Hoe kun je zo verzakken, meisje? Schaam je je niet? Je hebt toch armen en benen waarom werk je niet? riepen mensen tegen het jonge bedelaartje met het kind op haar schoot.
Mevrouw Hendrika van Dijk schuifelde langzaam langs de schappen van de immense Albert Heijn XL, waar ze de kleurrijke verpakkingen uitgebreid bekeek. Ze kwam hier elke dag. Niet omdat ze een gezin te voeden haddie had ze nooit gehadmaar omdat ze s avonds aan haar eenzame keukentafel gillend gek werd. Dus zocht ze haar toevlucht in het lichte, verwarmde walhalla van de supermarkt.
Zomers ging het nogdan zaten de buurvrouwen op plastic stoeltjes voor het oude portiek, ieder met een kopje lauwe koffie, en werd het dorp doodgepraat. Maar in de winter was dat niks, dus was Hendrika kind aan huis bij de supermarkt.
Het rook er lekker naar verse appeltaart, je hoorde zachte jazz op de achtergrond en tegenover het brood stond een fluitend koffieapparaat. Al die producten in felgekleurde verpakkingen deden haar denken aan speelgoed uit haar jeugdje werd er vanzelf vrolijk van.
Ze hief een bakje aardbeienyoghurt op, kneep haar ogen dicht bij het ontcijferen van het etiketprocenten magere melk, dat soort dingenen zette het weer terug. Veel te duur, zon toetje, maar kijken was gratis en mocht gewoon.
Al struinend tussen alles wat JUMBO groot tekent, schoten er flarden uit haar verleden door haar hoofd. Tochtige vleeswarenzaken met wachtende mensen op houten banken. Winkeldames die als leeuwen vochten om het laatste pak roomboter. Kneuterige, dikpapieren zakken om je boodschappen mee te nemen.
Ze glimlachte toen ze haar dochter ooit opvoedde. Niet dat er ooit een man was, maar als haar Josien haar iets vroeg, trok Hendrika moeiteloos twee uur voor een kilootje halfomspul. Die herinnering trok nu haar borst samende maagstreek kneep een stuk strakker. Josien Toen ze de diepvriesafdeling naderde, leunde ze moe op de glazen vriezer vol vissticks en diepvrieskabeljauw.
Het lachende gezicht van Josien kwam weer naar boven, met dat vuurrode haar, gigantische blauwe ogen, sproeten op haar neus en die kuiltjesalsof alles in haar gezicht de zon opzocht.
Wat was ze een knapperd, dacht Hendrika weemoedig.
Met lichte tegenzin van het meisje achter de kaas liep ze naar het brood. Josien was haar trots. Slim was ze wel, dat kind. Maar werk? Daar werd ze niet gelukkig van, riep ze. Dus stortte ze zich op draagmoederschapwant, zo redeneerde Josien, is dat niet veel zinvoller? Hendrika was er nooit gelukkig mee geweest. Moeders worden tenslotte nooit gehoord door twintigjarige dochters.
Had haar Jos een vader gehad, dan liep het allemaal anders. Maar hoe die malafide gasten haar onschuldige dochter in dat circus hebben getrokkenhet was onbegrijpelijk.
Josien grinnikte altijd en wreef over haar zwangere buik. Maar Hendrikas hart brak: hoe kun je zon buik straks zomaar afstaan, als je hem negen maanden gedragen hebt?
Josien wimpelde dat weg: Ik zie het inmiddels meer als gewoon geld.
Een zware bevalling later, en Josien redde het niet. Echt veel moeite deed het ziekenhuis ook niet, vond Hendrika. Drie dagen na de geboorte was haar dochter weg. Het meisje werd zonder pardon aan de biologische ouders overgedragen. Van geld geen sprakezij was niet de opdrachtgever, dus zoek het maar uit.
Josien werd begraven, Hendrika bleef over. Er was niemand meer. Ze zonk diep in haar eenzaamheid en vond het wel prima zo.
Nu liep ze weer naar het broodschap, bedachtzaam tussen de pistolets en krentenbollen. Het was belangrijk om iets af te rekenen, want daar liep je niet alleen maar doelloos rond. Ze telde haar laatste euromunten in de jaszak en ging naar de kassa. Genoeg vermaak voor vandaag.
Ze had het jonge bedelaartje voor het eerst opgemerkt op de tweede dag na de opening van de supermarkt, nu ongeveer een maand geleden. Hendrika was nieuwsgierig, maar iets in de houding van het meisje trok haar aan. Misschien die ongewone rust, misschien de manier waarop ze haar baby vasthieldniet als een last, maar als het kostbaarste bezit.
Hoe diep kun je zinken, meisje? dacht Hendrika, terwijl ze haar richting op liep. Ze liet een handvol kleingeld in het plastic bekertje naast de buggy vallen. Lieve schat, schaam je je niet? Je bent jong, alles werkt nog, ga werken!
