Ze nam een vreemd kind uit het ziekenhuis om het te redden, maar achttien jaar later klopte iemand uit het duistere verleden aan haar deur en stond haar hele leven op zijn kop.
In de gure novembermaand van 1941 blaast de wind door de kale takken van de bomen rondom een dorp bij Groningen, haalt het laatste restje warmte uit de kleigrond. Het zandige boerenpad is veranderd in modder waar het oude karrewiel voortdurend in de diepe sporen vastloopt, gevuld met ijskoud regenwater.
We halen het niet tot aan het ziekenhuis in Groningen, wat een ellendige weg! snikt Martha Steeman, terwijl ze met een rood doorlopen zakdoek de tranen uit haar ogen dept.
We redden het, Maartje, maak je maar geen zorg, stelt haar man Teun van den Berg haar gerust, terwijl hij de slome Friese knol voor de kar aanspoort. Zijn bevroren vingers klemmen zich om de leidsels.
Op het stro in de kar ligt een jonge vrouw met een vertrokken gezicht. Ze kreunt zacht van de pijn en denkt alleen maar aan verlossing, ze wil af van haar lijden en verlangt naar wat rust. Het lot lijkt hen opnieuw te testen: de dorpsvroedvrouw heeft haar been gebroken en de dokter uit het naburige Zuidlaren is opgeroepen bij een ziek kind.
Denk aan het kind, Anna, aan Leonard en je man, fluistert haar moeder terwijl ze haar buik streelt.
Ik denk voortdurend aan ze, mam, altijd.
Heb je al een naam bedacht? probeert Martha afleiding te bieden, terwijl haar stem zachtjes bibbert.
Leonard zei: wordt het een meisje, dan moet ze Lidewij heten, bij een jongen heet hij Wouter.
Mooi, meisje, heel mooi. Je vader zal je veilig brengen, dat weet ik zeker. Kijk, daar in de verte zie je de hoge schoorstenen van de suikerfabriek, dus de stad is dichtbij
Bij het ziekenhuis in Groningen is het eindelijk zover. Anna krijgt weeën en kort daarna klinkt door de verloskamer het eerste huiltje van een klein meisje. Anna krijgt haar in de armen, huilt opgelucht van geluk en vergeet alle pijn meteen door de liefde die door haar heen stroomt.
Lidewij. Zo noemde je vader je. Hij zal ons beschermen en bij ons terugkomen, jij bent onze hoop
Anna verlangt ernaar haar man te schrijven. Zodra de zuster met Lidewij naar de kraamafdeling is, vraagt ze om pen en papier.
Even wachten, Van den Berg, ik breng zo wat je nodig hebt.
De zuster is vandaag opvliegend, slaat mappen dicht en moppert.
Is er iets aan de hand? vraagt Anna voorzichtig.
Niet jouw zaak, snauwt ze zonder op te kijken.
Anna keert terug, net als een andere kraamvrouw, een meisje genaamd Roosje, haar tas inpakt.
Word je al ontslagen? vraagt Anna verbaasd.
Ja, ik ga naar huis, fluistert Roosje. Haar blik zit vol verdriet; traag schuifelt ze naar de deur, alsof ze een stuk van zichzelf achterlaat. Tien minuten later schiet de zuster naar binnen, duwt papier in Annas hand en klemt de deur weer dicht na een boze blik.
Roosje mocht meteen weg, mij zeggen ze vier dagen te blijven, mompelt Anna.
Zij is uit zichzelf vertrokken. Maar haar kind liet ze achter, ze kon er niet voor zorgen. Sommige meisjes ze nemen hun lol, maar willen niet de verantwoordelijkheid.
Wat kreeg ze dan? vraagt Anna geschrokken.
Een dochter. Sterk kind, kerngezond! Maar nu zit het meisje zonder moeder, bromt de zuster.
Anna kan het niet bevatten. Ze probeert haar man te schrijven, maar steeds dwalen haar gedachten af naar het meisjeskind zonder ouders.
