was heerlijk, zalig. Ik voelde niets, dacht niets. Een soort reset. Als dit de hel was, dan wilde ik hier blijven. Kom maar op, demonen, ik ben helemaal van jullie! Mijn lichaam, compleet kapot, hoef ik niet meer terug.

Maar zelfs in die hel was ik overbodig. Een hels fel geel licht sloeg in mijn gezicht, ijzige natheid stroomde mijn mond in.

En? Waarom hoest je niet? Je moet hoesten, dat reinigt de keel! Iemand sloeg me hardhandig op de wangen. Gemene tikken, die echo sloegen in mijn gevoelige tandvlees.

Uuuuh, kreunde ik verontwaardigd, draaide mijn hoofd weg en spuugde bloederige smurrie in de sneeuw.

Dus je leeft nog! Kom, we slepen je naar huis. Mijn huis is hier vlakbij. Leg je op de schapenvacht, dan trek ik je mee. Nou opstaan, kom! Kan het niet zelf? Ach, ik help wel Zo!, mopperde de onbekende terwijl hij me oppakte en op een krakend warme, zurige vacht legde. Je ziet er beroerd uit, jongen! Nou, wat een spektakel. Ik hoorde de herrie, zag de koplampen. Altijd die lui, komen altijd hierheen. Dit veld is hun begraafplaats, zeg ik altijd. Stom volk… bromde hij, terwijl hij me een beetje comfortabel maakte. We knappen je nu op, en dan zien we wel.

Ik mompelde iets over wolven, over dat mijn vijanden toch wel zouden terugkomen. Daarna werd alles warm, veilig, en ik verloor het bewustzijn

… ‘Wat ben jij toch een schatje, een lieverd!’ lachte Fenna, terwijl ze me liet kussen op haar zachte, ronde schouders. Wat ben je, een kalfje soms? Ze greep mijn wangen, drukte haar lippen op de mijne en bleef stokstil liggen, alsof ze mijn adem in wilde drinken. Ineens duwde ze me weg, sprong op, gooide een ochtendjas om en maakte vlug een knoopje vast. Wegwezen nou. Opzouten, het is tijd.

Fenna rekte ik me uit op het krakend gesteven beddengoed. Ik wil slapen Het is nog vroeg, kijk maar naar de klok! Je stuurt me wéér weg

Ik logeerde steeds vaker bij Fenna, ze gaf me te eten, dan stuurde ze me naar de badkamer en maakte daarna mijn bed op. Het was altijd fris, schoon, gestreken. Ze deed het licht uit, wachtte tot ik erbij kwam, en de nacht vloog voorbij. Vers uit dienst, uitgehongerd naar vrouwelijk gezelschap, kwam ik uit de douche rechtstreeks in het paradijs terecht. Fenna was mooi, teder, veel beter dan de meiden die me plaagden met hun blikken.

Ik keek hoe Fenna haar lange witte benen in kousen hulde, hoe ze zich achter een kamerscherm omkleedde en een jurkje aandeed.

Ik zag haar via het spiegelglas: als een zonnestraal, helder, stralend, onwezenlijk en onweerstaanbaar.

Ik zei: wegwezen! zei ze zachtjes. Help me even met mijn rits en ga nou. Geloof mij nou, Max. Kom morgen maar weer, goed? Morgen

We kusten nog even door, daarna gooide Fenna mijn kleren naar me toe en verdween.

Ik hoorde haar op het aanrecht de koffie malen. De geur van net iets te donker gebrande bonen vulde de keuken. Haar man, Arend Pieter, hield van koffie. Krachtig moet-ie zijn, en hij gooit er altijd peper in, zegt dat dat goddelijk is. Fenna zit tegenover hem, onhandig op een keukentabouret, glimlacht beleefd en knikt. Ze kruipt haar benen onder zich, als een kloek op stok voorzichtig zijn, want per ongeluk Arend met mijn naam aanspreken is natuurlijk uit den boze.

