Zaterdag 12:00. De bel gaat. Ik kijk Petter aan en hij zegt nuchter: Niet bewegen. We zijn niet thuis.
Maar ze bellen toch aan! Even verstijf ik in de houding van iemand die net van de bank wil komen. Misschien is het belangrijk, fluister ik naar Petter. Of iemand die echt iets moet?
Petter haalt zijn schouders op. Het is zaterdagmiddag. Je hebt niemand uitgenodigd, ik wacht ook niemand. Dus?
Ik wil toch even door het spionnetje kijken, zeg ik zachtjes.
Ga zitten, klinkt Petters stem streng. We zijn gewoon niet thuis, wie het ook is. Laat ze maar lekker teruglopen.
Maar weet jij dan wie het is? vraag ik.
Ik heb een idee, daarom beweeg je niet en blijf bij het raam vandaan!
Als het is wie ik denk, gaan ze echt niet zomaar weg, zucht ik.
Des te langer we niet opendoen, des te eerder druipen ze af. Overnachten in het trappenhuis doen ze echt niet. En wij hoeven nergens heen vandaag. Dus: koptelefoon, telefoon, en lekker een film opzetten.
Net als ik mijn draadloze oordoppen erin wil doen, hoor ik mijn telefoon trillen. Petter, het is mijn moeder!
Hij kijkt even en grinnikt. Dan is het je tante Marja met die onuitstaanbare zoon van haar.
Hoe weet je dat?
Als het mijn neef was, had mijn moeder gebeld! Of nog erger: zich er zelf voor gezet.
En als het iemand anders is? probeer ik.
Zijn het de buren, mijn behoefte aan chitchat is nul. Zijn het vrienden, dan hadden ze tevoren wel gevraagd of het uitkomt, niet eindeloos staan aanbellen als een wanhopige postbode. Nee, zulke opdringerigheid, dat is puur familie.
Ik zucht. Het is inderdaad tante Marja. Mijn moeder stuurt appjes: waar we uithangen, tante komt een paar dagen logeren voor wat dingen in Amsterdam.
Petter grijnst. App haar dat de stad barst van de hotels.
Petter! Ik kijk hem verontwaardigd aan. Niet aardig!
Oké, zeg dat we niet thuis zijn, vanwege een kakkerlakkenplaag. Hotel geboekt!
Mijn gezicht klaart op. Perfect! Ik typ snel een berichtje.
Ze vraagt om twee kamers, voor haar en Bas, piep ik verbaasd uit de keuken.
App dat we geen geld hebben. Of, beter nog, dat we twee stapelbedden delen met vijftien Poolse gastarbeiders in een hostel! Petter is zichtbaar tevreden over zijn vindingrijkheid.
Even later: Mam vraagt wanneer we dan terug zijn.
Over een week. Petter wuift het weg alsof het niks is.
Uiteindelijk wordt het stil in de gang. We zuchten tegelijkertijd opgelucht.
Ik kijk hem later aan, teleurgesteld: Ze komen gewoon over een week weer terug.
Petter knikt droog: Dan zijn wij er weer net níét.
Maar na een tijdje voel ik de moed zakken.
We kunnen niet eeuwig vluchten, Petter. Wat als ze op een doordeweekse dag komen, en na het werk voor onze deur staan te wachten? Jouw neef of mijn tante zijn tot alles in staat!
Ja, ik weet het, piekert hij. En toch dacht ik dat een ruim appartement in Haarlem voor onze grote toekomstplannen was
We kochten het toch écht voor onze toekomstige familie, verzucht ik.
Kinderen moeten er nu snel komen, bromt Petter. Twee, als we geluk hebben!
Jij weet best wat er aan de hand is. We moeten rust hebben! Zolang die zenuwen met familie en zo in ons hoofd zitten, lukt het nooit.
Hij heeft gelijk. We kochten vijf jaar geleden, nadat we dure testen hadden gedaanalles was tiptop! Geen kans op erfelijke ellende. Maar een flat kopen stond voorop, eerst sparen.
We investeerden: oude flat, flinke verbouwing, nieuwe meubels. De trots! Eindelijk een thuis.
Maar nog voor de champagne koud stond, schoven de eerste gasten binnen. Mijn tante en haar zoon. En om het af te maken: mn moeder erbij, want dan durven wij niks te zeggen.
Jullie hebben plek zat! Vroeger dachten wij dat dit luxe was, hè Marja? aldus mn moeder.