Het meisje keek op, alweer een blauwe plek half verborgen onder haar sjaal. Dank u wel voor de euros mevrouw, maar u hoeft zich niet te bemoeien. Ik heb mijn eigen zorgen, die los ik wel op.
Hendrika zuchtte droevig, trok zich terug en besloot toch stilletjes te helpen. Niemand op het plein die zich bekommerdenoch politie, noch jeugdzorg. Iedereen was gewend geraakt aan bedelaarshet feuilleton van de straat.
De hele weg naar huis dacht ze aan die jonge vrouw. Het was net alsof die stem haar bekend voorkwam. Maar van waar?
Thuis gooide ze haar pantoffels uit, zette het brood op het aanrecht, schonk een mok rooibosthee in en at een sneetje volkorenbrood met een plakje rookworst, net als elke avond. Ze dacht terug aan de kou buiten. Wat zal die jonge vrouw honger hebben! En in de gure winddaar word je echt niet oud op.
Ze keek uit het raamen schrok. Twee schimmige mannen doken op, duwden het meisje grof in een auto. Hendrika greep de telefoon, maar stopte. Was het haar plaats zich er nu mee te bemoeien, of maakte ze het erger?
Ze sliep die nacht nauwelijks. Even droomde ze van haar Josien. Haar dochter stond voor een supermarkt, kindje op de arm, kind blauw van de kou. Hendrika probeerde Josien te warmen.
Ik heb het niet koud, mam, zei Josien.
Ze tilde voorzichtig het kindermutsje op en zag een grote pop met een ketting om haar nek.
Met een bekende hanger mompelde ze hardop en werd badend in het zweet wakker. De klok op de muur tikte koppig tegen negenen. Waarom heb ik zo lang geslapen?
Ze haastte zichen keek uit het raam. Gelukkig, het meisje zat er weer. Ze maakte een kruisje en fluisterde: Dank u wel.
Het was oudjaarsdag, de kou kroop de huizen in. Het meisje stond daar, wie weet hoe lang al.
Hendrika pakte brood, maakte sandwiches met worst, goot thee in een thermoskan. Ze trok haar jas aan en liep naar buiten.
Het meisje schrok, trok haar sjaal nog verder omhoog.
Rustig maar, kind. Je moet niet kruimelen van de honger. Hendrika gaf haar de boterhammen. Het meisje wurmde zich op het bankje, at schrokkerigalsof elke hap haar leven kon redden. Daarna veegde ze de kruimels af en kwam onzeker naar Hendrika terug.
Dankuwel hoor, nu redden we het tot zevenen, dan komen ze me halen. Ze liet haar blikken zakken.
Hendrika hield haar die dag in de gatende thermometer zakte naarmate de avond viel.
Om vijf uur vulde ze een potje erwtensoep, liep even later langs het meisje en zette het soepje stilletjes naast haar neer. Money op haar schoot, een knipoog en snel weer naar binnen.
Boodschappen voor het oudejaarsmaal: wat leverworst, augurken en een potje Hema-mayonaise. De luxe van het leven in de polderyou make do. Toen Hendrika terugliep was het meisje weg, evenals het potje soep. Lekker ergens aan het eten, lachte ze. Dan nu naar huis.
Ze sneed de snacks, schoof karper met citroen in de oven en dekte de tafel voor wie weet, een vriendin die nog kwam buurten.
Tegen tienen gluurde ze nog een keer naar buiten. Onder de verlichte gevel zat het meisje, schokkend van het huilen.
Hendrika raakte in paniek. Nog even en het nieuwe jaar begon, en onder haar raam huilde iemand van de kou. Ze sloeg een dikke omslagdoek om, deed pantoffels aan, spoedde de trappen af en plofte naast het meisje.
Ik kan nergens meer terecht, mompelde het meisje.
Haar ogen zochten houvast bij Hendrika.
Wilt u voor hem zorgen? vroeg ze, en drukte Hendrika een bundeltje in de handen. Daarna sjokte ze moedeloos weg.
Het duizelde Hendrika. Die blik, dat gebaardat was geen toeval. Zo lopen mensen niet weg van geluk.
Ze stond op, trok het meisje terug. Nou zeg! Kom mee! riep ze, wezen richting haar portiekflat en trok het meisje mee.
In de warme flat pakte ze het kindje uit en legde het dicht bij de elektrische kachel.
Hoe heet je? vroeg ze haar, maar hield abrupt op toen ze de hanger bij het meisje zageen oud berenmedaillon.
Het meisje voelde haar blik. Die was nog van mijn moeder.
Hendrika werd bleekdie hanger had zij zelf ooit aan Josien gegeven voor haar zestiende. Om geld tekort te overbruggen had ze een antieke broche laten ombouwen tot dit aandenken. Een juwelier die meer meedeed aan koekhappen dan aan goudsmeden, maar toch.
