Dankjewel voor mijn vader

Bedankt voor mijn vader

– Wat zeiden ze bij de politie? fluisterde Merel, zodra haar moeder de telefoon op tafel legde.

– Niets goeds, Ans van Dijk pakte een glas water en nam een paar slokken. Ze zeiden dat het te vroeg is om alarm te slaan. Er moet minstens een dag voorbij zijn. Maar ik voel het Ik voel gewoon dat er iets is gebeurd!

*****

– Mam, hallo! Is papa nog niet weg? riep Merel, terwijl ze het appartement binnenstormde met een taart in haar handen.

– Hoi, lieverd. Hij is al weg. Ik had je toch verteld, vandaag zijn laatste werkdag: jubilaris, en hij wordt door het hele team uitgezwaaid nu hij met pensioen gaat. Dat kon hij natuurlijk niet missen, snap je wel.

Jammer baalde Merel.

– Maar hij heeft beloofd met de lunch terug te zijn.

– Prima, dan is Daan er ook net. Gezellig, met zn allen. Zullen we samen de tafel dekken?

– Zeker. Help jij dan met koken? Alleen red ik het niet. Maar eerst pakken we een kop thee. De waterkoker is net uitgegaan. En ik heb je favoriete tompouces! Wil je dat?

– Graag!

Moeder en dochter zaten aan de eettafel. Ze dronken thee, aten tompouces en praatten. Over het weer, over het seizoen, over vader die vandaag vijftig geworden was.

Alles voelde goed, behalve…

…Ans merkte dat er iets was met haar Merel. Alsof ze iets wilde vertellen, maar niet durfde.

Het gaf haar meteen een onrustig gevoel.

– Is er iets met je, meid?

– Zie je het zo duidelijk? Merel lachte wat onwennig.

– Ja, het valt op Wil je me iets zeggen?

– Ja. Maar niet schrikken, mam. Het is goed nieuws.

– Echt? Vertel dan maar gauw.

– Nou, Daan en ik hebben besloten dat jullie de volkstuin krijgen die we vorig jaar kochten.

– Echt waar? Geven jullie die zomaar weg?

– Met heel ons hart. Daan heeft het huisje daar opgeknapt, dus het is nu heerlijk toeven in het tuinseizoen.

– Maar wat doen jullie dan?

– Wij komen gewoon op visite, mam! Zelf die tuin onderhouden lukt ons toch niet zoals we dachten Merel zweeg even, met een geheimzinnige glimlach.

– Hoezo niet?

– Omdat jullie straks opa en oma worden. Nog acht maanden.

– Echt?

– Echt!

– Jeetje, Merel! Wat ben ik blij! En wat zal Joost opkijken als hij het hoort.

Ze sprong op, omhelsde Merel stevig en gaf haar een paar zoenen op haar wangen.

– Ik wilde het jullie samen vertellen, maar ja, papa was te snel weg.

– Geeft niet, straks hoor hij het alsnog. Maar nu, meisje Ans keek naar de klok zullen we verder koken?

– Ja mam, goed plan!

En meteen klonk er geroezemoes in de keuken, pannen werden opgestapeld, messen tikten op houten snijplanken. Men zegt wel: twee kapiteins op één schip gaat niet, maar Ans en Merel vulden elkaar moeiteloos aan. Alles wat ze wilden, kwam op tafel. En het diner werd om van te watertanden: gegrilde kip, viskroketjes, aardappelpuree en drie soorten salade.

Ans keek tevreden op de klok.

– Kijk nou, eerder klaar dan gedacht.

– Dat heb je met vier handen, lachte Merel. Bel je papa eens om te vragen hoe laat hij thuiskomt?

– Ja, goed knikte Ans.

– Dan bel ik Daan even, vragen wanneer hij komt.

Merel liep naar de gang, waar haar tas lag.

Ans pakte haar mobiel en toetste haar mans nummer in.

Ze luisterde lang naar overgaansignalen, hing op en probeerde het opnieuw. Weer geen antwoord. Met het toestel nog in haar hand, keek Ans naar de klok en dacht maar één ding:

Waarom neemt hij niet op?

