Stiefdochter
Toen ik en Marije elkaar ontmoetten en verliefd werden, was Annemijn zes jaar oud. Ze was zonder vader opgegroeid en snakte zo naar liefde, dat er eigenlijk nooit problemen zijn geweest in onze band. We leefden in volledige harmonie, totdat de puberteit haar intrede deed.
Je bent mijn vader niet! riep Annemijn op een dag.
Niet mijn vader? Wie, mag ik vragen, luisterde al die jaren naar je verhalen over school, of verdedigde jou op de ouderavonden? Wie verstopte de allerlaatste stroopwafel in huis, om die bij verdriet speciaal aan jou te geven? Wie deelde het geheim met jou toen je die pop van die moeilijke Marijke uit de buurt had gestolen? En wie, excusez, sloop ‘s avonds door de wijk om die pop stiekem terug in de struiken te leggen? Bovendien hadden we jaren geleden afgesproken dat we eerlijk zouden zijn naar elkaar, dus als je me toen steevast papa noemde, waarom ben ik nu ineens geen vader meer?
Haar woorden van een stiefdochter die ik altijd als mijn eigen dochter had gezien voelden als een stekende dolk. Maar ik mocht die kwetsuur niet laten zien. Ten eerste ben ik een man, en ten tweede zouden wrok of gekwetstheid dit alleen maar erger maken.
Argument genoteerd, zei ik, terwijl ik quasi-serieus mijn hand naar mn voorhoofd bracht. Laten we dan onze nieuwe relatie bespreken. De rechten en plichten van niet-vader en niet-dochter.
Mijn hart bloedde, maar dit leek de juiste aanpak. Ze moest voelen dat ze keuzes had, zij het binnen redelijke kaders, die ze deels zelf mocht bepalen. Maar ze verraste me door te mompelen: Hoef niet, en knalde vervolgens de deur dicht. Zelfs vroeger kon ze altijd uitleggen wat ze dacht of wilde. Annemijn verwoordde haar behoeftes meestal duidelijk, en samen deden we dan water bij de wijn en kwam er een oplossing. Zelfs als ze wilde vliegen door van het schuurtje te springen, legde ik haar uit waarom dat geen goed idee was, compleet met filmpjes van YouTube ter illustratie. En toen ze in groep drie Anton haar man noemde en bij hem wilde gaan wonen, was ik daar akkoord mee. Zodra de wet het toestond, zei ik, zou ik haar zelf brengen uiteraard veranderde ze binnen een maand alweer van idee.
Kortom, we bespraken altijd alles. Nu was er plotseling alleen nog maar een deur en een hoef niet. Vroeger gaf Annemijn altijd een reden, zelfs voor het niet willen eten van pap.
Waarom lust je het niet? vroeg ik.
Er zit te weinig suiker in, en er zit van dat vel bovenop.
Kijk, een helder en logisch antwoord. Dan kook je maar ander pap of geef het kind een taartje, waarvan je in de reclame hoort dat er toch ook melkpoeder in zit.
Even stond ik peinzend voor de dichte deur, mijn blik dwalend langs het nervenpatroon van het hout. Maar tot een oplossing kwam ik niet. We zouden het moeten afwachten.
Marije bleef rustig onder Annemijns gedragsverandering. Ze vertelde dat zij op die leeftijd ook haar vader tot wanhoop had gedreven. En als de hormonen eenmaal kalmeren, komt alles weer goed, aldus Marije. Alleen duurt de reis naar het land van hoef niet en geen vader bij iedereen anders lang. Maar eerlijk is eerlijk, ik begon Annemijn te missen. Wie keek er nu met mij naar Studio Sport of lachte samen om Marijes vriendin Zoë, die vaker van haarkleur wisselde dan het weer in Nederland?
Na een tijdje kwam Annemijn soms toch weer uit haar cocon, hoewel ze daarna vaak nóg nukkiger deed. Wanneer die lichtmomentjes waren, wist alleen zijzelf. Maar als ze er waren, voelde ik me als een kind zo blij.
