DE WORSTENDIEF
Hij kan niet anders dan opvallen die kat. Gewoon omdat hij telkens weer steelt in zijn kleine supermarktje in Utrecht. Maar de manier waarop maakt het onmogelijk om boos te zijn. Integendeel zelfs.
De eigenaar, Bert de Vries, kijkt iedere ochtend weer reikhalzend uit naar het begin van het dagelijkse spektakel. Hij filmt het stiekem met zijn mobiel en laat het ‘s avonds vol trots aan zijn vrouw, Marije, zien. Dan lachen ze samen om het kattenkwaad. Zo gaat het maar door.
De kat Felix noemt Bert hem zit altijd lange tijd voor de open schuifdeur, alsof hij daar alleen neerploft om wat bij te komen. Niks te zien hier, lijkt hij te denken. Felix tuurt voorzichtig om zich heen en kijkt goed of er geen mensen in de buurt zijn. Bert verstopt zich ondertussen achter de grote koeling en neemt alles stiekem op.
Met uiterste voorzichtigheid sluipt Felix naar binnen. Hij gaat rechtstreeks op de vitrinekast met worstjes af, versnelt zijn pas, grijpt vliegensvlug een grillworstje of braadworst en sprint het pand weer uit maar niet ver.
De honger wint het; op een meter of twee bij de winkel vandaan stopt hij om meteen aan zijn buit te beginnen.
Bert loopt naar buiten, blijft rustig op afstand staan en roept:
Lekker, Felix?
Felix heft zijn kop en miauwt tevreden.
Mooi zo, lacht Bert, kom gerust morgen weer hoor.
Vraag je je af: hoe dan? Zo open en bloot, die worstjes buiten de koeling en zelfs losse stukjes grillworst en braadworst op de onderste plank. Heel simpel.
Bert heeft een hart van goud.
Toen Felix, broodmager en gesloopt, voor het eerst bij de winkel verscheen, probeerde Bert hem te voeren. Maar Felix wilde niet aan mensen komen, geen eten aannemen dat uit iemands hand kwam. Toen kreeg Bert een idee.
Hij legde eerst worstjes pal naast de deur. Zo kon Felix zelf “stelen” en voelde het alsof hij zijn maaltje echt verdiend had.
Zo bouwde Bert het elke dag een beetje op. Steeds een stukje verder in de winkel, tot de worstjes uiteindelijk op de onderste plank bij de vleeswaren lagen.
Felix kon allang makkelijk naar binnen lopen en pakken wat hij wilde. Maar de sport bleef het echte stelen.
Bert zette ook een waterbak neer, plus een grote kom met kwaliteits kattengranulaat, en zelfs een plastic bak met wat kattengrit. Naast het stoepje zette hij een oude hondenmand met een warme wollen deken.
Felix bleef op z’n hoede, maar keuvelde steeds vaker zachtjes terug als Bert hem aansprak.
Wat Bert echter niet begrijpt: Felix is inmiddels flink gepompt, zijn vacht blinkt en hij ziet er allesbehalve ondervoed uit. Toch steelt hij trouw twee keer per dag een paar worstjes en verdwijnt ermee om de hoek.
Bert is nieuwsgierig geworden. Waar gaat Felix elke keer heen met die worstjes? Telkens als Bert hem volgt, glipt Felix razendsnel ergens anders heen.
Dus koopt Bert een kleine camera met live-verbinding, zodat hij alles kan meekijken op zijn laptop in het kantoortje achterin de winkel. En eindelijk ontdekt hij het mysterie rond Felix.
Vanuit een kelderraampje van het huis om de hoek, springt plots een rood poesje. Bibberend van ongeduld stort het zich op de worstjes die Felix zo trouw brengt.
Morgen! Hoorde je dat, morgen neem je ze allebei gelijk mee naar huis!
Marije, met tranen van ontroering over haar wangen, sommeert Bert. Maar dat blijkt eenvoudiger gezegd dan gedaan. Felix laat zich nu wel aaien, slaapt soms zelfs midden in de winkel, maar zon klein rood katje vangen dat lukt niet.
Week na week kijkt Bert op het scherm. Het rode katje drinkt uit Felix waterbak, dut in de hondenmand, maar verdwijnt pijlsnel zodra er iemand in de buurt komt.
Tot vandaag. Bert hoort een vreemd geluid bij de winkeldeur. Geen klanten te bekennen.
Achter de toonbank vandaan stapt Bert richting het vreemde geluid. Op de drempel zit het kleine rode poesje en schreeuwt.
Wat is er, kleintje? vraagt Bert verbaasd.
Het katje sprint naar hem toe, kijkt Bert recht in de ogen en draaft dan weg. Bert volgt zonder aarzeling. Daar, om de hoek, ligt Felix te jammeren. Hij is gebeten door een hond in zijn achterpoot. Diep, maar hij heeft kunnen ontsnappen.
Het rode poesje duwt bezorgd zijn kopje tegen Felix flank en mauwt hard.
Ach jemig, jongen toch
Bert trekt zijn jas uit, legt de gewonde Felix voorzichtig in de stof en plukt het kleine rode katje zonder protest in de jaszak.
De winkeldeur slaat dicht. Bert stapt in zijn auto, beiden katten aan boord.
Na vijf zenuwslopende uren bij de dierenarts Felix wond wordt gehecht, verzorgd mag hij eindelijk naar huis. In die tijd raakt Bert verknocht aan het rode katje, dat hij Vlammetje noemt. Speels, nieuwsgierig, nergens bang voor.
s Avonds sluit Bert de winkel af en neemt Felix, met een suf kopje van de narcose, en Vlammetje mee naar huis.
Marije straalt van oor tot oor. En wat doet een Nederlandse vrouw als ze gelukkig is? Precies ze belt haar vriendinnen voor een goed, lang gesprek vol uitleg, adviezen en geklets.
Uiteindelijk slapen Bert, Felix en Vlammetje uitgestrekt op het bed. Marije komt binnen.
Wat gezellig zeg en waar moet ik dan liggen?
Maar Vlammetje schuift gezwind op en nestelt zich tegen haar aan, zacht knedend met zijn pootjes.
Zo vinden ze samen hun thuis.
Nu zijn Felix en Vlammetje twee statige, tevreden huiskatten en doen ze niets meer denken aan hun zwerfbestaan.
Af en toe wast Felix Vlammetje, als vroeger. En Vlammetje vindt het prima.
Aan de overkant, naast de schoenenwinkel, woont nu een klein grijs poesje. De verkoopster daar rent dagelijks naar de supermarkt van Bert om haar wat lekkers te halen.
Misschien neemt zij dat poesje ooit ook mee naar huis?
Misschien halen we ooit alle katten van straat?
En wordt het dan zo bijzonder, dat ze alleen nog maar met wachtlijst en speciale cursus te adopteren zijn?
Wie weet, het kan zomaar gebeuren in Nederland. Wat denk jij?