Ik bleef nog even staan. Daarna gleed ik de badkamer in, plensde lauw water in mijn gezicht en grinnikte om mezelf toen ik op mijn gemak mijn overhemd en broek aantrok. Bij de keukendeur bleef ik hangen. Fenna stond met haar rug naar me toe. De ochtendjas was bijna doorschijnend in het zonlicht, haar welgevormde silhouet tekende zich verleidelijk af.

Fenna was vijftien jaar ouder dan ik, maar dat deed me niks, eigenlijk vond ik dat wel stoer. Dat zij voor mij koos, uit al die jongens om haar heen ik was het mannetje.

Fenna was ervaren, geduldig met mijn gestuntel; ze lachte fijn en kuste me alsof m’n hoofd ervan tolde. Ze liet me in haar mooie huis slapen, allures van een grachtenpand, met hoge plafonds en kroonluchters blinkende parketvloer en servies waar een vorst jaloers op zou zijn. Ze stopte me eten toe, keek toe hoe ik als een uitgehongerde boerenpummel aardappelpannenkoek uit de pan schrokte en een gehaktbal platprakte met mijn vork, en hoe ik onbeholpen mijn borrel achterover sloeg… Ze dronk graag met me, lachte het hardst met haar hoofd in haar nek, haar bleke hals uitnodigend voor mijn hapsige kussen.

Ze vond dat onze affaire geheim moest blijven, maar ik wilde alles.

Zij viel me ooit op in de tram, en ik worstelde me door de menigte naar haar toe. Ik was dronken en brutaal, mijn makker Gijs raakte ik onderweg kwijt. Ik bleef om Fenna heen draaien om haar voor me te winnen, terwijl ze wat beschaamd haar hoofd wegdraaide.

Uiteindelijk begeleidde ik haar toch naar huis. Bij haar portiek beval ze me weg te gaan. Ik knikte ja, deed alsof ik vertrok, maar bleef in het steegje bij haar hofje hangen, starend tot haar lampje aanging.

Eerste verdieping. Haar ramen keken recht mijn kant op. Ik zag haar silhouet achter het gordijn. Ze kleedde zich uit. Ik keek tot ik moest wegsluipen omdat de huismeester met zijn bezem dreigend aankwam…

Elke avond stond ik daar. Vertwijfeld vertelde ik mijn moeder dat ik ging wandelen, maar eigenlijk stond ik weer onder Fennas raam.

Ik zag ook haar man. De keukenramen zaten aan mijn kant. Arend Pieter sjokte rond in een slobberhemd en knielappen met verknipte pijpen. Een magere, verlepte, ingeklapte man met zenuwtrekjes. Waarom is zij met zon man getrouwd?!, dacht ik boos. Was ze verliefd?!

Arend at in traag tempo, scrollend door zijn krant; Fenna schonk hem thee met koekjes bij. Ik bleef kijken. Soms draaide Arend zich abrupt om, alsof hij mijn staren voelde, schoot op, trok de gordijnen dicht. Twee silhouetten versmolten ik kreeg een vieze smaak in mijn mond. Hoe kan ze met die schraalhans zoenen, mijn Fenna?

Na een tijd werd het me te gortig. Toen klom ik bij Fenna naar binnen, direct haar slaapkamer in. Haar man was op reis ik had hem zelf met koffers zien weggaan. Geen gevaar, deze keer. Ik durfde.

Fenna schrok zich wild toen ze me in haar kamer aantrof, wilde gillen, maar ik duwde mijn hand op haar mond en gaf haar een zoen.

Och, wat rook zij lekker! Haar haren, haar lippen, dat losse zomerjurkje alles had iets eigenzinnigs.

