Mensen zagen een uitgeput paard: het dier had niet eens genoeg kracht om op te staan

Mensen zagen een uitgeput paard: ze had nauwelijks nog kracht om op te staan

Een verliefd stelletje sjokte langzaam door het hoge riet langs een Hollandse plas. Hand in hand, af en toe elkaar aankijkend met die speciale blik die alleen mensen hebben die last hebben van verliefdheidecht een aandoening die het zicht én oriëntatievermogen aantast. Dankzij die dromerige toestand hadden ze totaal niet door dat ze op iets vreemds afliepen.

Opeens slaakte de meid een scherpe gil en sprong achteruit. De jongen trad direct forward alsof hij dappere ridder washoewel er niets viel om te beschermen.

Tussen het gras lag een paard.

Nou ja, wat ooit een paard was. Nu leek het meer op een skelet met een laagje bruin leer dan op een levend dier.

Het vel was dunner dan een pannenkoek op Nationale Pannenkoekdag en spande strak over haar uitstekende ribben: de botten stonden op het punt haar huid open te prikken als een pak melk in de kofferbak na een rotonde. Overal op het lijf zaten opgedroogde korsten, waar muggen en vliegen met Hollands enthousiasme omheen zwermden.

Ze zag er zó uiterlijk uit, dat niemand er aan dacht een selfie te maken.

Och gossie toch! riep het meisje, Marthe een typische naam uit de streek.

Het was alsof haar stem de hele wereld tot stilstand bracht. Als een stilte voor de storm, terwijl de rietvogels even hun snavels dichthielden.

En ineenseen minuscuul schokken. Het hele paardenlichaam bewoog een beetje.

Prompt rechtopstaand haar op armen, alsof ze net in een ijskoude sloot waren gevallen, gilden de twee tegelijk. Ze stormden, zonder te kijken of ze over een klomp of ploeg struikelden, naar de zandweg. Daar stonden zehijgend, trillend, hun hart bonkend als een drumsolo tijdens Koningsdag.

Uiteraard, niemand volgde ze.

Langzaam trok de paniek weg. Er kon zelfs nagedacht wordenvoor zover de adrenaline dat toeliet.

Ze leeft fluisterde Marthe, een beetje alsof ze bang was dat het paard haar kon horen.

Levend, maar lijkt eerder dood, bromde Tim, haar vriend.

Maar het bewoog, dat kon toch niet vanzelf?

Misschien was het een of andere roofdiereen vos, een stel boze eenden, wie weetdat binnenin aan het knagen was. Marthe huiverde bij het idee.

Zij besloot zich strategisch terug te trekken naar de weg en stuurde haar dappere ridder terug het gras in.

Tim kroop tussen de brandnetels door en hoefde niet lang te zoeken: het beest was echt nog in leven.

Toen hij dichtbij kwam, draaide het paard haar kop een beetje en snoof zacht.

Bewegen leek onmogelijk voor haar, maar haar magere flanken gingen nog lichtjes op en neerze ademde. Haar oogleden gingen een stukje open, net genoeg om te proberen hem te zien, maar een roodachtige waas lag over haar pupil. Haar onderlip hing slap naar beneden, alsof ze net een halve zak drop had gegeten.

Haar benen en staart bewogen niet, alleen een oor wiebelde af en toeof dat kwam door de wind, ach, wie weet.

Het was treurig om te zien.

Ze klampte zich vast aan het leven, maar dat gevecht leek ze al bijna te hebben verloren.

Tim tuurde om zich heenhoe kwam zon beest daar in hemelsnaam terecht? Het gras was niet platalsof het paard er al eeuwig lag.

Hij liep terug naar Marthe en gaf verslagtegen wil en dank een paardenexpert geworden.

Wat maakt het uit hoe ze hier komt? riep Marthe uit. Wat doen we nu? Ze ziet eruit alsof ze elk moment kan omvallenweet jij wie er hier iets van paarden weet?

Opeens herinnerde Tim zich dat er iets verderop, in het dorpje Schermerhorn, een familie een paar Friese paarden hield. Kinderen uit de buurt kwamen daar soms rijden. Misschien konden zij helpen.

Binnen de kortste keren hadden ze de paardenfamilie aan de lijn.

Het verhaal kwam er niet helemaal gestructureerd uitmaar de boer, Anton, en zijn vrouw Sophie, beloofden meteen te komen.

Na een kwartiertje kwam er stof van de dijk afde boerderij-pick-up met paardenaanhanger kwam aanhobbelen over het pad.

Marthe en Tim stonden duidelijk wild te zwaaien, waardoor menig fietser dacht dat er een Elfstedentocht gewonnen was.

Het stel uit de auto verstarde toen ze het paard zagenen van dichtbij werd het alleen maar erger. Dat beest de aanhanger in laten stappen was uitgesloten, en tillen tja, dan moesten ze vijf keer per week naar de sportschool zijn geweest.

Anton stuurde Tim richting de buren om sterke kerels op te trommelen.

Niet veel later kwamen er zes mannen aanrennen, Turkse buurjongens, een gepensioneerde schapenherder, en natuurlijk de lokale melkboer. Samen tilden ze de arme knolze schoven een stevig dekzeil onder haar lijf, grepen een hoek, en telden af: één twee heffen maar!

Het paard sperde haar ogen wagenwijd open en haar hoef deed een slap zwiepertje door de lucht, maar energie verder was er niet meer.