Juist nu viel haar op: Joost had beloofd te bellen zodra hij op zijn werk was, maar had dat niet gedaan. Een rilling trok langs haar rug.

– Mam, Daan zegt dat hij binnen een uur er is! riep Merel blij toen ze terug kwam. En papa?

– Geen gehoor

– Vreemd.

– Ja, vreemd, Merel Ik heb hem nu al zo vaak gebeld, de telefoon gaat over maar Joost neemt niet op.

– Ach, mam, je weet toch wel hoe het gaat op zon dag. Ze feesten. Geen tijd om op te nemen.

– Nee, Merel. Hij had allang onderweg naar huis moeten zijn. En als papa iets belooft, komt hij dat na. Hij heeft zelfs niet gebeld toen hij op het werk aankwam. Dat is niks voor hem. Waarom neemt hij dan niet op?

– Misschien kun je zijn chef bellen? Zeggen dat de jarige naar huis mag? De familie wacht!

– Ja, ik ga eens proberen.

Ans was nooit een paniekzaaier, maar nu had ze een slecht voorgevoel. Joost had altijd gereageerd op haar telefoontjes, altijd.

Zelfs als hij druk was.

Want hij had altijd gezegd: niets of niemand is mij dierbaarder dan jij, ik wil niet dat je je zorgen maakt.
Zeker vandaag zou hij opnemen moeten. Hij wist toch dat ik me snel zorgen maak.

Misschien, dacht Ans neemt zon afscheid meer met hem mee dan ik dacht. Een kwart eeuw gewerkt daar, dat valt niet mee om los te laten Tja

– Hallo! klonk een mannenstem, die haar uit haar gedachten haalde.

– Dag Olof, met Ans, de vrouw van Joost. Weet u misschien wanneer mijn man naar huis komt? Wij wachten hier met zn allen… Mijn dochter is er al, mijn schoonzoon komt zo.

– Dag Ans! reageerde de chef. Eerlijk gezegd weet ik het niet goed.

– Hoezo?

– We zitten ook op hem te wachten. We hebben hem al meerdere keren gebeld, maar hij neemt niet op.

– Wat bedoelt u? Is Joost niet op het werk geweest? Ans wist niet wat ze hoorde.

– Nee, nog niet. Maar we verwachten hem elk moment. Mocht u hem eerder spreken, zegt u dan dat we op hem wachten. We zullen hem niet lang ophouden hoor, maar het is hier traditie om afscheid te nemen.

– Ja, natuurlijk Olof, wilt u mij direct bellen als hij komt?

Ans legde met trillende handen haar telefoon neer en keek haar dochter aan:

– Merel, hij is niet op zijn werk geweest En hij neemt niet op. Al zo lang Waar kan hij zijn?

– Rustig blijven, mam. Maak jezelf niet gek. Laten we samen blijven proberen.

*****

Joost stapte het portiek uit, groette de zon, knikte naar de oude dames op het bankje en liep op zijn gemak naar de bushalte.

Al vijfentwintig jaar hetzelfde rondje, ook vandaag leek op andere dagen.

Behalve dat hij vandaag niet ging werken, maar zijn papieren moest ophalen en afscheid nemen van collegas. Hij had zelf zo vaak collegas uitgezwaaid nu was hij zelf aan de beurt.

Hij was nerveus. Hij had de hele nacht nauwelijks geslapen. Trouwens, tegen zijn vrouw had hij niks gezegd over zijn benauwdheid hij wilde haar niet nodeloos laten schrikken.

Hij ging extra vroeg weg, wilde zich niet verraden. Anders zou Ans alles afblazen, zo kende hij haar. En zijn opstappende collegas rekenden op hem.

Kom op, straks is het weer over, probeerde hij zichzelf gerust te stellen, zijn hand steeds vaker tegen zijn borst.

Bij de halte voelde hij zich benauwd. Toen hij de volle bus zag, wist hij: dat houd ik niet vol vandaag.

