Stiefdochter

Stiefdochter

Toen ik Anna leerde kennen en we verliefd werden, was Marije zes jaar oud. Ze groeide op zonder vader en had zo’n enorme behoefte aan liefde, dat we geen enkele moeite hadden om aan elkaar te wennen. We leefden in volledige harmonie, tot het moment dat het beruchte puberleven zich aandiende.

Jij bent mijn vader niet! riep Marije op een dag.

Hoezo niet haar vader? Wie luisterde er jarenlang naar haar verhalen over pestkoppen in de klas? Wie verdedigde haar bij tienminutengesprekken op school? Wie verstopte de laatste stroopwafels in huis om ze aan haar te geven wanneer ze verdrietig was? Wie wist van haar geheimpje dat ze het popje van de vervelende Sophie uit de buurt had gestolen? En wie sloop midden in de nacht met de pop stiekem naar de tuin van Sophie om het zogenaamd te vinden, zodat het leek alsof het nooit was gestolen? Volgens mij spraken we een aantal jaar geleden nog af om verantwoordelijk te zijn voor onze woorden. Dus als zij mij haar hele jeugdje papa heeft genoemd, waarom ben ik dan nu ineens niet haar vader?

Het deed pijn die woorden van een stiefdochter die ik altijd als mijn echte kind had beschouwd. Maar ik kon het me niet veroorloven om haar mijn gekwetste gevoelens te laten zien. Ten eerste omdat ik een man ben, ten tweede omdat boos worden op Marije niets oplost en het conflict alleen maar erger maakt.

Argument begrepen, antwoordde ik met een quasi-serieuze groet. Dan bespreken we onze nieuwe relatievorm: de rechten en plichten van de niet-vader en de niet-dochter. Vind je niet?

Mijn hart bloedde, maar ik wist: vrijheid binnen grenzen was precies wat ze nodig had, en het mooiste was als ze die zelf mocht bepalen. Maar Marije bleef me verbazen. Ik wil niet! mopperde ze, en ze sloeg de deur voor mijn neus dicht. Dat had ze als kind nog nooit gedaan. Normaal was ze altijd heel helder over wat ze wilde en bespraken we samen of iets kon of niet. Springen van het dak van het tuinhuisje was bijvoorbeeld niet toegestaan en dan legde ik haar precies uit waarom, compleet met plaatjes van internet. Maar toen Marije in groep drie per se met Sjoerd van Zanten wilde trouwen en verhuizen, zei ik meteen: zodra dat mag van de wet, help ik je zelf verhuizen. Binnen een maand had ze allang andere plannen.

We bespraken gewoonlijk alles, en nu was er opeens alleen nog maar: ik wil niet! en jij bent mijn vader niet. Vroeger kon Marije zelfs uitleggen waarom ze geen havermoutpap at.

Het is niet lekker, zei ze.
Waarom niet?
Te weinig suiker en er zit een vieze vel op.

Kijk, dat zijn duidelijke argumenten! Dan maak je als ouder gewoon nieuwe pap of je geeft haar dat felbegeerde tompoesje.

Ik bleef nog even bij de dichte deur staan, turend naar de nerfstructuren van het hout, op zoek naar antwoorden die niet kwamen. Uiteindelijk schudde ik mijn hoofd. Het komt wel, dacht ik.

Anna had er minder moeite mee. Ze zei dat ze zelf als puber haar vader tot wanhoop had gedreven en dat het vanzelf wel zou goedkomen wanneer de hormonen eindelijk uitgewerkt waren. Alleen, bij ieder kind duurt het anders lang om terug te keren uit het land van ik wil niet en jij bent mijn vader niet. Maar eerlijk gezegd miste ik Marije. Het was zo stil zonder haar: niemand om samen Studio Sport te kijken of om samen te grinniken om Annas vriendin Loes, die vaker van haarkleur wisselde dan het weer in Nederland.

Na een tijdje kwam Marije af en toe uit haar schulp, maar voor de rest leek ze soms nog bozer dan ooit. Het patroon van haar goede buien was alleen bij haarzelf bekend. Maar áls ze weer even de oude was, voelde ik me zo gelukkig als een klein kind.