Mijn moeder had volgens mij nooit parfum. Ze rook altijd naar wasmiddel of sigaretten. Ze rookte veel, minstens een pakje per avond haar tanden waren geel. Daardoor lachte zij nooit met haar mond open. Maar Fenna’s tanden waren recht, wit, als uit een tijdschrift. Mijn moeder droeg nooit chique kleren. Vroeger viel het me niet op, nu vond ik het pijnlijk. Ik schaamde me een beetje voor haar wat zou ik haar graag iets moois kopen. Maar stomme jongen als ik was, ik gaf mijn geld liever uit aan bloemen voor Fenna. Haar man bracht haar nooit bloemen, hij was wat mij betreft een sukkel, een mislukking. Ja, ze woonden prachtig, alles van massief hout, schilderijen aan de muren, geen tijdschriftknipsels zoals bij ons thuis. Fennas servies kon zo bij de koningin; haar sieraden waren koninklijk. Maar alles had ze geërfd van haar familie; haar man maakte gewoon gebruik van haar voorvaderlijk bezit. Sluwe vos…

Ik ben anders. Ik wilde Fenna zelf, desnoods zonder pollepels of lakens. Natuurlijk maakten een goede maaltijd en zachte lakens het allemaal makkelijker, maar zelfs op een hooizolder zou ik het net zo goed hebben gevonden zolang mijn liefde maar naast me lag.

En Fenna rook naar iets speciaals, iets Frans of Italiaans, ik wist het niet precies ik rook er gewoon aan, op haar haar en huid, in haar hals…

Ik was trots op mijn vrouw. Inderdaad, zo noemde ik haar: Mijn vrouw. Ik had haar overwonnen, binnengedrongen in haar leven, en ze had zich aan mij overgegeven.

Fenna deed alles gracieus eten, aankleden, roken. Alles in haar was in balans, als de contouren van een gitaar door haar heupen. Een godin! Mijn godin!

Die eerste nacht samen vergeet ik nooit. Ze was toen ongewoon zacht en echt. Geen schijn, geen grapjes, geen maniertjes. Ze smolt in mijn armen, ik barstte haast van al dat vuur. De volgende ochtend wist ik zeker: zij houdt van mij. Met haar echtgenoot zit ze het uit, plichtmatig en doods. Met mij leeft ze. Haar bloed klopt, warm, eigenwijs, ondeugend.

Natuurlijk, soms moest ik vroeg verdwijnen.

Wakker worden, lief! Tijd om te gaan, fluisterde ze na onze derde nacht. Hij komt zo thuis, van zakenreis. Max, mijn liefste, mijn allerliefste Ze streelde mijn gezicht, mijn jonge, sterke lijf waar zij zo dol op was. Nu even niet komen, hoor, hij blijft een weekje thuis. Daarna ga ik je weer missen…

Misschien moet ik eens met hem praten? grapte ik. Eens even man onder elkaar. Ik wil jou helemaal voor mezelf, Fenna! Ik wil je man zijn!

Ze lachte hard, haar donkere haren als een waterval over haar schouders. Ik sprong op, sloeg mijn armen om haar heen, kuste haar.

Van mij, van mij! Hoor je? Alleen van mij! fluisterde ik. Denk je nou echt dat ik die Arend niet aankan? Die sla je zo omver!

Ik denk niks, schat. Ze glipte uit mijn armen. Laat alles nou zoals het is. Jij bent mijn geheim, ik jouw geheimpje. Sommige dingen moet je gewoon laten. En nu: ga. Ik moet nog opruimen.

Ik was beledigd. Waarom wilde ze niet mijn vrouw worden? Hoe kon ze?

Maar toen ik de deur achter me dichtdeed, trok Fenna me naar zich toe en kuste me. Dat sloeg me met stomheid. Al is ze alleen maar voor de nacht de mijne, ze is de mijne. Aan mij denkt ze, voordat ze slapen gaat. Mij heeft ze in haar gedachten als ze haar man ontbijt maakt. En hij, die Arend Pieter? Die weet van niks

Na mijn vertrek begon Fenna manisch op te ruimen. Haar man had s nachts gebeld hij kwam eerder terug dan gepland. Wat een beleefde, geslepen snoet! Hij wilde Fenna niet in een lastige situatie brengen. Ze was gespannen, deed alle ramen open opdat Arend geen vreemde geur zou ruiken. Maar hij rook toch wat.