Hij besloot dan maar te lopen. Het weer was goed en tijd genoeg. Buitenlucht zou hem goed doen.

Natuurlijk belde hij Ans niet dat zou hij pas doen als hij op het werk was, zoals afgesproken.

Maar hij kwam nooit op zijn werk aan.

Zijn route liep door een klein stadspark. Bijna geen mens op doordeweekse ochtenden. Net daar kreeg hij flinke pijn. Joost ging op een bankje zitten, maakte het bovenste knoopje van zijn overhemd los, trok zijn stropdas losjes, en haalde diep adem. Hij kon niet zeggen hoe lang hij daar zat.

Hij merkte wel dat het slechter werd, niet beter.

Tot het laatst wilde hij Ans niet bellen, maar toen hij knapte, haalde hij zijn mobiel uit zijn zak, met moeite.

Eerst mijn vrouw bellen, dan 112, nam Joost zich voor. Maar het lukte niet.

Zijn handen trilden zo erg dat de telefoon viel, rolde onder de bank.

Toen hij probeerde op te staan, blokkeerde zijn borst, ademhalen ging nu amper nog, en daarna werd het zwart voor zijn ogen.

Het enige wat hij kon doen: zich languit op de bank laten zakken. Hier, een jubileum, een pensioen en dit, dacht Joost, met pijn in zijn hart, vooral omdat hij zijn vrouw en dochter niet nog één keer zou spreken.

Of afscheid nemen van hen.

*****

Ans slikte hartdruppels, probeerde opnieuw Joost te bellen. Alleen overgaan Merel probeerde het ook, minstens tien keer. Geen enkel resultaat.

Toen Daan arriveerde, zaten ze gedrieën aan de inmiddels feestelijk gedekte tafel. Ze keken elkaar zwijgend aan. Wachten.

– Waarom zitten we hier nog? kwam Ans ineens tot zichzelf. We moeten de politie bellen, misschien kunnen zij helpen zoeken?

Merel en Daan steunden haar voornemen. Iedereen voelde: een man als Joost was niet zomaar weg.

Helemaal omdat hij bij de brandweer werkte, vaak midden in gevaarlijke situaties, en altijd bereikbaar. Als hij niet opneemt, is dat reden genoeg om te ongerust te zijn.

– Wat zei de politie? fluisterde Merel, toen haar moeder de telefoon neerlegde.

– Niets goeds, zei Ans, terwijl ze een slok water nam. Ze zeggen dat het te vroeg is voor paniek. Minstens 24 uur wachten. Maar ik voel het Er is iets gebeurd, dat weet ik.

– Dan gaan we zelf zoeken! riep Merel nu vastbesloten.

– Ja, kind. Je hebt gelijk. Zelf zoeken Hij zou met de bus gaan. De halte is vlakbij. We moeten daarheen, navragen, misschien heeft iemand iets gezien. Vraag ook de chauffeurs wie weet hadden ze deze ochtend dienst.

– Mam, Daan en ik doen dat, blijf jij thuis, in geval hij terugkomt. Bel ondertussen de ziekenhuizen. Gewoon even checken, want je weet het maar nooit.

– Is goed, meisje

Merel en Daan schoten hun jassen aan en vertrokken om Joost te zoeken.

Ans, achtergebleven in huis, begon meteen alle ziekenhuizen in Amsterdam en omgeving te bellen.

Laat er alsjeblieft niets met hem gebeuren, fluisterde ze, terwijl ze een kruisje sloeg.

*****

Joost was bij bewustzijn, al werd alles zwaarder. Zijn arm reageerde amper. Spreken mislukte; zijn tong voelde dik, woorden puilden niet uit zijn mond.

– Help murmelde hij en reikte uit naar twee vrouwen die voorbij liepen.

Ze keken hem aan, trokken hun neus op en liepen door.

– Weer een dronkenlap! foeterde de een.

– Vast alweer sinds vanmorgen aan het drinken, nu strompelt hij en blijft liggen Bah!

