De Vrouw van Steen

*Dagboek van een stenen vrouw*

Vandaag is een dag die ik niet snel zal vergeten. Het begon allemaal toen ik, Jacqueline van der Wal, vanmorgen op straat onderuit ging, midden in een vieze, koude modderpoel. Mijn benen gaven het gewoon op. Geen kracht meer om overeind te komen. Twee mannen tilden mij op ik voelde me slap en zwaar, mijn leren tas stevig op mijn schoot, en even later zat ik al in een rolstoel, die me naar de Spoedeisende Hulp van het Universitair Medisch Centrum Amsterdam bracht. Liggend vervoerd worden? Geen sprake van. Zodra ik weer bij zinnen was, snauwde ik de ambulancechauffeur toe dat hij naar sigaretten stonk, wees de verpleegkundige op zijn traagheid en zei tegen de stagiaire een jongen van MBO Zorg dat hij zijn handen van me af moest houden.

Alsof ik dat nou wíl! snauwde die terug.

Durf je tegen mij te blaffen, jongeman? Nog één grote mond en we zullen zien wie het voor het zeggen heeft! zei ik, terwijl ik me stevig in het rolstoelkussen duwde en me als een boze uil bol omhoog trok. Mijn ogen flitsten door het ziekenhuis alsof ik stiekem inspectie kwam houden. Mijn wenkbrauwen trokken samen boven mijn granieten gezicht, mijn huid vertoonde kleine adertjes verstopt onder een dikke laag foundation die nu, zweterig van de stress en de injecties, in lelijke ribbels mijn rimpels accentueerde.

Kunnen we verder? Hier tocht het vreselijk! snauwde ik, wijzend naar het drukke gangpad.

Aan de balie keek een dame me streng aan. Ik viel op, met mijn lange, luxe winterjas met bontkraag over de knieën een hele investering met die prijzen in euros tegenwoordig. De papieren verdwenen van de brancardiers naar haar handen. Mevrouw van der Wal is nu mijn verantwoordelijkheid. Jullie mogen gaan, gebaarde ze.

Hypertensieve crisis, buiten bewustzijn geraakt op straat Nee, geen hoofdletsel. Haar bloeddruk is momenteel meldde de stagiair, Romke, in zijn blauwe uniform.

Prima, Romke. Ga maar gauw, het is hier al vol genoeg. Een verpleegster klopte hem op de schouder. Moeder? Vast wel, die gelijkenis.

Familie helpen aan werkplekken Dat moet, schoot het door mijn hoofd.

Mijn hoofd bonkte, mijn armen bungelden slap op mijn schoot zelfs mijn tas, die zo duur was en voorzien van het logo van een bekend Italiaans merk, gleed haast op de grond. Kracht om hem op te rapen zou ik niet meer hebben. Eigenlijk had ik nergens nog kracht voor. Zelfs praten was zwaar. Mijn droge tong plakte tegen mijn verhemelte; een glas water zou alles zijn.

Mag ik wat water, alstublieft? riep ik zo duidelijk mogelijk naar niemand in het bijzonder.

Niemand hoorde mij. Overal om me heen mensen: familie die brancards langs duwde, elkaar troosten, vragen stelden of zieken heen en weer schudden. Artsen renden voorbij, bogen over dossiers, verdwenen met patiënten in behandelkamers, verpleegkundigen schoten onder stroom, maar voor mij leek niemand tijd te hebben.

Wie is hier van der Wal? Van der Wal? klonk het uiteindelijk van een van de zusters, zoals ik ze stilletjes noem.

Ik. Hier! zei ik eerst zacht, toen luider.

Mooi, hier is een potje voor urine, toilet daar, daarna bloedprikken. En haal die muts van uw hoofd, we zitten hier niet op Nova Zembla!

Pas toen besefte ik dat ik nog een behaaglijke, pluizige bontmuts droeg net als die vrouw uit Alles is Liefde. Geen wonder dat het zweet me langs het voorhoofd liep.