Meiden, zullen we in het weekend naar de Veluwe? Ze zeggen dat het mooi weer wordt. Visspullen mee, tentje opzetten?
Wat vind je, Annemijn, gaan we mee? vroeg Marije enthousiast.
Ik ga lekker niet mee! Sjouw die hengels maar zelf, vissers, snauwde Annemijn, sloeg de deur dicht, en liet ons verbouwereerd achter. Nog een minuut geleden was alles goed, nu niet meer.
Ze houdt dus niet meer van vissen, grapte ik.
Toen was Annemijn opeens weg. Ze kwam na school niet thuis en nam haar telefoon niet op. We belden haar vriendinnen af, en ik, ongeduldig als ik ben, rende het huis uit om haar zelf te zoeken. Ik ging eerst langs bij Daan tot voor kort haar goede vriend, maar ik had hem al even niet gezien.
Ik weet niet waar ze is, bromde Daan.
Heb je enig idee?
Nadat ze me saai noemde, hebben we elkaar nauwelijks meer gesproken.
Ik ben inmiddels gedegradeerd tot niet-vader, zei ik grappend, maar ik blijf krijgen geven om haar.
Ik wilde naar huis lopen, maar Daan riep: Misschien is ze bij Mike.
Wie is Mike?
Hij zit bij haar in de klas. Niet echt een lieverdje, trouwens…
Juist daarom, rijd maar mee en wijs de weg. Ik ga toch alleen niet?
Ik zie het niet zo zitten
Daan, soms hebben mensen hulp nodig, ook al willen ze het niet toegeven. Jij bent sterker dan dat.
Met een zucht stemde hij toe. We reden naar een rij garageboxen. De muziek dreunde al van ver. Blijf maar in de auto als je bang bent, zei ik.
Ik ben niet bang, snoof Daan.
Voor een van de boxen stonden een paar jongens en een meisje. Geen Annemijn. Dus liep ik op ze af.
Ik zoek Annemijn, is ze hier?
Ben je van het opsporingsteam of zo? sneerde een van hen.
Op dat moment kwam Annemijn zelf naar buiten.
Waarom kom jij hierheen? snauwde ze.
Voor jou.
Ik weet zelf de weg naar huis wel!
Het is laat, Annemijn. Ik heb geen zin om je straks uit het politiebureau te moeten halen. Instappen, je taxi staat klaar, prinses.
Ze mopperde, maar stapte toch in. Richting Daan murmelde ze nog: Judas!
Vanaf dat moment bleef Annemijn steeds vaker weg, en ik haalde haar stug elke keer op bij de garagebox. De jongens daar maakten grappen over haar persoonlijke chauffeur. Tot ze op een dag weigerde mee te gaan.
Wat MOET je nou? schreeuwde ze. Laat me gewoon met rust, ik ben volwassen. Ik bepaal zelf hoe laat ik thuiskom!
Dien maar een motie in bij de Tweede Kamer, grapte ik, maar de grondwet is zo gek nog niet als het over minderjarigen gaat.
Rot toch op! siste ze.
Ik ga echt niet weg zonder jou, zelfs niet daarheen waar je me heen stuurt.
Ik wou dat je mijn moeder nooit ontmoet had, beter dat je er niet was geweest! snikte ze toch, terwijl ze instapte.
Die kwam hard aan. Ik had tranen in mijn ogen onderweg naar huis. Misschien moest ik haar gewoon loslaten, wie ben ik eigenlijk in haar leven? Maar het idee dat zij zou vallen zonder mij in de buurt liet me niet los. Ik zou haar niet opgeven, wat er ook gebeurde.
Maar de plek waar Annemijn en haar vrienden hingen, veranderde van locatie. Ik wist niet meer waar ik haar moest zoeken. Daan gaf na veel aandringen nog wat adressen, maar nergens was Annemijn.