Meisjes, zullen we het weekend naar de Veluwe rijden? stelde ik voor op een avond. Ze voorspellen goed weer, we nemen de hengels en de tent mee.
Wat denk je Marije, gaan we? vroeg Anna enthousiast.
Ik ga echt niet met jullie mee! Neem je eigen hengels lekker mee, vissers! riep Marije, sloeg de deur dicht en liet ons verbijsterd achter. Nog geen twee minuten eerder leek ze nog vrolijk, en nu deze boosheid.

Waarschijnlijk houdt ze nu ook niet meer van vissen, zei ik, licht wanhopig.

En toen bleef Marije ineens weg. Ze kwam niet thuis na school en reageerde nergens op. We belden al haar vriendinnen en ik, ongeduldig geworden, stapte in de auto om haar te gaan zoeken. Ik reed eerst naar Jeroen, een jongen die tot voor kort tot haar vriendenkring behoorde, al had ik hem al tijden niet gesproken.

Geen idee waar ze is, gromde Jeroen.
Heb je echt geen enkel vermoeden?
Sinds ze me saai noemde, spreken we elkaar nauwelijks meer.
Weet je dat zij mij niet haar vader noemt? Maar ik maak me nog steeds zorgen om haar. Vriendschap stopt niet zomaar.

Ik draaide me om richting de trap.
Wacht, riep Jeroen, misschien is ze bij Daan.
Daan?
Uit de parallelklas. Alleen hij is niet zo’n beste jongen en volgens mij gaat u het niet leuk vinden.
Juist daarom! Ga je mee? Je kunt aanwijzen waar hij woont.
Ik ga niet mee, hoor.
Soms hebben mensen hulp nodig, zelfs als ze dat niet willen toegeven. Ik dacht altijd dat jij niet van die kleinigheden ondersteboven raakte.

Oké, zuchtte Jeroen en liep met me mee.

We arriveerden bij een rij garageboxen, waar harde muziek vandaan kwam.

Je mag in de auto blijven zitten als je wilt, stelde ik Jeroen gerust.
Alsjeblieft niet, ik ga gewoon mee, beet hij van zich af.

Er stonden wat jongens en een meisje bij de ingang. Marije zag ik niet. Ik liep op ze af.

Ik zoek Marije, is ze hier? vroeg ik boven de muziek uit.
Bent u het zoekteam? grapte een van hen flauw.
Net toen verscheen Marije in de deuropening.

Wat doe je hier? riep ze bijna boos uit.
Je ophalen.
Alsof ik de weg naar huis niet weet!
Dat geloof ik zeker, maar het is laat en ik heb geen zin om je straks op te halen uit het politiebureau. Dus hup, taxi staat klaar, prinses.

Marije snoof, maar stapte toch in, mopperend tegen Jeroen:
Verrader!

Sindsdien was ze nog vaker weg. Tegen beter weten in haalde ik haar steeds op bij die garageboxen, waar die jongens lachten dat ze haar persoonlijke taxi had. Maar één keer wilde ze niet met me mee.

Wat wil je van me? schreeuwde ze. Laat me met rust, ik ben volwassen! Ik doe wat ik wil, wanneer ik wil.
Schrijf die klacht maar naar de Tweede Kamer, zei ik, kijk maar in de Grondwet, daar staan de rechten en plichten van minderjarige Nederlanders precies in.
Rot op! Marije draaide zich om, als teken dat het gesprek klaar was.
Je weet dat ik toch niet zonder jou vertrek, zelfs niet naar de plek waar jij me net naartoe stuurde.
Had je maar nooit mijn moeder ontmoet! Was je er maar nooit geweest! siste ze, maar ging wel in de auto zitten.

Dat kwam hard aan. De rest van de rit naar huis brandden mijn ogen van de tranen die ik niet wilde laten zien. Misschien moest ik het echt opgeven; ik was immers alleen de man van haar moeder. Maar ik kon haar onmogelijk loslaten. Wie helpt haar op die bochtige Nederlandse dijken des levens als zij valt? Liever dat ze boos wordt of me uitscheldt, ik geef niet op.

Uiteindelijk verhuisde haar vriendenclub letterlijk: de garagebox was ineens dicht en ik had geen idee waar ze nu bleven. Jeroen gaf met zachte dwang nog wat nieuwe adressen, maar tevergeefs. Marije kwam voortaan thuis wanneer het haar uitkwam vaak zelfs midden in de nacht. Anna deed alsof ze zich er makkelijk bij voelde, maar ik zag haar lijden: ze was haar moederhart aan het slopen om de vrede te bewaren. Wij lagen slapeloos naast elkaar, starend naar het plafond, wachtend tot we de deur eindelijk weer hoorden.