Met tegenzin trok ik het gevaarte van mijn hoofd en zocht naar een plek in mijn tas die niet al vol zat met papieren. Even snel ontslagen worden daar ging ik van uit, zon directeur van een glasbedrijf als ik, Jacqueline van der Wal, heeft toch geen tijd om wekenlang te rusten. Klanten, vergaderingen glas, glas, glas!

De zuster zette het potje op mijn schoot. Alles aan mij is groots: als kind was ik altijd de grootste van de klas, met gigantische voetmaten waar zelfs in Amsterdam niet zomaar schoenen voor te vinden waren. Ook nu: een indrukwekkende, stevige vrouw, geboren uit een stoere vader en een frêle moeder mijn moeder leek een Kabouter naast mij. Mijn vader was een echte reus, tenminste, totdat kanker hem wegnam toen ik acht was.

Altijd voelde ik me lomp, anders, logischerwijs zoekend naar mijn plek. Sport was mijn uitlaatklep: toevallig had mama iets met een atletiekleraar, en om haar zwoele avonden niet te storen, werd ik op discuswerpen en kogelstoten gezet eindelijk iets waar mijn postuur in mijn voordeel werkte. Blessures droeg ik de rest van mijn leven mee, maar sporten betekende voor mij: bestaan.

Later, een stom ongeluk met de liefde hij voelde zich waarschijnlijk fascinerend omdat de reus Jacqueline ook gewoon een vrouw was. Ik dacht dat het liefde was, blunderde, groeide op, begroef mijn moeder… en bouwde mezelf tot een vrouw waar mensen van opkeken. Letterlijk en figuurlijk.

Mijn carrière begon bij de woningcorporatie, vervolgens de bouw vaak voor een man versleten tot men beter keek. Vriendelijk, maar keihard je eigen muur zo stond ik bekend als bazin. Streng, direct, niet zachtzinnig, maar wie bij mij hoorde werd beschermd. Stenen vrouw, werd er gefluisterd.

Toen kwam mijn eigen bedrijf: Ramen & Zo. Ik wist alles van glas en kunststoffen, van leveranciers tot installatie. Mijn personeel liet ik voelen dat ik er áltijd voor hen was, maar thee drinken deed ik niet dat leek me, met mijn postuur, wat té koddig.

Ik wist alles over mijn mensen, tot aan zwangerschapstesten aan toe: had mijn secretaresse een test gekocht, dan had ik al een lijstje met goede klinieken klaarliggen. Weet iedereen eigenlijk alles, behalve dat ik geen vriendinnen had. Zo was het fijn, geen gevaar gekwetst te worden door achterklap over die reus.

De waarheid zei ik recht in het gezicht, altijd met het oog op het grotere geheel. Ontsloeg ik iemand, dan hielp ik alternatieven zoeken. Hard? Eerder een trein naar de toekomst niet ervoor durven staan, want die trein dendert door. Zeker nu ik een klein achterwagentje heb: mijn zoon Stef.

Die paar, die mijn ritme aankonden, bleven. Zo bouwde ik onder de druk van arbeidsmarkt en jonge concurrenten een kernteam. Mijn hoop in bange dagen. Terwijl ik nu machteloos in het ziekenhuis lig, hoop ik maar dat zij geen misstappen begaan.

Plots: Wat is dit? Nee, dat ga ik niet gebruiken! riep ik bij het zien van het urinepotje, direct opstandig. Ik heb een hypertensieve crisis, ik moet liggen! Mijn stem rolde door de gang.

Rustig, schat! Een morsige man op de bank, met een pleister op zijn hoofd, raapte het potje op. Ik wil het wel even voor je doen, hoor! Geef je me die bontmuts dan als ruil? Houd wel van flinke dames.

Help jezelf maar! siste ik, vooral richting de muur, waarna mijn rolstoel krassend twee deuken in het stucwerk boorde.