Ze kwam tegenwoordig thuis wanneer het haar uitkwam, soms zelfs diep in de nacht. Ik zag Marije steeds zieker van zorgen. Haar rustige houding was allemaal schijn, ze probeerde alleen kalm te blijven om het gezin niet uit elkaar te laten vallen. We lagen samen wakker tot die ene deur eindelijk dichtviel.
Tijdens zon slapeloze nacht kreeg ik een telefoontje.
Hendrik, hoorde ik Daan zeggen, Annemijn belde. Ze zit ergens op de Nieuwezijds Voorburgwal en kan niet naar buiten.
Heeft ze gezegd in welk huis?
Alleen hoe het eruit zag, maar ik weet waar het is.
Mooi, je gaat met me mee.
Ik keek naar Marije. Haar lippen trilden. Maak je geen zorgen, ik regel het, fluisterde ik. Blijf thuis, bak pannenkoeken voor als we terug zijn. Honger maakt meer kapot dan je lief is.
Samen met Daan racete ik door Amsterdam. In de buurten buiten het centrum reden we er zo doorheen, maar in hartje stad wriemelde het van de toeristen en taxis. Ik kon me nauwelijks beheersen, vooral niet toen twee kerels midden op straat met hun bier stonden en uit pure balorigheid mijn auto schopten.
Aangekomen bij het juiste adres, vroeg ik Daan op te passen bij de auto. Toen liep ik het gebouw in, waar Annemijn volgens haar vage beschrijving was. Op de tweede verdieping deed een oude buurvrouw open die snakte naar gezelschap.
Er zijn drie verdachte huizen hier, zei ze, drie! Vol drugsverslaafden!
Echt waar? vroeg ik.
Zelf gezien! Verschrikkelijk.
Ze overhandigde me de huisnummers. In de eerste woonde een zuiplap met een treurig ogende vrouw en een Friese Stabij. De tweede was stil en ik kreeg geen reactie op mijn bellen. Maar bij de derde kreeg ik koude rillingen. De deur zwaaide open en eruit kwam een meisje. In het schemerlicht leek ze sprekend op Annemijn. Haar blik was leeg, haar mond scheef. Ik huiverde bij dit masker en snelde naar binnen.
Annemijn! riep ik, tastend in het halfduister, kruipend over flessen en voeten, duwend en trekkend langs mensen. Opeens hoorde ik haar.
Pap! Pap! klonk ze. Haar stem kwam uit de badkamer. Ik rukte aan de deur en deze schoot meteen open. Daar zat ze, alleen, opgerold in het donker.
Toen we naar buiten kwamen, liep de politie al de trap op. Mijn oplettende buurvrouw bleek het korps gebeld te hebben.
Werd uw dochter vastgehouden? vroeg de agent.
Ja. Al ben ik slechts haar stiefvader, mompelde ik.
Hij is gewoon mijn vader! zei Annemijn luid.
s Avonds thuis aten we pannenkoeken (ik proefde tranen van Marije in het beslag) en gaf ik voor het eerst sinds tijden een vaderlijke preek aan Annemijn, die eindelijk niet meer tegen me in ging. Ik vertelde haar dat zelfs als ze me haar leven uit zou vegen, ik nooit zomaar weg zou gaan, want zonder haar en Marije miste alles zijn glans. Ik vertelde over hoe ingewikkeld het leven is, dat vallen en opstaan bij leren hoort, en dat ik altijd mijn hand zou blijven uitsteken als ze die nodig had al hield ik ook van dramatische uitspraken tijdens zulke momenten. En ze keken naar mij, met hun hoofd in hun hand, glimlachend. Zo eigen, zo vertrouwd. Mijn meisjes!
En zo leerde ik dat vaderschap niet zit in bloed, maar in je bereidheid om te blijven, ongeacht de storm. Dat liefde zich niet laat definiëren, maar wel verdedigen. En dat soms, als iedereen is uitgesproken, stilte en een paar warme pannenkoeken meer zeggen dan duizend woorden.