Er hangt een lucht, Fenna! bromde hij, terwijl hij zijn koffer liet vallen.

Waarnaar dan? vroeg ze, haar ochtendjas dichter om zich heen slaand.

Een vieze lucht, Fenna. Niet gezondigd in mijn afwezigheid? Hij keek haar aan terwijl hij zijn schoenen uittrok.

Fenna kreeg het benauwd, maar bleef glimlachen.

Welnee! Ik had kip in de oven, die was bedorven. Ga je handen wassen, ik dek de tafel. Zin in gehaktballen? De koffie is klaar. Toe Arend, ik heb je gemist kwetterde ze net iets te opgewekt.

Arend trok haar aan haar haar naar zich toe, keek haar lang aan, en liet toen los.

Hier, ik heb wat voor je meegenomen. Uit zijn zak haalde hij een pakje, ingewikkeld in een zakdoek: oorbellen, zwaar, met robijnrode stenen, ouderwets en aangeslagen. Omdoen, snel. Fenna keek onzeker naar het sieraad.

Wat zit er op, Arend? fluisterde ze, terwijl ze het neerlegde.

Doe ze aan, en dan gaan we eten! Vlug, Fenna!

Braaf haalde ze haar oude ringetjes uit, deed de nieuwe oorsieraden aan. Haar man knikte tevreden. Hij vond het heerlijk om haar als een pop aan te kleden dure jurken, sieraden, hij hield ervan haar te zien schitteren. Soms moest ze zelfs slapen met zware kettingen en armbanden die sneden in haar huid, maar Arend vond dat kostelijk

Im vijf dagen thuis, dan vertrek ik weer, vertelde hij, etend. Alles gaat voorspoedig. He, waar is nou die kip gebleven? siste hij opeens.

Toen je zat te eten, heb ik die kip weggedaan, die was bedorven. Kan niet blijven liggen! Fenna wuifde het weg.

Arend lachte grimlachend. Klonk alsof hij alles doorhad.

Zodra haar man weer weg was, belde Fenna me op. Ze wist dat ik werkte in een vriesfabriek hier in Amsterdam we maakten ijsjes waarvan zij dol was op roomijs in bakjes. Ik bracht altijd een bekertje voor haar mee, voerde haar met mijn handen terwijl ik haar met kruimelige lippen kuste.

Ik kapte ermee op het werk slechte maag, zei ik en bij Fenna stond ze me alweer op te wachten. God, wat had ik haar gemist. Ik kon niet genoeg krijgen van haar liefde en haar armen, vandaag was Fenna vuur en vlam, en weer helemaal van mij.

Dagenlang kwam ik niet thuis, belde niet naar mijn moeder of vader. Ik was spoorloos, ik vierde hoogtijdagen dat mocht best.

Dat mijn moeder in het ziekenhuis lag hoorde ik pas van mijn vader, die ik bij de fabriek tegenkwam. Hij stond daar, bleek en mager, net een schim.

Pa, wat doe je hier? vroeg ik kribbig.

Ze hebben je moeder vannacht afgevoerd. Weer die maag. Kun je niet even langskomen? mompelde hij, zijn pet knedend. Die gore, versleten pet droeg hij altijd, in alle seizoenen.

Waar ligt ze? vroeg ik, geërgerd dat hij mijn perfecte dag verstoorde.

Hij noemde het ziekenhuis. Ik beloofde langs te gaan en zei wel gedag. Hij knikte, zijn ogen nat. Het kon me niets schelen. Moeder lag wel vaker in het ziekenhuis, niets bijzonders.