Mevrouw, niet zo doen! We hebben net alles opgeknapt! bromde een verpleegkundige. Wie is dit? Waar is ze eigenlijk van?

Van niemand van mezelf. Geef mij het adres, ik bestel zelf wel een taxi! mompelde ik, zwaar overeind krabbelend, telefoon in de hand.

Waar wilt u nou helemaal heen? Blijf zitten, straks komt de dokter, antwoordde de zuster terwijl ze me in de gaten hield. Maar ik was al bezig te bellen.

Stef? Daantje, mag ik Stef even spreken? Daan is mijn schoondochter; Stefs vrouw. Ja, ik ben in het ziekenhuis, morgen belangrijke afspraken. Waar is Stef?

Ik schreeuw nooit, ik schilder de ernst altijd rustig, maar kordaat. Iedereen snapt dan vrij snel dat het menens is. Daan beende naar de badkamer, Stef zette de douche uit, riep Watte?! en ging weer verder. Zodra mama belt, is er immers nog geen paniek. Laat me eerst even.

Altijd bleef Stef op me wachten, als kind, tot in de avonduren tot ik thuiskwam van mijn zakelijke netwerken, later business genoemd. Door mijn ramenbedrijf verhuisden we naar een ruimere flat. Ik schonk de school van Stef nieuwe ruiten, hielp kennissen, regelde verbouwingen en zijn leven draaide om mij, zonder dat hij het eigenlijk wilde.

Thuis controleerde ik huiswerk, knikte bij goede resultaten, verbeterde rustig fouten Tot het perfect is, zei ik altijd. Dat hij de beste was, lief, gewoon om wie hij was dat zei ik nooit. Geen zoete verhaaltjes voor het slapen gaan. Nooit.

Ze houdt niet van me. Gewoon niet. Die conclusie trok Stef rond zijn negentiende. Geloofde ik dat? Niet echt. Ja, door mijn netwerk kwam hij makkelijk aan zijn studieplek, hoefde hij nergens bij te werken, maar dat is mijn plicht ik heb hem op de wereld gezet; hem begeleiden is gewoon deel van het pakket. Mij bellen uit het ziekenhuis? Alsof dat belangrijk is…

Na wat gepraat met Daan hing ik uiteindelijk op. De realiteit: op de vraag van de baliedame Bij wie hoort u? kon ik opgelucht zeggen: ik ben van niemand, alleen van mezelf.

Weer probeerde ik op te staan. De rolstoel gleed weg, mijn benen begaven het en ik zakte door mijn knieën op de koude, gladde tegelvloer. De dure leren tas viel open, mijn muts rolde mee, bij mijn gezicht. De zwerverachtige man snelde toe, tilde me half overeind, en achteraf bleek griste hij mijn portemonnee en een barnstenen ring van mijn hand.

Zijn gezicht kwam mij vaag bekend voor, iets aan zijn mond en houding… maar het werd zwart voor mijn ogen. In mijn oren klonk onophoudelijk: Blijf rechts aanhouden. Blijf rechts aanhouden…

Meestal ga ik met de auto naar het kantoor aan de Zuidas. Mijn chauffeur René haalt me dagelijks op om half acht. Altijd netjes mijn jas aan, René zet klassieke muziek op. Zijn vrouw chronisch ziek? Mijn netwerk regelt medicijnen, vakanties, bonussen… Hij is naar mij toe net zo loyaal als een makreel in een goed net.

Vandaag stond René vast: een vuilniswagen had zijn bumper verpletterd.

Zal ik een taxi bellen, mevrouw? vroeg hij verontschuldigend.

Nee, laat maar. Mijn bontmuts nog stevig op het hoofd, nam ik de metro, ook al voelde ik me al niet lekker. Was ik bang, toen ik schrok van die botsing? Natuurlijk. Maar alles is op te lossen met euros dat dacht ik nog.