Joost hoorde hun harde woorden. Tranen liepen over zijn gezicht. Zo machteloos geen hulp kunnen vragen, niet eens bewegen. En dat, terwijl hij zelf tientallen levens had gered, mensen én dieren. En nu was hij zelf hulpeloos.

Waarom net vandaag?

Toen hun hakken weggestorven waren, deed hij zijn ogen dicht. Hij aanvaardde dat niemand hem vandaag zou helpen. Maar ineens

… hoorde hij kortbij hard geblaf, pal naast zijn oor.

Toen voelde hij pootjes op zijn borst, natte tong tegen zijn kin.

Een hond! Een hond!, dacht Joost blij. Waar een hond is, zijn mensen in de buurt!

Hij opende met moeite zijn ogen en herkende het beestje. Niet meer piepjong, maar… waar kende hij die hond toch van?

Toen schoten de beelden helder door zijn hoofd.

Hij zag een huis in brand, mensen die door zijn collegas naar buiten werden gedragen, en hoorde uit het kapotte raam luid blaffen.

– Zit er een hond binnen? had Joost geroepen naar de man in de ambulance.

– Ja, klopt! Maar wij konden hem niet meenemen, het ging allemaal zo snel…

– Waarom zei u dat niet eerder?! had Joost geroepen, daarna was hij, tegen alle adviezen in, het brandende huis binnengegaan.

Ze probeerden hem tegen te houden, gevaarlijk immers het dak kon elk moment instorten maar hij luisterde niet.

Tien minuten later kwam Joost, rochelend, met een hond in zijn armen naar buiten.

Hij overhandigde het beestje aan de eigenaar en bleef kijken, diep in de hondenogen.

Daar las hij GROOT MENSELIJK DANKJEWEL. De hond bedankte Joost met zijn blik voor het redden van zijn leven.

Toen floepte het beeld weg en was alles donker. Donker en koud.

– Waf! Waf! blafte de hond luid, bleef Joost aflikken, die op het bankje lag.

Hij had zijn redder herkend en wist: ik moet helpen.

– Als je kan… fluisterde Joost zwakjes haal mensen. Alsjeblieft, haal iemand.

Daarna verloor hij het bewustzijn.

Maar de hond… Die had het gehoord. Hij begreep het.

Hij rende het park uit, zocht mensen. Eerste de jongen bij de donerkraam, toen een vrouw met een kind bij het zebrapad, vervolgens een man bij de krantenshop.

Maar niemand…

…niemand begreep wat hij bedoelde. Ze joegen de hond weg, dachten dat hij gevaarlijk was. Terwijl hij alleen om hulp vroeg.

*****

Bij de halte konden Merel en Daan niets vernemen: niemand had de man op de foto gezien. Merel had een familiefoto meegenomen in de hoop dat dat zou helpen.

Elke minuut telde, ze wist niet langer te wachten bij de halte.
Samen sprintten ze van winkel naar winkel, door alle hofjes in de buurt.

Geen spoor van haar vader. Weg, in rook opgegaan. Telefoon? Niet bereikbaar. Waar ben je, papa? Waar?!

Langs het park hoorde Merel ineens geblaf. Ze keek om en zag een oudere niet zo grote hond, blaffend naar passanten, telkens wegduikend als men een schopbeweging maakte.

– Ga weg, rotbeest! snauwde een bejaarde heer met zijn stok. Te veel onbeschoft tuig op straat!

– Wat is er, Merel? vroeg Daan toen merkte dat zij bleef staan, terwijl ze eigenlijk naar de taxis wilden.

– Dat weet ik niet… Die hond, Daan… Het is niet gewone blaf. Alsof hij iets wil zeggen Ik voel het gewoon.

De hond keek Merel strak aan, hun blikken kruisten. In die ogen zag Merel geen vraag maar een noodkreet, een wanhopig verzoek.

– Waar ga je? Daan was verbaasd.

Maar Merel luisterde al niet meer.

Ze liep naar de hond, die meteen naar haar toe kwam. Hij draaide om haar heen, blafte, kwispelde en rende dan het park weer in, Merel achter zich aan. Daan volgde snel.

