Toen Ire twee jaar oud was, woonde zij in een kindertehuis. Ik kwam om foto’s te maken van de kinderen. Ze gaven mij de moeilijkste kinderen voor plaatsing.

Toen Marieke twee jaar oud was, woonde ze in een kindertehuis. Ik kwam fotos maken van de kinderen die de meeste moeite hadden om geplaatst te worden. Toen ik haar groep binnenkwam, viel mijn oog meteen op een meisje met een somber, verwrongen gezichtje bijna oud en zorgelijk voor haar leeftijd. Wat een onaantrekkelijk kind, dacht ik even. Maar toen ik haar begon te fotograferen, zag ik haar ineens echt. Door haar stille, droevige masker schemerde een leven. Ze kwam tot leven.

Het valt niet mee om oogcontact te krijgen met een kind dat nauwelijks affectie heeft gekend. Toch keek dit vreemde meisje recht in de lens, zonder haar blik af te wenden. Opeens zag ik haar ziel: eenzame, intens eenzame ziel. Vol pijn. Zelfs geen hoop alleen het allereerste moment in haar leven waarop iemand haar opmerkt. Haar ziel ziet. Zo eentje als de mijne. Daarna keek ze weg, en haar ogen vulden zich met tranen.

Ik vroeg aan de leidster: Vertel mij eens iets over Marieke, ik moet een stukje schrijven. Wat valt daarover te vertellen? antwoordde ze. Wat kan ze, wat zegt ze? Nou, eigenlijk kan ze niets. En ze zegt ook niets. Ze zit alleen in spagaat en wiegt heen en weer tot haar voorhoofd de vloer raakt. En als ze dat doet, jammert ze een beetje. Verder is er weinig over haar te zeggen. Ze is niets bijzonders.

Twee maanden voor deze ontmoeting was onze jongste dochter overleden. Ons mooie, gelukkige leven was als een auto die met volle vaart tegen een muur is gereden en opeens stopte het bestaan zoals het was. Maar wijzelf hielden niet op. We bleven leven, maar dan anders in het leven ERNA. We liepen, spraken, aten, en deden vreselijk hun best om ons verdriet verborgen te houden voor de kinderen, om ze niet bang te maken. Om ze hoop te geven, die we zelf nauwelijks meer voelden. Ik dacht steeds: Zal ik ooit nog ergens blij van kunnen worden? Ik reed huilend naar de fotoshoot, droogde mijn gezicht met de sneeuw voordat ik uitstapte, en liep me vervolgens voor te doen als een normaal mens. Ik sprak met normale stem en lachte. Maar het was nep.

Ik wilde geen kind ter vervanging. Ik wilde gewoon overleven. En toen kwam Marieke, met haar eenzaamheid en wanhoop. Alsof ik niet al duizend eenzame kinderen had gezien in dit project, wachtend op iemand. En toch, deze eenzaamheid paste precies in het slot van mijn hart…

Thuis zei ik tegen mijn lieve man Pieter: Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen ik heb hier een meisje gefotografeerd en ik kan haar niet uit mijn hoofd zetten Kijk nou eens, misschien moeten we toch over haar nadenken? En Pieter zei: Heb je door dat je gewoon helemaal op bent? Wat voor meisjes? We kunnen amper ademen.

Ja, ik ben op, maar ik zal misschien ook nooit meer wél in mezelf zijn. Ik moet leren leven met hoe het nu is.

We gingen naar het kindertehuis, om Marieke te zien. De leidster bracht haar. Een iel meisje met datzelfde verwrongen gezichtje, die met kromme beentjes liep als een krabbetje. Onder haar neus een vieze groene streep van snot. Wat is ze toch een engeltje, dacht ik met een schok. Wat zag ik ook alweer in haar?

Marieke raakte het speeltje aan dat we hadden meegenomen, plofte met haar billen op de grond, deed haar benen in spagaat en begon heftig te wiegen totdat haar voorhoofd de vloer raakte.