Op weg naar mijn werk in het Amsterdamse metrostelsel was het druk, broeierig, met mensenstromen die door elkaar drentelen. Blijf rechts aanhouden… hoorde ik in de ondergrondse. Gehoorzaamde ik, werd anders onder de voet gelopen door haastige studenten.

Nu zit ik hier, na alle drukte van infusen, prikken, piepende apparaten, in een ziekenhuisbed. Het is donker, het ruikt naar parfum, medicijnen, een vleug boekweitpap en verse vanillebeschuitjes. Van die laatste houd ik maar mezelf verwennen, dat doe ik zelden.

Mijn kamer kijkt uit richting het Vondelpark, je ziet niets van het drukke verkeer. De lichten buiten fonkelen bont, bijna als een kerstkrans met lampjes.

Ooit kocht ik zon mooie slinger voor Stef toen hij nog klein was. Hij zat alleen in de gang van de crèche, terwijl de leidster haar jas aantrok: Kijk, Stef! Je mama is er toch gekomen!

Snel veegde Stef zijn ogen af hij wilde me nooit laten zien dat hij huilde. Hij trok stoer zijn rode overall aan, met die reflectiestrepen. Hij deed altijd alsof kleding hem koud liet, alleen om mij te ergeren. Altijd was er iets waar hij mij de schuld van gaf. Anderen hadden vaders. Anderen hadden moeders in knusse, wollen rokken. Zij keken liefdevol, trokken hun kinderen omlaag naar zich toe.

Mijn verschijning daarentegen torende boven alles uit. Geen knuffel, geen commentaar. Gewoon wachten.

Wat zit er in die doos? vroeg Stef eenmaal naast me lopend.

Daar zit een prachtige lichtslinger in, jongen! We hangen hem in onze kerstboom, dan wordt het een feest, zei ik. Zijn ogen glinsterden ik verbaasde mezelf, zo enthousiast klonk ik ineens.

Stef stelde zich voor hoe het licht rond glitterde in de glazen ballen. Daarover zou hij de volgende dag vertellen op school, dacht hij… Maar thuis werkte de slinger niet. Teleurgesteld draaide hij zich af. Ik rolde snel het snoer op; Kom, eten. Ik moet de was nog strijken. Twee dagen later bracht ik een werkende slinger gerepareerd door een monteur van mijn glasbedrijf maar Stef was inmiddels ziek en er was niemand aan wie hij het kon laten zien.

Nu lijkt het wel alsof een onbekende, krachtige hand een slinger over het hele leven heeft gespannen, lampjes flikkeren in harten behalve die van mij, die lijkt doorgeslagen. Reparatie gevraagd…

De deur zwaait open. Een kleine, magere vrouw in roze verpleegkundige kleding komt naar me toe. Niet je ogen openen, ik haal de mascara eraf. Rustig maar. Ze streelt mijn wangen met iets kouds, waarschijnlijk een nat wattenschijfje.

Heerlijk… God, wat is het fijn! Mijn huid tintelt zacht, ze zegt geruststellende woorden.

Ik denk terug aan mijn moeder, allang overleden, haar graf onderhouden door twee mannen die ik heb betaald om de hekje weer recht te zetten en vergeet-me-nietjes te zaaien.

Als ik vroeger ziek was, kwam ze altijd met een natte, frisse handdoek aan. Zacht, schoon, zelfs met een vleugje winterlucht.

Het is niet nodig, hoor. Ik kom er zelf wel bovenop. Ik draai mijn hoofd weg, voel me beschaamd.

Ssst… U moet rusten. Gun uzelf wat verzorging, fluistert de verpleegkundige. Kom, haar los, even…

Ze tilt behoedzaam mijn hoofd op, steekt de haarspelden uit mijn haar.