Op een nacht kreeg ik een telefoontje. Mijn hart sloeg over toen ik Jeroen hoorde:

Erik-Jan, Marije heeft me gebeld. Ze zit in een flat in de Javastraat en komt er niet meer uit!
Heeft ze het huisnummer gegeven?
Alleen beschreven, maar ik weet genoeg.
Oké, ga je mee.

Ik keek Anna aan. Haar lippen trilden, ze had alles gehoord.

Maak je geen zorgen, ik regel dit. Blijf jij maar thuis, bak wat poffertjes, dan kunnen we straks wat eten. Ik krijg altijd honger van nachtwerk. Beloof me: geef een arme nachtchauffeur wat te eten, ik kuste haar op haar neus, proefde zout.

Samen met Jeroen reed ik door de verlaten Utrechtse straten, soms te snel, soms tegen de stroom van laatbrommers en taxis in. In het centrum liep de stad nog over van toeristen. Ik moest vloeken toen ik bijna op twee mannen inliep die midden op de weg bier stonden te drinken; ze gooiden uit ergernis een fles naar mijn auto, maar misten gelukkig.

Uiteindelijk kwamen we bij het juiste adres. Blijf gewoon zitten Jeroen, let er vooral op dat de auto er straks nog is, zei ik streng.

Voor ik naar binnen ging, inspecteerde ik snel het portiek. Sommige ramen hadden muziek, andere silhouetten aan het balkon. Ik probeerde me in te beelden welk appartement het zou kunnen zijn.

Eenmaal binnen kwam ik op de derde verdieping een oud dametje tegen. Hongerig naar gezelschap, of misschien gewoon oplettend.

Drie verdachte huizen in deze flat! verklaarde ze enthousiast. Allemaal junkies!
Echte?
Heel echt! Ik heb ze zelf bezig gezien.

Overdreven misschien, maar niet zonder reden. Ze gaf me de nummers van de probleemgevallen.

In het eerste huis zat alleen een dronken man zijn enige bezoek een jonge vrouw en een overvriendelijke herdershond die me met verstandige ogen aanstaarde. Op het tweede adres werd niet opengedaan, dus liep ik door naar de derde.

Ter hoogte van de deur begon mijn hart te bonzen; ik probeerde mezelf te beveiligen door alvast mijn vuisten te ballen. De deur vloog open een meisje kwam naar buiten. In een flits dacht ik aan Marije, zo erg leek ze erop. Maar toen zag ik haar ogen: leeg, als die van een pop. Haar mond een vreemde grijns alsof ze een theatermasker droeg. Ik deinsde terug, greep de deur, stormde naar binnen.

Marije! riep ik, blindelings door de flat. Ik stormde door de ruimte, struikelde over benen en lege flessen. Plots hoorde ik haar:

Papa! Papa! schreeuwde ze, vanuit de badkamerdeur. Ik trok die met kracht open; het slotje knapte meteen.

Papa! snikte Marije, en ze vloog in mijn armen. Helemaal alleen zat ze in bad zich verborgen, doodsbang om eruit te komen.

Toen we de flat verlieten kwam de politie ons tegemoet. Dat was te danken aan het dametje: ze had de wijkagent gebeld.

Werd uw dochter hier tegengehouden? vroeg de agent.
Ja, maar ik ben haar stiefvader, verduidelijkte ik.
Hij is mijn vader! zei Marije luid.

Die nacht aten we thuis poffertjes met slagroom misschien iets te zout van alle tranen die Anna had gelaten maar ze smaakten heerlijk. Eindelijk kon ik het gesprek voeren: dat ik niet wegging, wat ze ook zei of deed. Dat ik van hen hield, beide, en zonder hen mijn leven geen zin had. Ik sprak over hoe zwaar het leven kan zijn, en hoe je soms moet leren vallen en opstaan als een circusartiest. Toen ik klaar was, glimlachten ze allebei mijn gezin, mijn mensen. Mijn meisjes.

Please rate
Bagattia News
Stiefdochter