Als Lidewij wordt gebracht voor de voeding, hoort Anna op weg naar het avondeten een zwak huilen uit een kamertje. Het lijkt haar eigen dochter te zijn. Snel opent ze de deur, maar haar Lidewij slaapt tevreden; het is het andere babytje dat ze hoort huilen.
Wat doe je hier? snauwt de magere, oudere verzorgster.
Ik dacht dat mijn dochter huilde Is er niemand voor haar?
Haar moeder is niet meer hier. Ze ligt er verlaten bij, krijgt weinig warmte of aandacht. Ga jij maar, als het tijd is, breng ik je kind zelf.
Anna loopt terug naar de eetzaal, de gedachten aan het verlaten kind laten haar niet los. Kan ik haar niet voeden? vraagt ze de volgende ochtend aan de verzorgster.
Ben je gek? Je wilt dat kind voeden en straks moet ze toch naar het weeshuis.
Naar het weeshuis? schrikt Anna.
Waar moet ze anders blijven? Wij kunnen haar niet houden.
Anna, vastbesloten, loopt naar de arts die haar zwangerschapsbegeleiding deed.
Dokter De Wit, mag ik u even spreken?
Wat is er, Van den Berg?
Er is een meisje op de afdeling. Haar moeder heeft haar afgestaan. Laat mij haar meenemen. Ik heb genoeg melk om twee kinderen te voeden. Ik ben boerin, ik kan dat aan. Wat wacht haar anders? U heeft dan één zorg minder.
De dokter kijkt haar een tijdje indringend aan en knikt uiteindelijk.
Anna haast zich naar het kind en vraagt opnieuw: Ik mag haar voeden, dokter zegt dat het mag.
Met tegenzin reikt de verzorgster haar het breekbare babytje aan. Anna drukt het tegen haar borst, zwaait haar woldeken over het kind en fluistert: Vanaf nu hoor je bij mij. Je naam zal Lieke zijn, Lieke en Lidewijwat onze familie nodig had.
Als het gezin zich weer verzamelt op de boerderij in de buurt van Assen, valt haar moeder Martha bijna van verbazing van de wagen.
Hoe kan dat nou, Anna? Tweeling?
Ja, mam. Lidewij en Lieke.
Ze lijken niet eens op elkaar! De tweeling van de buren zijn als twee druppels water.
Ze zijn geen identieke tweeling, maar dat is juist makkelijk, zegt Anna, haar ogen neergeslagen.
Teun neemt Lieke in zijn grote handen en glimlacht. We gaan jou flink verwennen, lacht hij terwijl Martha hem streng toefluistert: Niet verwennen, Teun! Daar worden meisjes niet stevig van.
Anna vertrouwt erop dat Leonard, haar man aan het oostfront, zal begrijpen wat ze heeft gedaan. In haar brief vertelt ze eerlijk over Lidewij en Lieke; dat ze het kindje uit het ziekenhuis heeft meegenomen, zonder het haar ouders meteen te zeggen. Zij weet, Leonard is rechtvaardig.
Vijf jaren verstrijken. De meisjes groeien uit tot mooie, gezonde kinderen. Anna maakt geen onderscheid tussen Lidewij en Liekebeiden zijn even geliefde dochters. Soms weet ze niet eens meer dat Lieke niet haar biologische kind is, want het belangrijkste: ze heeft ze gevoed en opgevoed en geen moment spijt gehad.
Wanneer de oorlog eindigt, komt Leonard eindelijk thuis, in uniform, over het dorpse zandpad. Anna herkent hem nauwelijks, maar ze rent op hem af, roept: Leonard, mijn lieve man, je bent er!
Ik ben thuis, Karel, zegt hij, en tilt haar lachend op.
Iedereen is gelukkig en Leonard vraagt als eerste: Waar zijn mijn dochters?
Met opa in de appelboomgaard, grijnst Martha.
Samen wandelen ze door de boomgaard, waar de dochters komen aanlopen en om Leonard heen hangen. Iedereen huilt en lacht tegelijk.
