Annemieke zat samen met haar schoonmoeder, Willemien, op een krakend oud bed. Beiden zaten dik in de truien, terwijl de koude winter buiten door de kieren van het huis sloop. De gietijzeren kachel was net aangestoken; de geur van brandend hout hing als een deken in de kamer.
Kom, moeders, alles komt goed. We redden het wel. Hier, ik geef je straks je medicijnen, fluisterde Annemieke zachtjes.
Ze noemde haar moeder, maar in werkelijkheid was het haar voormalige schoonmoeder. Of liever, bijna voormaligde lijnen in het zand waren vervaagd.
Drie mensen onder hetzelfde dak: Willemien, haar zoon Sjoerd, en Annemieke, zijn tweede vrouw. Annemieke was pas op haar dertigste getrouwd. Ze was niet Sjoerds eerste vrouw, maar had niets stukgemaakt zijn eerste huwelijk was allang voorbij toen hun hartstocht begon.
Vanaf hun eerste kennismaking was Willemien dol op haar nieuwe schoondochter. De warmte was wederzijds. Annemieke, als wees opgegroeid, had eindelijk iets van familie gevonden. Sjoerd grapte weleens dat ze samenzweerden tegen hem.
Hun vijfjarige huwelijk vloog voorbij als één lange droom. Maar na verloop van tijd veranderde Sjoerd; zijn humeur sloeg om. Ruzie, geschreeuw, snauwen om niks. Hij had iemand anders ontmoeteen minnares. Hij kwam steeds later thuis, vaak met te veel drank in zijn lijf.
Tot die ene dag. Hij riep Annemieke bij zich: Ik wil scheiden. Je hebt twee dagen om je spullen te pakken. Nog voordat Annemieke haar laatste sok in de koffer had gestopt, stond de nieuwe vlam al op de stoep. Een lange, slanke blondine met lippen vol als kerstballen en wimpers zo groot dat ze bij elke knipper vleugels leek te slaan.
Annemieke kon haar lachen niet inhouden: Daarvoor laat je mij zitten? Voor zon waggelend poppetje? Sjoerds nieuwe vriendin piepte: Schatje, blijft je moeder hier wonen? Laat haar alsjeblieft vertrekken!
Ook Sjoerd zei: Moeke, tijd dat je verder gaat. Al dat geld heb je me gegeven toen je het huis verkocht, anders stond dit huis hier niet eens.’ Willemien greep naar haar borst.
Pak alles maar, wij willen niets wat niet van ons is, sneerde Albina, de nieuwe vriendin, terwijl Sjoerd zwijgend toekeek.
Binnen een half uur stonden Annemieke en Willemien buiten bij de auto. Willemien op de achterbank, snikgeluiden verstopt in een das. Zolang ze had gegevenen nu was ze waardeloos.
Wat nu, meisje?
Komt goed. Ik heb wat spaargeld bij elkaar, en je AOW. De komende tijd redden we het prima. Brood met boter zit er zeker in.
Ze reden naar een klein dorp in Friesland, waar Annemieke als kind speelde. Binnen was het huis steenkoud, maar niet voor lang. Snel stookte ze de oude kachel op en zette water op voor thee.
Je doet alles alsof je hier nooit bent weggeweest, glimlachte Willemien door haar tranen.
Plotseling klonk er geklop aan de deur. Dag, Annemieke! Je eigen buurman hier. Je auto zag ik al staan, ben je terug in het dorp? Alles goed?
Met mij gaat het wel, meneer Klaas. Kom binnen, thee staat klaar. O ja, dit is Willemien.
Blijf gerust dichtbij, Annemieke. Als je wat nodig hebt, roep je maar.
Een week verstreek. Het huis kreeg weer geur van schoonmaakmiddel en versgebakken brood. Op een avond, terwijl de zon als een gele dobbelsteen onderging, fluisterde Willemien: Ik ben ook ooit dorps. Naar de stad verhuisd voor mijn man. Hij stierf jong, Sjoerd was pas 23. Mijn huis verkocht ik, alles stak ik in hem. En nu…
Niet huilen, zei Annemieke. Het leven kan nog mooi worden. Misschien komen er wel kleinkinderen.
Willemien lachte zuur. Van die nieuwe? God verbiedt het.
Ze spraken over meneer Klaas, de buurman, weduwnaar zonder kinderen. Vroeger bevriend met Annemiekes opa.
Na ongeveer een maand, radiostilte van Sjoerd. Op een ochtend rinkelde haar mobiel.
Met Annemieke?
U spreekt met de politie. Uw ex-man heeft een auto-ongeluk gehad. Hij was niet nuchter. Er was een meisje bij, zij leeft. Kunt u komen voor identificatie?
Annmieke slikte. Hoe vertel ik het Willemien? Bij meneer Klaas zocht ze steun.
Mama, ga alsjeblieft zitten. Sjoerd… is gestorven.
O God… Ik heb hem verlaten, dit is mijn schuld!
Nee, hij stuurde ons weg, moeders.
Meneer Klaas regelde het vervoer. De begrafenis was sober.
Daarna liepen Annemieke en Willemien naar het huis in de stad. Ze erfden het samen Sjoerd had de scheiding nooit officieel doorgezet.
Toen ze het huis betraden, leek het op een surrealistisch schilderij: overal vieze kleren, bekers, flessen die in de lucht zweefden, een waas van gist en bedorven eten. Uit de slaapkamer kwam Albina, achter haar een harige kerel op sokken.
Wegwezen! Dit huis is nu van mij.
Laat papieren zien! bulderde Klaas, terwijl de kerel door het raam verdween.
Na controle van de papieren veranderden ze de sloten. Van het grote huis bleef weinig over; rommel werd buiten gezet, dromen binnen gehouden.
Ik hoop dat jullie blijven. Anders wordt het hier zo stil, zei meneer Klaas. Er verscheen een glans in zijn ogen als hij naar Willemien keek.
Hebben jullie stiekem een beetje vlinders? grapte Annemieke.
Hij grijnsde. Ach, het leven is vol verrassingen.
Nog geen jaar later trouwden meneer Klaas en Willemien. Annemieke, ooit verdreven en zonder familie, had haar kring gevonden. Zelf trouwde ze niet, maar ze werd moeder van twee pleegkinderen, broer en zus uit het dorp. Je zoekt een kind, je krijgt er twee. Familie vind je niet altijd bij geboortea soms als de wind waait, het ijs kraakt en het lot met oranje en blauwe zijden sjaals knoopt, zoals alleen in Nederlandse dromen mogelijk is.







