Dagboek,
Het is niet te bevatten wat ik vanochtend heb meegemaakt. Op de rand van de A2, in een kuil in de sneeuw vlak naast de snelweg, zijn vijf pasgeboren hondjes achtergelaten. Niemand weet hoe lang ze daar al lagen, maar veel tijd hadden ze niet meer.
Deze kleine hummeltjes probeerden met man en macht elkaar warm te houden, allemaal dicht tegen elkaar aan. Ondanks dat we alweer bijna maart hebben, blijft de winter hardnekkig in Nederland. In Utrecht was het min zeven vannacht, en buiten de stad, daar in die verlaten berm, voelde het nog kouder zeker min tien, misschien lager. Soms vraag ik me af hoe lang zulke dappere wezentjes het überhaupt volhouden in zon ijzige kuil.
De kuil was zeker twintig centimeter diep, door de warmte van hun lichaampjes was het sneeuwlaagje onder hen vochtig geworden. Zo lang hadden ze daar gelegen Maar het lot bracht gelukkig uitkomst. Jasper, de eigenaar van de garage aan de snelweg waar ze gevonden werden, liep er niet aan voorbij. Hij pakte de bibberende puppies op en droeg ze snel naar binnen dat heeft waarschijnlijk hun leven gered. Ik ben Jasper ontzettend dankbaar; zonder hem hadden ze deze ochtend niet gehaald.
Ze zijn zo nietig nog.
Vijf zieltjes, vermoedelijk drie reutjes en twee teefjes al is het nog lastig te zien, want ze zijn amper drie weken oud. Jasper belde alle vrijwilligers die hij kent, maar niemand kon ze direct in huis nemen. Naar het asiel brengen is geen optie op deze leeftijd. Ze zijn te klein voor vaccinaties; daarvoor moeten ze minstens acht weken oud zijn.
Dergelijke hummeltjes naar een regulier opvangadres brengen, is bijna hetzelfde als ze een doodvonnis geven. Mijn vorige ervaring met zulke jonge dieren is bitter geweest; in een opvang sturen ze het vaak niet, omdat ze ziek worden. Zelfs onze vaste opvangplekken met medische verzorging konden ze nu niet nemen, omdat daar onlangs nog hondenpups met parvovirus zaten.
Daarom sliepen de pups vannacht in de werkplaats. Jasper bekeek de camerabeelden en zag het gebeuren: midden in de nacht, een vrouw het voelt oneerbiedig dat zo te noemen die ze daar doodleuk in de sneeuw achterliet. Hoe kun je zoiets doen?
Wat moeten deze kleintjes gevoeld hebben? Alsof je babys uit hun wiegje haalt en ze meedogenloos de kou in gooit. Mijn hart breekt.
Het enige wat ik nu kan doen, is hopen dat we een warm, veilig thuis voor ze vinden. Ik wil dat ze niet alleen warmte voelen van dekens, maar vooral van mensen die om hen geven. Ze verdienen, net als ieder levend wezen, een tweede kans.
We geven niet op.
Liefs,
IsaDe vijf pups liggen nu in een grote, zachte doos, omwikkeld met oude fleecedekens. Hun piepende geluidjes vullen de werkplaats elke ademhaling een bewijs van veerkracht. De geur van motorolie en rubber vermengt zich met de warme zoetheid van melk, want iedere paar uur voeden we ze om beurten uit een flesje. Jasper heeft een naamplaatje gemaakt voor op hun tijdelijke verblijf: De Wonderpups.
Ondanks hun hese piepjes, elke trilling van hun natte neuzen, zie ik ook hoop. Terwijl ik hun glinsterende oogjes bekijk, weet ik dat ze, tegen alle verwachtingen in, deze winter zullen overleven. En misschien groeien ze wel uit tot de trouwste kameraden voor een nieuw gezin, met eindeloze wandelingen en geblaf in de lentezon. Wie weet veranderen deze pups, nadat ze vreselijk in de steek zijn gelaten, het leven van mensen die zelf waren opgegeven aan eenzaamheid.
Misschien is dat wel waarvoor ze gekomen zijn: om ons eraan te herinneren dat pure onschuld, zelfs als ze wordt achtergelaten in een ijskoude berm, altijd weer gevonden kan worden en dat elke koude nacht, uiteindelijk, breekt voor een warmere dag.
Ik sluit mijn dagboek. Mijn hart voelt zwaarder én lichter tegelijk.
Misschien is hoop, net als pups, het sterkst op momenten dat alles onmogelijk lijkt.