Perfect, één kamer voor mij, eentje voor Bas! lachte tante Marja.
De woonkamer is voor rust, probeerde Petter.
Ik ben echt niet van plan om s nachts te werken, lachte tante Marja verder. Bas snurkt als een zeehond, hij heeft zijn eigen bed nodig. En waar blijft die koffie?
Ja, wij verwachtten niemand, mompel ik.
En de koelkast is leeg, vult Petter aan.
Nee joh, geen probleem. Pettertje, even snel naar Albert Heijn, kom jij, Valérie, direct helpen in de keuken! commandeert tante Marja.
Ja, luilakken, roept mn moeder erachteraan.
Petter wil uit zijn slof schieten, maar ik trek hem de gang in.
In de slaapkamer sist hij: Zijn ze helemaal gek geworden? Ik stuur ze terug naar jouw moeder!
Het zijn simpele mensen, Petter! Van het platteland, zo doen ze dat.
Onbeleefdheid is nergens normaal. Dit is ronduit lomp!
Lieverd, niet ruzie maken. Anders krijg ik het maanden te horen. Jij wordt hun vijand, dat kan je echt niet maken!
Zuchtend vertrekt Petter naar de supermarkt.
Tante Marja bleef geen drie, maar veertien dagen. Tegen de tijd dat ze vertrokken, dronk Petter valeriaanthee als water.
We maakten het huis drie dagen schoon na hun vertrek. De rust keerde amper terug, want toen dook Petters neef Willem op met gezin.
Broer! Even crashen bij jou, beetje zaken regelen! brult Willem.
Alleen kan je niet regelen? vraagt Petter.
Heb gezin, gast. Kan ze toch niet in Almere laten zitten? Moet je niet aan denken! Willem propt zijn kinderen op de bank.
Binnen een uur stormen hun kinderen gillend door het huis. Willems vrouw, Sanne, giert over alles. Willem wil uit, Sanne gilt nog harder. Ik krijg hoofdpijn.
Petter, je bent toch enig kind? fluister ik.
Dit is mn neef van mn moeders kant bromt hij.
Kun je hem alsjeblieft vriendelijk verzoeken…?
Ik zou dolgraag, Valérie, maar als ik dat doe, word ik vier maanden gepsychoterroriseerd door mn moeder!
En zo ging het iedere maand. Tante Marja en zoon, Willem met de hele bubs, plus twee moeders die met zeurende vragen bellen. Onze zenuwen knapten langzaam.
In deze chaos dacht ik zelfs: hoe moeten we ooit een kind krijgen? Waar moeten we het überhaupt laten?
Zullen we ruilen van huis? stel ik voor.
Petter grijnst: Met een andere familie die zich vrijwillig opoffert?
Ja, een geheime verhuizing. Zodat niemand weet waar we zitten!
Ze komen erachter, Val. Dat weet je toch?
Misschien hebben we tijd om… je weet wel… iets voor elkaar te krijgen?
We moeten een kind krijgen én het opvoeden voordat ze het weten! En ook dan stoppen ze niet.
Dan kunnen we net zo goed bij vrienden logeren, suggereer ik.
Je bedoelt bij Kees en Annelies?
Ja, die hebben een extra slaapkamer!
Daar woont hun hond, Belle, lacht Petter.
Ik woon nog liever bij een herdershond dan met onze familie!
Plots: Wacht! Petter belt Kees. Mag Belle bij ons logeren?
O! Maatje! Gunst, ik wou je net bellen! Kees en ik gaan op vakantie, Belle kan nergens heen. Ze houdt niet van vreemden, maar jullie vertrouwt ze! Top!
Breng haar! Voeren, spullen, alles komt goed.
Ik draai me om naar Petter. Zullen we tante en Willem direct uitnodigen?
We kijken wel wie het eerst afhaakt, liefje.
Binnen vijf minuten staat tante Marja te gillen achter Bas: Doe die wolf weg!
Tante, u mag wel blijven, maar Belle blijft ook. Ze is onze lieveling!
Onze moeders bellen boos: waarom we de familie wegjagen? Ze mochten blijven, maar ze wilden zelf niet, antwoorden wij telkens. Iedereen blijft welkom hoor!
Na een maand ging Belle terug naar Annelies en Keesmaar ze stond in no-time klaar om terug te komen.
Niet meer nodig. Ik bleek in verwachting. Van een tweeling.
Soms moet je gewoon zorgen voor een beetje rust… En je eigen plek verdedigen.