Fenna liet me met tegenzin naar haar toe gaan, maar pakte wel een tas met eten mee wat een schatje! Ze was een engel…

In het ziekenhuis lag mijn moeder op een brancard in de gang, want in de zaal was geen plek. Ze kotste aan één stuk door; een verpleger snauwde dat ik haar beter mee kon nemen naar huis.

Waarheen dan? Ze heeft behandeling nodig! riep ik. Doe ff normaal, hé!

Moeder probeerde mij gerust te stellen, maar ik kon mijn woede niet bedwingen. Wat was dit voor een ziekenhuis? Waarom moest ik mijn tijd verspillen aan deze rotsores? Ik had toch mijn eigen leven! Moeder lag vaker in het ziekenhuis, zij was het gewend.

Zij at langzaam van het soepje dat Fenna had gestuurd, prees de smaak. Ik zat chagrijnig naast haar, werd omvergelopen door dokters en brancards. Ik keek op de klok. Nog twee weken, dan kwam Arend Pieter weer thuis dan moest ik van Fenna scheiden…

Mam, red jij je even alleen? brak ik tenslotte af en deponeerde haar tas onder haar voeten.

Moet je weg, jongen? Komt goed, papa komt morgen. Maak je niet druk, lieffie glimlachte ze, streelde mijn hand.

Ik knikte en vertrok. Wist niet dat al het eten aan de kant ging want moeder kon het niet houden. Wist niet dat ze in die tochtige gang bleef liggen, getreiterd door het doorroste schoonmaakpersoneel. Want ik dacht alleen aan Fenna…

Toen ik terugkwam die avond, zat Fenna op de vloer te huilen.

Wat heb jij nou? vroeg ik verbijsterd.

Ze beefde heftig, wees naar glimmende frutsels op het tapijt sieraden.

Arend gaf me die oorbellen. Cadeau van zijn laatste reis. Ik wilde ze schoonmaken je ziet toch dat het oude troep is? Maar er zitten vlekken op, vieze vlekken. Ik ik ben bang! Max, neem ze mee, alsjeblieft! Weg uit mijn huis! Ik wil ze niet!

Ze wikkelde de sieraden in een lap en duwde het in mijn hand.

Ga! Gooi ze weg, Max! Ik ben zo bang. Wat moet er nu gebeuren?

Doe niet zo gek! Ik spoel ze wel schoon. Straks vraagt je Arend ernaar. Wat is er mis met die dingen? Man, wat ben jij een stresskip…

Toen besefte ik het. Hij had gewoon gestolen sieraden meegebracht, zoals altijd. Maar deze keer was het overduidelijk Die zwarte vlekjes leken op opgedroogd bloed. Ik slikte, kreeg braakneigingen, voelde me vies en goor.

Fenna! Misschien moet je naar de politie. Dit is… begon ik, maar ik besefte dat ze dat nooit zou doen. Fenna gaf haar man nooit aan.

Dus ik dropte het pakje achter de muur van de drukkerij naast haar huis. Ik merkte de magere man niet op die in de struiken stond ik had dat beter moeten doen. Want die hield ons al een tijd in de gaten.

Arend kwam s nachts terug met twee kerels. We waren net dronken in slaap gevallen, hoorden niets van het slot of het luide gestamp op de parketvloer.

Ik werd wakker van een klap. In het donker kreeg ik klappen, Fenna gilde, stopte abrupt

Ik sloeg wild om me heen, mijn hoofd deed vreselijk pijn, mijn mond smaakte naar bloed. Ik maaide maar mis ik had te veel gezopen.

Toen ging het licht aan. Arend Pieter zat in de fauteuil, Fenna stond benauwd naast hem.

Sorry dat ik je uit je slaap haal, zei haar man zacht. Maar ik kom wat ophalen. Fenna, meid, geef papa een zoen manlief is terug!

Hij trok haar naar zich toe en kuste haar gezicht.

