Meisje, geef me alsjeblieft een kwart brood, morgen betaal ik het terug. Mijn hoofd draait van de honger…
Zo werkt dat niet, antwoordde de verkoopster achter de kraam, dit is een bakkerskraam. We nemen geen flessen aan. Kun je lezen? Er hangt toch duidelijk: lege flessen lever je in bij het inzamelpunt, dan krijg je geld om brood te kopen. Wat wil je nu precies?
Ik had geen idee dat het inzamelpunt maar tot twaalf uur open was. Te laat. Ik had nog nooit in mijn leven lege flessen verzameld. Wanhopig dwaalde ik verder door de stad, vol vraagtekens over waar ik geld vandaan moest halen.
Tja, zei de verkoopster droog, dan moet je morgen maar wat eerder uit je bed komen. Dan lever je de flessen op tijd in en haal je brood.
Meisje, geef me alsjeblieft een kwart brood, morgen krijg je het geld van me. Ik zweet ervan, zon honger heb ik
Het was duidelijk dat de oudere dame zich enorm schaamde om het te moeten vragen, maar ze hield haar rug recht.
Nee, zei de verkoopster streng, ik heb geen liefdadigheid in de aanbieding, ik houd het zelf nauwelijks hoofd boven water. Hier struikelen we over de bedelaars, maak plaats.
Goedemiddag, sprak de verkoopster tegen een man die dichterbij kwam. Uw favoriete brood is er weer. De abrikozenflappen zijn vers, die met kersen zijn van gisteren.
Goedemiddag, antwoordde de man, verdiept in gedachten. Doe mij maar een noten-vruchtenbrood en zes kersenflappen.
Met abrikoos, zei ik toch? herhaalde ze. Nou ja, dan met abrikoos.
De man keek afwezig naar de overkant, zonder de oude dame op te merken die vlakbij stond.
De verkoopster reikte hem zijn aankopen aan door het luikje. Hij haalde een fors portefeuille tevoorschijn en betaalde met een dikke brief van vijftig euro. Zijn blik gleed even over het gezicht van de vrouw en bleef hangen op een opvallende broche op haar jas.
De oudere vrouw zag er allesbehalve als een bedelares uit. Keurig, waardig, misschien wat oubollig gekleed, maar alles netjes. Echt zo’n Rotterdamse tante uit vervlogen tijden.
Pieter stapte in zijn Volvo en legde het brood op de passagiersstoel, waarna hij naar zijn kantoor reed niet in het hippe centrum, maar lekker nuchter op een bedrijventerein aan de rand van Gouda. Dat vond hij altijd wel zo praktisch.
Binnen stond zijn trouwe secretaresse Marleen al klaar.
Meneer Vermeer, uw vrouw heeft gebeld. Zij vroeg of u haar terug wilt bellen.
Oei, Marleen, wat is er aan de hand? vroeg Pieter bezorgd.
Pieter Vermeer was de eigenaar van een zaak in huishoudelijke apparaten. Hij was zo DIY als een Nederlander kan zijn: begon zijn bedrijf eind jaren 90 vanuit de schuur, inmiddels een goedlopend, degelijk familiebedrijf.
Hij woonde met zijn vrouw Judith en twee zoons in een vrijstaand huis met rieten dak, ergens onder de rook van Gouda. En over twee weken zouden ze hun derde kind verwachten, vandaar dat hij nu al zenuwachtig werd als Judith belde.
Judithje, wat is er? vroeg hij direct na verbinding.
Piet, we worden weer op school verwacht. David heeft weer gevochten met een klasgenoot.
Lieve schat, ik weet echt niet of ik kan komen, het is drukdrukdruk op kantoor en ik probeer een grote deal te sluiten…
Piet, je snapt toch wel dat het mij niet lukt zo kort voor de bevalling alleen daarheen te gaan?
Nee, nee, rustig, jij gaat niet. Jij moet jezelf sparen. Ik vind wel een moment, beloofd.
David krijgt straks echt straf als hij zo doorgaat, hoor. Ach schat, ga jij je gang maar. Eet niet op mij wachten vanavond.
Ach joh, ik ben nauwelijks thuis, de jongens zien je niet, jij vertrekt vroeg, ik kom laat… het houdt niet op. Ik maak me zorgen.
Ja meisje, zo gaat het nu. Nog een week, dan is dit piekmoment weer voorbij. Maar wie past straks op de kinderen als jij in het ziekenhuis ligt?
We vinden vast wel iemand. Misschien kunnen we een oppas regelen.
Liever geen vreemde de hele dag bij de kinderen…
Zullen we later verder praten, lieverd? Jij hebt je handen vol, ik trouwens ook.
Het lijkt soms wel alsof je niets met ons te maken wilt hebben
Ach meisje, alles wat ik doe, doe ik voor jou en de kinderen. Voor David, voor Lars, en voor onze meid die straks bijna komt.
Sorry, dat had ik niet moeten zeggen. Ik mis je gewoon, dat is alles…
Die avond kwam Pieter pas laat thuis. De jongens sliepen, Judith zat te wachten op de bank.
Sorry van daarnet, Piet, ik zei rotte dingen.
Ach, het komt goed. Jij moet aan jezelf denken, niet op mij wachten. Kom, ik warm wel even wat eten op voor mezelf.
Nee joh, doe geen moeite, ik heb niets meer nodig. En trouwens, ik heb bij de bakker abrikozenflappen meegenomen, keilekker zeg! En het noten-vruchtenbrood…
Ja flappen best, maar dat brood vonden de jongens en ik eigenlijk niet veel aan.
Pieter staarde peinzend naar het plafond. Even later vroeg Judith: Wat is er met jou? Maar Pieter was met zijn hoofd bij die oude vrouw van vanochtend.