Mag ik douchen? vroeg het meisje verlegen.
Ja natuurlijk, ga maar, zei Hendrika, haar hartslag als een heipaal.
Terwijl het meisje weg was, gaf Hendrika het jongetje een boterham en zette thee.
Later zaten ze samen aan tafel. Ik heet Anouk, zei het meisje, terwijl ze zich volpropte met huzarensalade.
Ha, dat dacht ik al. Eet maar lekker, zei Hendrika. Die naam niet te geloven. Dat was exact de naam die de adoptieouders van de baby hadden uitgekozen.
Vertel eens, Anouk, wat is er allemaal gebeurd?
En eindelijk kwam het verhaal eruit. Ze had met haar vader, totdat ze vijf was, op een boerderij bij Zwolle gewoond. Er stonden ponys en er was altijd taart, zei ze met een glinstering.
Maar de ouders kregen ruzie en scheidden. Moeder bracht haar op een dag naar een kindertehuis en tekende afstand. Wég sprookje, hallo opvang. Twaalf jaar daar, daarna zelfstandig in een half gesloopt flatje.
Daar leerde ze Patrick kennen, een handige monteur. Die verdween toen Anouk zwanger bleek. Het flatje ging plat en haar nieuwe stekkie bleek bezet. Met een baby op zak viel er weinig te regelen.
En zo werd ze in Amsterdam een van die zwijgende gezichten op het stationbedelen onder leiding van een georganiseerde zwendelaar: Jan de Kale.
Jij hebt een kind, dat levert meer op, zei Jan. Ze sliepen in een oude kelder bij het spoor, samen met halve en hele acteurs die met nepbabys en opplakbuiken medelijden oogsten.
Haar aandeel in de dagopbrengst was mager; ze kreeg op haar kop dat haar baby altijd huilde. En vandaag had niemand haar opgehaald. Gewoon achtergelaten op straat.
Dank u wel, mevrouw. Zonder u waren we onderkoeld geraakt.
Ze legde haar vork neer en geeuwde.
We gaan morgenochtend weer weg hoor, zei Anouk, terwijl haar hoofd bijna op het tafelkleed zakte.
Hendrika begeleidde haar naar bed, het kindje snurkte al in de stoel. Zelf zat ze aan haar haring-met-uitjes, luisterde naar de oudejaarsboodschap van de koning en glimlachte breed.
Ik laat ze natuurlijk nooit meer gaan, dacht Hendrika. Dat is toch logisch? Alles op zijn tijdstraks zou Anouk de waarheid wel horen. Voor nu eerst rust. Ze had wel genoeg meegemaakt.
Bij het luiden van de klok schonk Hendrika zichzelf een scheutje jonge jenever in, keek naar buitende lantaarns verlichte zachte sneeuwvlokken, en ze prevelde: Dank u wel, Heer, voor dit onverwachte geluk. Vaarwel eenzaamheidik heb weer een familie.Terwijl buiten vuurwerk de hemel sierde en vreemden elkaar op straat een gelukkig nieuwjaar wensten, zaten Hendrika, Anouk en het kindje dicht bij elkaar in de warme keuken. Anouk veegde een verdwaalde traan van haar wang en keek Hendrika voorzichtig aan, alsof ze niet helemaal geloofde dat dit geen droom was die elk moment uiteen kon spatten als een zeepbel.
Hendrika reikte haar de hand en kneep erin. Hier gaat niemand meer verloren, kind.
De klok sloeg twaalf. Heel even leek de tijd stil te staan. Er werd op de muur gebonsdeen buurman, dronken van blijdschap. Anouk schrok, maar Hendrika lachte: Gewoon de buren. Dat hoort erbij op zon avond.
Aarzelend schoof Anouk haar stoel dichterbij, het jochie sliep zwaar in haar armen. Hendrika keek naar dat kleine gezichtje en, zonder dat ze het had gepland, voelde ze haar hart overspoeld worden met een warmte die ze jaren had gemist. De muren van haar keuken leken ineens te ademen, gevuld met het zachte gegiechel van vroeger, de belofte van nieuwe ochtenden.
Mag ik morgen bij u blijven? vroeg Anouk zacht.
Hendrika streek een haarlok achter het verhitte voorhoofd van het meisje. Zolang jij wilt. En je kleine man ook.
Op dat moment, bij de eerste knallen van het nieuwe jaar, werd een oude pijn omgevormd tot iets nog onbekendseen fonkelend begin, als vuurwerk in de winternacht. De lege stoel aan Hendrikas tafel zou vanaf nu nooit meer leeg zijn.
En zo begon hun nieuwe verhaalheel eenvoudig, heel liefdevolonder het zachte licht van de keukenlamp, terwijl sneeuw de wereld stil en wonderlijk maakte.