Arend begrijp nou, hij… Fenna wees naar mij.

Hoeft niet, schudde Arend. Hij knikte en ik kreeg weer klappen. Ik wilde terugslaan maar kon niets.

Fenna, schat, verzamel je troep eens even. Die heb ik nodig, lieverd.

Toen kwam hij naar me toe ik zag hem nauwelijks door mijn dichtgeslagen ogen.

En jij, larve, op je knieën! Kruip, jongen!

Niet doen, Arend… piepte Fenna. Laat hem toch. Je wist waar ik aan begon Jij vond het goed Ze trok haar ochtendjas dicht, maar die sprong steeds open. We hadden toch een afspraak. Laat die jongen toch…

Ja, afspraak, tot hij te ver ging. Die bevalt me niet. Zijn moeder ligt in het ziekenhuis, en hij ligt hier op onze lakens. Ze moesten respect voor hun ouders hebben. Ik haat de mijne, maar heb haar als een koningin begraven. Maar deze knul lafde het af, rende weg.

Hoe weet jij… kraamde ik met moeite, proestte bloed.

Ik weet alles hier. Heel Amsterdam is mijn terrein, Max. Verbaast je niks? Heeft Fenna je niet gewaarschuwd? Ach, meisje, weer een knul gesloopt. Jij snapt er niks van! Ik heb alles wel door…

Langzaam keek ik naar Fenna. Mijn hoofd tolde: moeder in het ziekenhuis, vader als een schaduw aan het eind van de gang. De geur van kippensoep, de schoonmaker, onze nacht met Fenna, haar onschuldige uitspattingen Daarna verdrongen ijskoude, lichtblauwe ogen van Arend alles. Hij kwam nog even over me heen hangen en lachte.

Jammer dat je je moeder hebt laten zitten. Nu zal je haar nooit meer zien! fluisterde hij. Ik snikte en voelde me verachtelijk, als een drol.

Wat moet ik hem zeggen? schoot Fenna nu plotseling uit haar slachtofferrol, propte van alles in een tas. Hij kwam zelf, ik riep hem niet. Zelfstandig genoeg, die jongen. Hier, alles wat je wilt! Ze overhandigde Arend een tas vol sieraden.

Hij keek erin, knikte.

En nu die oorbellen in, die ik laatst voor je meebracht, zei hij.

Ja maar, Arend, die passen niet bij mijn badjas! probeerde Fenna zich eronderuit te kletsen.

In doen! commandeerde hij, schoot zelfs een kogel in het parket vlak naast mijn voet.

Fenna graaide in de la, rommelde met haar wasgoed.

“Ze redt zich eruit! Ze redt ons, mijn lieve Fenna!” bonkte het in mijn hoofd.

Nee Arend, ze zijn weg! Hier verstopt maar nú zijn ze weg! Max! Jij! Ze gaf me een schop. Gestolen? Hoe kun je? Voor je zieke moedertje kook ik bouillon, en jij bestáál me? Arend, gooi die jongen eruit! En mijn horloge, waar is dat? Mijn gouden horloge van oma. Niets meer! Max… Ze schudde haar hoofd. Rotte appel… En ik dacht dat je wijs was.

Dat horloge had Fenna ooit aan een arts gegeven die haar had geholpen een abortus te regelen. Ze had met Max een kind kunnen krijgen maar wilde niet. Arend wilde kids, kon dat niet. Die zou haar nooit een abortus vergeven, ook al wist hij dat het kind niet van hem was Fenna betaalde met dat horloge. Maar nu schoof ze alles op mij…

Arend gebaarde dat ik moest opstaan. Veel weet ik niet meer van de rest. Ik herinner me alleen Fennas gestalte achter haar man, terwijl hij mij tot gruis sloeg.

Ik haat diefstal, Max. Liefde, wildheid, zelfs overspel kan ik hebben heb minstens evenveel Fennas in Amsterdam. Maar stelen? Daar trek ik een grens Mijn spullen zijn míjn spullen!