Weet je, Judith, ik zag vanochtend een oude vrouw bij de bakkerskraam en ik voel me rot dat ik niks heb gedaan. Ik had toen niet door waar het gesprek over ging, stond te dromen, maar nu denk ik: ik ken haar gezicht ergens van, en vooral die grote broche…
Pieter was altijd al zo’n vent die zich bekommerde om anderen. De oude vrouw liet hem niet meer los. Irritant genoeg kon hij maar niet bedenken waarvan hij haar kende.
De volgende ochtend zat Pieter vroeg op kantoor. Hoort bij het leven of bij mijn leeftijd, die vergeetachtigheid, grapte hij tegen zichzelf. Plots wist hij het: die vrouw met die broche dat móet juf Margriet van Dijk geweest zijn! 17 jaar geleden had hij haar voor het laatst gezien.
Margriet van Dijk, zijn legendarische wiskundejuf. Een strenge maar rechtvaardige, iedereen had respect voor haar. Ze was laat getrouwd, op haar 38e. Kreeg een dochtertje, maar het meisje werd niet oud, en haar man verdween daarna stilletjes uit beeld.
Ze stopte al haar moederliefde in haar leerlingen.
Pieter was opgevoed door zijn oma, zijn ouders verongelukt in een auto op weg naar de bollenvelden. Hij had nooit veel geld of luxe gekend en Margriet van Dijk had dat ook gezien. Als ze merkte dat hij honger had, verzon ze klusjes voor hem, zodat hij bij haar thuis kon komen eten zónder zich opgelaten te hoeven voelen.
Zij bakte haar brood nog in een echte oude broodoven gekregen van haar grootmoeder en altijd haar grote trots. Hemelse geur, luchtig, een knapperige korst in Pieters jeugd had hij nooit beter brood geproefd.
Als je zegt dat het zo lekker is, moet je wat voor je oma meenemen, zei de juf dan, terwijl ze bijna een half brood in zijn tas schoof.
Zo zaten Pieters gedachten ineens vol herinneringen. Het werken schoot er die ochtend bij in tot zijn personeel binnenkwam en alles weer op gang moest komen.
Van de vriend van de politie had hij zo een uurtje later al het adres van mevrouw van Dijk in handen. Helaas kwam het er niet direct van om langs te gaan; op kantoor stapelden de dossiers zich al weer op.
Die avond vertelde hij Judith alles.
Weet je, Judith, juf van Dijk zou misschien best bij ons in huis willen logeren als jij straks in het ziekenhuis ligt. Onze jongens krijgen dan meteen wat goede manieren bij; en ik heb die vrouw veel te danken. Ik kan haar ook niet laten verkommeren…
Doen! Haal haar op. Misschien is zij wel de enige die David in toom krijgt, grapte Judith.
Jij weet niet hoe overtuigend ze altijd was, die juf… grinnikte Pieter.
In het weekend reed hij met een bos tulpen en een nerveus hart naar haar flatje.
Goedemiddag, mevrouw van Dijk, ik ben Pieter Vermeer. U kent mij vast niet meer, ik was een leerling van u… alweer ruim 17 jaar geleden.
Ach joh, Pieter! Jou vergeet ik niet. Ik herkende je al eerder, bij die kraam…
Sorry, ik was zo in gedachten, ik zag u pas thuis goed voor me. Was u niet boos?
De juf pinkte een traan weg.
Maar nee jongen, ik ben blij om je weer te zien, stamelde ze.
Hij gaf haar de bos tulpen.
Dankjewel jongen. Ik heb al jaren geen bloemen meer gekregen, alleen nog op de eerste schooldag, vier jaar geleden, toen ik met pensioen ging.
Sorry, ik kan je geen thee aanbieden, zuchtte ze. Nog twee dagen tot mijn pensioen overgemaakt wordt.
Daarom ben ik hier, ik wil u mee naar huis nemen. Ik heb een groot huis, twee zoons, vrouw Judith, en over twee weken krijgen we gezinsuitbreiding.
Nee jongen, ik ga jou niet tot last zijn. Je gezin zit niet te wachten op een vreemde oude vrouw in huis.
Mevrouw van Dijk, ik heb u iets te bieden. U bent hard nodig; als begeleider en wijze juf voor onze kinderen. Wie anders?
David, mijn oudste, slaat er op los op school. Ziet u dat zitten?
Ach, ik word bijna 70, maar met jouw jongens kom ik wel klaar!
Mooi, pak je spullen, we gaan naar huis. Even kennismaken.
Vanaf die dag woonde Margriet van Dijk bij het gezin Vermeer. Judith genoot van de gesprekken met haar. De juf werd direct het kloppend hart van het huis.
Een ruime week later gebeurde er iets moois: hun dochter was geboren, Evi. Terwijl Judith in het ziekenhuis lag, namen oma Margriet en de jongens de keuken over; er werd gebakken, geknutseld, gelachen.
Pieter en Judith konden gerust ademhalen, de kinderen waren in goede handen. Zelfs David, normaal de lastpak op school, was als een mak lammetje. Margriet had geen stemverheffing nodig haar stokoud charisma werkte blijkbaar nog steeds.
De dag kwam dat Pieter Judith en kleine Evi mocht ophalen.
Wat heb ik jullie gemist! riep Judith, haar zoons stevig omhelzend.
Mamma, alles is goed! grijnsde Lars.
Mamma, we bakten brood met mevrouw van Dijk! kondigde David trots aan.
Het was heerlijk hoewel, zegt mevrouw van Dijk, in de houtoven werd het vroeger nog véél lekkerder, daar kan geen combimagnetron tegenop…