Ik zal betalen, zoekend in mijn tas. Mijn portemonnee… verdwenen…

Ik snik. Voor de tweede keer in mijn leven ben ik beroofd. De eerste keer gebeurde het twintig jaar geleden, op de roltrap in de metro. Een vent drong zich tegen me aan, ik deed niets. Buiten, bij de kiosk, ontdekte ik dat mijn tas was opengesneden. Portemonnee weg, met een foto van Stef en een kleine guldenmunt, ooit gekregen van een collega. Er was weinig geld kwijt, ik huilde om de portemonnee zelf de eerste mooie, van zachtblauw leer, waar ik net zo trots op was… Nu opnieuw: verlies.

Maak u geen zorgen. Ik haal de bloeddrukmeter, is het enige dat de verpleegkundige zegt. Ze vertrekt, komt terug. De band spant om mijn arm. Ik val langzaam weg in een warme, stroperige slaap…

Thuis lijkt het Stef niet te deren. Daan belt nog een paar keer geen antwoord. Er is iets, Stef. Bel haar werk, zoek haar. Stef haalt zijn schouders op. Mam redt zichzelf wel. Zij heeft vast een privé-IC, relax maar, Daan.

Hij ploft neer voor hun enorme flatscreen een cadeau van mij. Voetbal vervangt familiegevoel.

Daan pakt haar jas, vertrekt ze gaat naar mijn huis om spullen te halen. Wij tweeën hebben nooit een warme band opgebouwd. Geen ruzies, geen diepe affectie. Ik houd van hen op mijn eigen manier: nieuwe ramen als het tocht, een winterjas, een fitnessabonnement gewoon doen, niet teveel discussiëren.

Daan begreep mijn aanpak niet meteen, later nam ze het maar zoals het kwam.

Zo toon ik liefde: niet met woorden, maar door zekerheden te organiseren. Voor Stef slaapkamers, zwemlessen, attenties alles wat ik vroeger miste, moest hij krijgen.

Zijn huwelijk? Hij trouwde jong, zij kozen hun restaurant, ik betaalde. Alles netjes, alles geregeld. Daan vond haar jurk waar ze wilde, maar ik lette wel op kwaliteit.

Echte nabijheid was er nooit. Ik bleef een blok graniet. Werk, glas, offertes, mensen begeleiden, alles op mijn schouders.

s Nachts in het ziekenhuis huil ik stilletjes in mijn kussen. Waarom, weet ik niet.

De volgende ochtend gaf men mijn gestolen ring en portemonnee terug: De man uit de wachtkamer is overleden. Hartstilstand. Hij heette Nico Brouwer, kreeg ik te horen.

Plots herkende ik hem. De koning van de atletiekverenging, degene die mij had laten dromen, maar ook gekwetst. Hij had mij ooit vriendelijk aangepakt, de reus Jacq, had me laten geloven in het sprookje en daarna weggegooid. Nu was hij dood. Ik leef nog.

En ergens, onder al dat graniet, zit gewoon een mens, een vrouw die heel lang niet heeft leren ademen van geluk.

Nu gaat het anders worden. Er zijn mensen: Katelijne, mijn oude vriendin uit het ziekenhuis; Zinaida, mijn buurvrouw hier; Daan, naïef maar zachtaardig. Mijn werk, onkruid dat blijft doorgroeien, vergeet-mij-nietjes alles dat liefde vraagt. Er is straks een kleinkind, ik heb hem al op de echo gezien.

Verwacht nooit iets terug, Daan,’ fluisterde ik. ‘Maar blijf liefhebben, en zeg het hardop. Vrouwen moeten iemand liefhebben, anders worden ze steen.

Daan knikte. Nee, ik ben geen stenen vrouw. Ik ben een vrouw met littekens, kwetsbaar. Groot, statig maar ook enorm zacht. Ooit werd ik zo geboren, en schreeuwde ik hard vanuit mijn wieg mijn plek op in de wereld.

Please rate
Bagattia News
De Vrouw van Steen