Ik lag in de ijzige sneeuw, mijn hart raasde, ik hoorde een auto wegrijden, de wind huilde en strooide stekende sneeuw in mijn gezicht. Daarna bleef alleen het bonken van mijn hart. En het besef: mijn grootste liefde heeft me verraden… Mijn hart koelde af. Ik werd gezond.

Jullie weten wel hoe het verder ging…

… Ik lag weken in het huisje van die jager die me vond. Hij haalde een dokter, samen doken ze over mijn gebroken ribben en benen, gelukkig zaten geen botbreuken onder mijn knieën bedankt Arends knokploeg! Die twee, volslagen vreemden, maakten mij weer klaar voor gebruik. Ik fluisterde mijn dank, zij grinnikten alleen maar.

Ach joh. Straks huppel je weer, niks aan het handje! zei de jager.

Na drie weken liep ik weer buiten, mijn ogen vlogen dicht van het felle licht. De velden lagen vol zon, alsof iemand een koekenpan met ei had uitgegoten. De sneeuw schitterde me blind. De jager gaf me een zonnebril.

Wegwezen, jongen, zei hij. En jat nooit meer wat van een ander. De volgende keer tref je het niet zo.

Terwijl ik mijn schoenen strikte, hoorde ik de mannen discussiëren hoeveel Arend Pieter hun betaald had voor mijn redding. Ik verstijfde, liet mijn schoen uit mijn trillende handen vallen.

Wat zei je? fluisterde ik.

Welnee joh, niks. Arend Pieter is een goed mens. Maar gierig. En die vrouw van hem een slang! Zij verkoopt zijn goud en als hij haar snapt, mag zon jongen als jij eraan geloven. Je bent niet de eerste Ach ja, rijke mensen zijn maf, trek het je niet aan. Pak voortaan wat je zelf op kan kauwen. Ga, Max. Hoepel op Ze klopten me op de schouder, lachten nog wat.

… Ik kwam pas bij het vallen van de avond weer aan in de stad. Rechtstreeks naar het ziekenhuis misschien was ik nog op tijd voor mijn moeder?

Dit is niet in ons systeem. Sorry, snauwde de receptioniste en klapte prompt het luikje dicht. Mijn aanblik deed haar blijkbaar schrikken.

Mevrouw! Kijk nou beter alsjeblieft! bonkte ik op het glas, maar hield al snel op en ging naar huis.

De lucht was weer zo rood als daar in het veld. Ik schrok me rot.

Thuis brandde licht achter de ramen. Ik zuchtte en sleepte mezelf naar boven, bleef eindeloos op de bel drukken tot de deur openvloog en daar stond mijn moeder klein, mager, heel bang. Ik vloog haar om de hals, zag papa en moest huilen.

We hebben je zo gemist, jongen, prevelde moeder, terwijl ze eindeloos frietjes op mijn bord schepte. Arend Pieter heeft nog gebeld, hij zei dat je wat was overkomen, maar dat het weer goedkomt. Hij zei dat je voorlopig beter niet in de stad kon verschijnen…

Arend Pieter? Mijn vork knalde op het bord.

Ja, een meneer van het ministerie van volksgezondheid volgens mij. Hij kwam zelfs naar het ziekenhuis, regelde een aparte kamer. Max, dankjewel dat jij hem gestuurd hebt! Ze snikte. Zonder hem was ik er niet meer geweest…

Ze ratelde verder, huilde, aaide mijn kale hoofd, terwijl vader me treurig aankeek. Ik kon zijn blik niet ondergaan, wendde me af

Jaren later liep ik met mijn vrouw Marloes over de markt, op zoek naar een beetje fatsoenlijke echte kerstboom. Het was bijna kerst zij houdt van de geur van levende bomen, de prik van dennennaalden, de harsdruppels die oplichten als je ze wrijft.