Vijf minuten later waren ze bij het bankje, waar Joost buiten bewustzijn lag. Maar gelukkig: hij ademde nog.

Hij leefde!

– Papa! schreeuwde Merel, ze tilde zijn hoofd op, probeerde hem bij kennis te brengen. Daan, bel 112!

*****

De ambulance was snel ter plaatse. Joost werd naar het AMC gebracht, daar was een goede hartafdeling.

Merel nam de hond mee, samen met Daan snelde ze naar huis om spullen op te halen en direct naar het ziekenhuis te gaan.

Onderweg belde ze haar moeder: in een paar zinnen vertelde ze alles, beloofde direct weer te bellen zodra ze nieuws had.

– Uw vader heeft echt geluk gehad, zei de arts niet veel later. Jullie hebben hem precies op tijd gevonden. Was het een half uur later geweest, dan had hij er waarschijnlijk niet meer geweest.

– Hij blijft leven?! Merel huilde opgelucht.

– Ja, hij blijft leven.

Merel liep naar buiten, knielde bij de hond die bij Daan wachtte bij de auto en sloot hem in haar armen.

– Dankjewel… Dankjewel voor mijn vader.

– Hoe gaat het met papa? vroeg Daan.

– Het komt goed. Hij blijft leven, antwoordde Merel uitgeput. Alleen dankzij hem, ze wees op de hond.

– Hij heeft een halsband, dus hij is van iemand.

– Klopt Maar weet je, wij nemen hem mee naar huis. Totdat zijn baas gevonden is. Hij heeft mijn vader gered ik kan hem niet op straat laten.

– Tuurlijk, schat.

*****

Ans, Daan en Briek (zo stond gegraveerd op het naamplaatje aan de halsband van de hond) stonden op de stoep van het ziekenhuis en tuurden naar de hoofdingang.

Na tien minuten gingen de deuren open, Merel kwam naar buiten samen met haar vader.

Briek kwispelde wild, rende op Joost af. Hij sprong, blafte, straalde van blijdschap.

– Kijk papa, hij heeft jou gered. Het mooiste verjaardagscadeau ooit je leven.

– Dankjewel, vriend, glimlachte Joost, bukte voorzichtig en aaide de hond. Maar waar zijn zijn baasjes? Ik weet zeker dat hij die heeft.

– We hebben gezocht, online advertenties gezet, maar zolang jij in het ziekenhuis lag, heeft niemand zich gemeld.

Ans kwam erbij. Ze huilde, haar handen trilden, maar ze glimlachte.

– Bedankt Joost, dat je leeft.

– Sorry, Ans, dat ik je niks verteld heb over mijn hartkwaal. Dacht dat het overging Maar het liep anders.

– Je bent vergeven. Zullen we naar huis? Jouw tweede verjaardag vieren? vroeg Ans al snikkend.

– Ja, laten we gaan.

*****

En Briek? Joost zocht zijn baasjes, reed zelfs naar het huis dat vorig jaar afbrandde.

Daar woonde allang niemand meer. De buren vertelden dat de bewoners verhuisd zijn, de hond lieten ze achter. Geen tijd, geen zin meer, waarschijnlijk.

Dus bleef Briek bij Joost wonen. En daar was hij gelukkig mee.

Ook Joost was blij.

Samen ging hij naar het werk om nu echt afscheid te nemen, samen klusste hij op de volkstuin, samen met Daan haalde hij Merel en haar kersverse tweelingdochtertjes uit het ziekenhuis.

– Gefeliciteerd, papa! straalde Merel. Nu ben je opa van twee prachtige meisjes!

– Wat ben ik trots, meid!

– Waf! riep Briek ook blij, want alles was weer goed met de familie die hem zo dierbaar was geworden.

Stap voor stap kreeg Joost zijn leven weer op de rit. Alles werd weer lichter en zinvoller.

Zijn hele leven bleef hij Briek dankbaar. Die had hem zijn leven gered.

Please rate
Bagattia News
Dankjewel voor mijn vader