Vijftien jaar later is het gezin veranderd. De ouders van Anna zijn overleden, Leonard werkt bij de gemeente en Anna is actief op de coöperatie in het dorp. Lidewij en Lieke zijn achttien jaar en werken allebei op de melkveehouderij van de familiegeen van beiden wil naar de stad verhuizen, te fijn is het leven hier tussen de bomen.
Anna merkt dat ze aan uithuwelijken begint te denken, maar Leonard blijft volhouden: Ze zijn nog te jong.
En inderdaad, de jongens uit het dorp maken avances: Vladimir voor Lidewij, en Genno, de zoon van de dorpssmid, voor Lieke. Anna weet dat Leonard bang is voor leegte in huis, maar ze glimlacht er stilletjes om.
Op een dag brengt Lidewij een schaal boerenkool naar tante Agrippina; Lieke sluipt stiekem naar de boomgaard, vermoedelijk voor een afspraakje met Genno. Even later klinkt commotie op het erf.
Mama! Papa! Lidewij roept in paniek.
Anna en Leonard schieten naar buiten en zien een onbekende vrouw het erf oplopenchique gekleed, op hoge hakken, een Haags accent.
Goedemiddag. Bent u Anna van den Berg?
Ja, dat ben ik en u?
Mijn naam is Els Jonkman.
Anna voelt direct onrust in haar lijf. Samen gaan ze aan tafel zitten. Els begint: U herkent mij niet meer? Ik, Els, ben diegene met wie u in november 41 tegelijk in het ziekenhuis lag
Anna voelt de grond onder zich wegzakken: U wilt uw dochter zien?
Precies. Eéntje van de meisjes is van mij, ik ben haar moeder, zegt Els.
Leonard wordt boos: Mijn vrouw heeft me alles verteld!
Els vertelt haar verhaal: een jonge boerendochter die na een affaire met een stadse jongen zwanger raakte. Uit angst voor afwijzing liet ze haar dochter achter, trouwde later in de stad, kreeg geen kinderen. Toen haar huwelijk stukliep, is ze haar dochter gaan zoeken en kwam ze bij Anna terecht.
En nu? Denk je dat mijn dochter zomaar naar je toekomt? roept Anna uit, de tranen stromen.
De deur vliegt open, Lidewij stormt naar binnen. Wie is het, moeder? Wie van ons is uw dochter?
Anna fluistert: Lieke
Lieke komt net binnen, hoort het verhaal en barst uit in woede en verdriet. Niemand weet wat te zeggen. Els vertrekt weer, laat een verscheurd gezin achter.
De dagen erna blijft Lieke van slag; op een ochtend is ze weg. Op tafel ligt een briefje: Ik kan niet verder leven met de leugen.
Anna treurt. Een maand lang hoort niemand iets van Lieke. Leonard probeert Anna moed in te spreken: Onze dochter, zij komt terug. Zij hoort bij ons, haar hart is hier.
En op een frisse morgen loopt Lieke, bleek en vermoeid, vanuit de boomgaard naar haar moeder.
Ik ben thuis, mam.
Ze vallen in elkaars armen, Anna huilt van geluk. Het spijt me zo Die mevrouw probeerde het wel, maar het voelde niet echt. Hier is alles echt.
Leonard slaat een arm om haar heen: Nu je terug bent, kunnen we aan de bruiloft denken. Genno wacht al maanden op je.
Een week later wordt er feest gevierd in de appelboomgaarddubbel huwelijk: Lidewij met Vladimir, Lieke met Genno. In witte jurken dansen ze tussen de bomen, de zon valt gouden door de bladeren. Els Jonkman keert nooit meer terug. Lieke koestert haar nieuwe zekerheid: een moeder is niet de vrouw die je baart, maar de vrouw die je liefde geeft, je verzorgt, je haar hart schenkt bij alles wat ze doet. Die les deelt Lieke voortaan zelf uit aan haar kinderenonder het wakende oog van haar Hollandse familie.