Toen stonden we in alweer zon kerstbomengrot, flauwe lampjes, grillige takken en een berg uitgedroogde bomen in de hoek.

Misschien staat hier wat, stelde Marloes voor.

Ik knikte. Marloes begon aan de takken te voelen, maar plotseling snauwde iemand vanuit het donker: Betalen of niet aankomen! Wiebelhanden eraf!

Een vrouw in een dikke jas, wollen sjaal om, laarzen haar gezicht ruw, verdrietig, ogen vol haat trad naar voren.

Ik herkende haar. Mijn Fenna, mijn eerste grote liefde. Zij, die nog altijd littekens op mijn lijf had achtergelaten. Marloes vroeg soms waar die vandaan kwamen, ik verzon altijd iets stoms. Liegen deed ik graag voor haar ik hield alleen van Marloes, zij is mijn rots, mijn echte liefde, uit mijn rib genomen, gezonden door God. Zij verdient nooit verdriet om mij.

Fenna keek me eens aan, spuugde op de grond. Herkende me.

Arend liet haar hier buiten staan rillen om kerstbomen te verkopen, terwijl hij sigaren rookte in het café verderop. Hij sloeg haar niet meer hij was gewoon weer slimmer geweest. Zij verloor alles. Geen jonge jongens meer om te verleiden, haar schoonheid was vervlogen met de jaren…

Laten we gaan, Marloes, zei ik zacht. Deze bomen zijn waardeloos. Ik neem je mee naar het bos, dan hakken we onze eigen boom.

Marloes glimlachte. Zij vertrouwde mij. Zij hield van mij echt. Nog altijd snapte ik niet dat ik haar verdiende.

En stel moest ik Arend Pieter bedanken? Voor mijn gelukkige leven, omdat hij zijn mannen toen niet opdracht gaf mij af te maken? Magere, kromme Arend had mij voor altijd klein gekregen. Terecht ookIk keek nog één keer achterom, naar dat stramme silhouet tussen de sparren, gehaast de bonnet opgetrokken. Ze was oud geworden, misschien wel ouder dan Arend ooit zou worden. Voorbij waren de galmende lach, de vlinders in mijn maag, de vurige nachten. Fenna ze had me het leven geleerd, maar niet het geluk.

Marloes trok aan mijn arm, haar vingers warm om de mijne. Kom je? vroeg ze, haar ogen twinkelend tussen de vallende sneeuwvlokken. Ik knikte, liet het verleden achter in die kille, stinkende loods vol dode bomen. Buiten viel de schemering steeds zachter, muziek en lichtjes kleurden de straten feestelijk.

Onderweg stak Marloes haar arm door de mijne en zong zacht, vals, een kerstliedje. Ik lachte, sloeg mijn arm om haar heen en voelde de littekens op mijn ribben trekken. Maar ze deden geen pijn meer.

We vonden geen boom in het bos; het was te donker, te koud, en toch was alles goed. Thuis, tussen de kartonnen sterren en scheefgezakte lampjes, stond Marloes op haar tenen om me te kussen. Je bent er nog steeds, Max, fluisterde ze. Jouw geheimen maken jou niet minder lief.

Ik kneep haar zacht in haar zij, keek haar aan, zo lang dat ze bloosde.

Soms moet je verliezen om te leren kiezen. Mijn geheimen werden verleden, geen last meer alleen het bewijs dat zelfs een koude ochtend in de sneeuw ooit ruimte kon maken voor liefde zonder angst.

Die avond, terwijl buiten het ijs kraakte en Fenna verdween tussen de sparren, keerde ik mezelf toe wat ik anderen altijd onthield: vergeven, zelfs als niemand het weet. Want zelfs als je verleden je botten breekt, mag je jezelf de warmte teruggeven die je dacht te zijn verloren.

En zo werd mijn geheim eindelijk alleen nog maar een herinnering.

Please rate
Bagattia News
Mijn Geheime Verhaal