Ergens kreeg iedereen natte ogenzelfs Tim, die naar eigen zeggen allergisch was voor paardenhaar.

Voorzichtig klauterden ze door de modder en kregen de merrie in de trailer, met de hoop dat ze de rit naar de paardenkliniek in Purmerend zou overleven.

Bij aankomst werden ze al opgewacht door een dierarts en wat stalhulpende redders stonden in de houding alsof Sinterklaas was gearriveerd.

De dierenarts, meneer De Wit, begon direct aan het grote onderzoek: monsters nemen, tanden checken, ogen inspecteren, injecties prikken.

Intussen arriveerde de dierenpolitie uit Alkmaar en werden verklaringen afgenomen. Helaas: kans op vangst van een laffe ex-eigenaar? Nauwelijks een smalle strook poldergrond waard.

Focus op het paard. Kapotte huid werd behandeld, infuus aangelegd, en onder luid gemopper van het paard (en zachte bemoediging van Sophie), verhuisde het naar een aparte stal.

Maar meneer De Wit was realistisch: het beest was zo uitgemergeld dat hij aan zijn boerenverstand twijfelde of de merrie het zou halen. Ze at nauwelijks en dronk amper.

De boosdoener: een ernstige huidparasiet, die nare blaasjes en dikke korsten op de huid veroorzaakte en het beest veranderde in een levende jeukmachine. Ze schuurde zich open, verloor alle eetlust, en werd zo langzaam maar zeker afgeslankt tot een angstaanjagend skelet.

Nóg een probleem: het derde ooglid was opgezwollen, rood, waarschijnlijk een tumor. Pas na aansterken zou daaraan geopereerd kunnen worden.

De mond dan? Tjapaarden met rotte kiezen kunnen lastig zelf hun Hayburger eten. Ook die moesten snel behandeld.

Zo veranderde het stalhok van een normaal plekje in een soort veldhospitaal. Meneer De Wit kwam elke dag; zelfs de nuchtere Anton liep af en toe mee met een emmertje wortels en bemoedigend woord.

Elke druppel water werd met een flesje gevoerd, eten ging het strottenklepje in onder aanmoediging alsof de merrie net vijf meter had gezwommen.

In het begin leek het paard er niet veel over te vertellen. Ze lag, staarde dof in het niets, en dacht eraan haar abonnement op het leven stop te zetten.

Maar de mensen waren vasthoudenden een beetje eigenwijs, zoals alleen Noord-Hollanders dat kunnen. Sophie kwam iedere nacht kijken, aaide haar manen glad, hield de infuuslijn recht, gaf een snoepje.

Langzaam, bijna ongemerkt, werden er stappen gezet: de korsten verdwenen, de tanden werden gedaan, zij begon zelf voorzichtig te eten. Haar kracht keerde voorzichtig terug, vooral dankzij liters boerenboter en eindeloos geduld.

Toch was het grootste probleem dat de merrie niet meer kon opstaan. De spieren in haar benen en rug waren één grote matse boerenkaas geworden.

Revalideren dan maar! Anton en zijn vrienden ontwierpen een takelconstructie met lappen en touw uit het schuurtje, waarmee ze het paard voorzichtig rechtop hesen.

Elke dag oefening: de benen werden handmatig versteldnet of ze een tafel in de polder aan het verplaatsen warenen door alle sterke handen leerde het paard stukje bij beetje weer lopen.

De eerste dagen waren de benen van het paard zo stabiel als de brug van Kees Tol in een storm. Maar elke stap, hoe bibberig ook, was een klein volksfeest waard.

Het bleef weken trekken, maar stukje bij beetje stond ze weer: eerst wiebelig, dan vastberaden, en uiteindelijk kon het paard zichzelf overeind houden.

Niemand haastte haar; Anton liet haar paar passen zetten, draaide haar om, terug naar de stal. Maar het paard rook de vrijheidgespitste oren bij elke geur van vers gras of geklepper van hoeven op de weg.

Toen de dierenarts vond dat ze sterk genoeg was, werd voorzichtig de oogoperatie gepland. De tumor werd verwijderd; even deed alles pijn, maar het gezichtsvermogen keerde grotendeels terug. Voor het eerst zag ze haar verzorgers helder. En de wereld werd ineens een stuk beter.

Na een week pufte het paard gezellig in de paddock, samen met de andere twee paarden van de familie. Het contact verliep perfectde oude merrie was de melkmoeder van stal, de jonge ruin hield ze netjes in het gareel.

Dat uitgeputte skelet in het gras veranderde in een fonkelende, glanzende merrie, met frisse krullen in de manen en enkel nog kleine littekens die fluisterden van haar verleden.

Inrijden? Anton was voorzichtig, maar het paard begon zelf te hinniken en stampen bij het zien van een zadel. Ze verlangde ernaar.

Op een lentedag was het zover: Marthe stond te gniffelen, Sophie hing uit het raam, en Tim hield de camera in de aanslag. Anton stapte in het zadel, het paard hinnikte alsof ze de Staatsloterij had gewonnen, en samen maakten ze een eerste ritje over het veld.

Dat was het begin van een nieuw hoofdstuk.

Ondanks alles wat ze had meegemaakt, had het paard haar plek gevonden tussen de mensen die écht om haar gaven.

En ze wist: deze mensen laten haar nooit meer in de steek, wat er ook gebeurt.

Please rate
Bagattia News
Mensen zagen een uitgeput paard: het dier had niet eens genoeg kracht om op te staan