Intussen sprak de hoofdverpleegkundige met strenge toon: Meneer en mevrouw Jansen, dit meisje heeft niet een beetje een ontwikkelingsachterstand. Zij is diep verstandelijk beperkt, echt! Geen enkele toekomst! We geven haar straks over aan de jeugdzorg. Zeven keer eerder heeft een gezin haar geweigerd! Ze kan niks en doet niks wat bij haar leeftijd hoort. Alleen maar zitten in spagaat en wiegen. We noemen haar hier Ashton, als grapje

En toen zei mijn man, naar wie ik aldoor niet durfde te kijken: Weet u, wij vinden haar juist leuk. Wij nemen haar mee.

Later vroeg ik: Waarom zei je dat? Je wilde het toch niet? Pieter antwoordde: Ik begreep opeens dat iemand haar moest redden. En dat niemand anders het zou doen.

We adopteerden Marieke, tot lichte verbijstering van het kindertehuis.

Marieke was in een diepe depressie. Ze vertrouwde de wereld niet. Alles om haar heen was gevaarlijk en verraderlijk. Twee jaar lang had de wereld haar niet gezien en niet liefgehad. En in die twee jaar kon ze niets veranderen. Ze wist niet hoe ze moest vragen, ze wist niet hoe ze moest spelen, ze maakte alles stuk, was overal bang voor, viel in paniek tot ze haast geen adem meer kreeg. Ze at alleen puree. Ze liep nauwelijks, was bang voor water, het potje, papas, liften, wind, autos…

Vanbinnen huilde mijn verdriet, aan de buitenkant huilde Marieke. Ik weet waarom men afraden om een nieuw kind op te nemen na verlies. Je hebt geen kracht. Alles gaat op aan overeind blijven. Maar voor een kind heb je juist véél kracht nodig. Die moet je ergens vandaan halen. Ik haalde het uit onze pijn.

Ik zei tegen mezelf: Wat is mijn verdriet klein vergeleken met het leed van dit kind. Jij bent een dochter kwijt, maar je hebt je zoon nog, een andere dochter, je man, je moeder, vrienden, je werk, een huis. Marieke heeft nooit iets gehad. Voor haar is het zoveel erger.

Weet je wie dat grauwe, droevige, in zichzelf weggezakte meisje eigenlijk bleek te zijn? Ze bleek onze wonderlijke dochter Marieke te zijn. Sprookjes zijn gauw verteld maar niet snel geleefd en zo zijn we nu negen jaar verder samen thuis.

Marieke is geworden wie ze altijd had moeten zijn vrolijk, licht, grappig, lief en aanhankelijk, gevoelig, zacht en ook nog eens mooi. Ze zit in het regulier onderwijs, in een logopedieklas. Ze doet aan duiken. Aan duiken! Ze zegt: Mama, deze duik kon ik meteen goed ademhalen en onder water mijn mondstuk wisselen Dan schiet ik vol.

Nu zit Marieke op duikkamp in Zeeland. Ze is daarheen gevlogen, elf jaar is ze. Ze belt me op en kraait van plezier: Mama, het is hier zó mooi, we hebben gezwommen, alleen was er storm en het water werd koud! Maar morgen wordt het warmer, ze hebben onze wetsuits gebracht en we gaan weer duiken! Het avondeten was vis, die hebben we aan de katten gevoerd er zijn hier zoveel katten, je weet dat ik geen vis lust! Maar gelukkig is er aardappelpuree. We hebben een wandeltocht van dertien kilometer gemaakt, mijn benen vielen er bijna af het is zo mooi hier, met bomen die beschermd zijn! Ik heb superleuke meisjes leren kennen! En ik heb van het geld dat je me gaf, crackers gekocht en uitgedeeld. We schommelen in de hangmat Ik mis je!

Omdat wij haar gered hebben. Wij haar, en ook onszelf. Samen, op dit vlot.

Please rate
Bagattia News
Toen Ire twee jaar oud was, woonde zij in een kindertehuis. Ik kwam om foto’s te maken van de kinderen. Ze gaven mij de moeilijkste kinderen voor plaatsing.