Van Haat naar Liefde

Van haat naar liefde

Wouter had een hekel aan honden. Sinds die ene dag lang geleden toen hij, een mollige, roodharige eersteklasser met een bril, zijn tas volgeladen met boeken en schriften, werd omsingeld door een roedel honden op een braakliggend veld achter enkele flats in Rotterdam-Zuid.

De leider slank, zwart, met rossige vlekken rond de snuit keek Wouter recht in de ogen. De jongen huilde, smeekte de honden hem te laten gaan, verkruimelde de overgebleven broodjes kaas die hij niet op school had gegeten, maar de honden waren onvermurwbaar.

Bij elke poging om weg te lopen trok de leider zijn bovenlip aan de rechterkant op en liet zijn vaalgele tanden zien, grommend als een gebroken fietsketting.

Bijna twee uur verhinderden de honden dat Wouter wegkwam. Plots draaide de leider zijn rechteroor naar achteren, spitste, en rende geluidloos in de richting van het Kralingse Bos. De roedel volgde hem één sierlijke ketting van honden verdween tussen de bomen.

Wouter veegde zijn tranen af, greep zijn schooltas steviger en rende naar huis. Maar thuis kwam hij niet. De oude houten arbeiderswoning waar hij met zijn familie en een paar buren woonde, stond al fel in de brand de gaskachel was ontploft.

Zijn opa, wie Wouter liefkozend Opaatje noemde, overleefde de brand niet. Opaatje was ooit zeeman geweest, getekend door zout en wind. Hij had sneeuwwitte snor en baard, die hij één keer per jaar na Oud en Nieuw afscheerde. Daarna liet hij hem weer groeien, vlocht een staartje en bond er een vrolijk gekleurd elastiekje omheen, of gooide het nonchalant achter zijn oor.

Na de dood van opa en de ontmoeting met de honden begon Wouter te stotteren.

Voor de tweede keer kruiste de weg van Wouter, intussen een slungelige, uitgeschoten brugklasser die zijn kinderbril had ingewisseld voor lenzen, zich met een zwerfhond toen hij na school de mooiste van de klas, Maartje van den Broek, naar huis bracht. Maartje werd begeerd door Sander, de bullebak van het vierde jaar die alweer bleef zitten, berucht in de hele school. Maar toch had Wouter de moed om naast haar te lopen.

Plotseling dook er een enorme hond op, grommend en knorrend, die hem van Maartje vandaan dreef. Wouter liep langzaam achteruit, gehoorzaam aan de dreiging van het beest. Toen Maartje haar huis binnen schoot, loste de dreiging met de hond op in een steeg.

Wouter slaakte een zucht en liep naar huis.

De volgende dag, tijdens wiskunde, kreeg hij een briefje: drie korte zinnen.

Loop niet met me mee. Gisteren wilde Sander je aftuigen. Het spijt me.

De vriendschap met Maartje kwam niet van de grond en Wouter werd nog verbitterder tegenover honden.

Jaren gingen voorbij. Wouter studeerde uitmuntend af, begon een eigen bedrijf, werd ondernemer, bouwde een fijn leven op. Mooie Maartje, ooit van den Broek, werd zijn vrouw. Ze kregen samen een prachtige zoon, Mees, vernoemd naar opa Mees. De acht maanden oude baby kon nog niet praten, maar vanuit zijn wandelwagen lachte hij altijd naar honden en zei:

Woef! Woef!

Op een zondagochtend liep Wouter met zijn zoon door het Vondelpark. Langzaam duwde hij de kinderwagen, vertellend over de spreeuwen in het voederhuisje, de eekhoorn die nootjes uit hun hand pakte.

Tijd om naar huis te gaan. Buiten het park stuurde Wouter de wagen richting het zebrapad. Groen licht hij zette de wagen in beweging.

Toen, als uit een absurde nachtmerrie, dook er opeens een furieuze teckel voor hen op, blaffend en springend, waardoor het leek alsof zijn stembanden elk moment zouden knappen. Ze weigerde hen de straat over te laten.

Precies op dat moment raasde er een auto langs op amper een haar afstand van de kinderwagen. De auto schoot over het gras en botste tegen een lantaarnpaal.

Tieners renden uit de auto en verdwenen roepend in de straten. Wouter slikte, zijn hart bonkte zo hard dat het klonk als het carillon van de Westerkerk.

De teckel spoorloos. Mensen holden naar de auto. Een voorbijganger pakte Wouter zacht bij de arm.

Alles goed? Heeft de auto de kinderwagen geraakt? bezorgde ogen, gericht op Wouter.

Wouter schudde zwijgend zijn hoofd. De kinderwagen en de baby waren ongedeerd, alles was goed.

Hoe hij thuis kwam, wist hij niet meer. Dit verhaal vertelde hij Maartje niet waarom onnodig onrust zaaien. Maar Wouter voelde iets verschuiven, een dankbaarheid aan de teckel die zijn zoon had gered.

Die avond bleef hij stil, dacht aan die drie ontmoetingen met honden. Dieren hadden hem nooit bedreigd ze hadden hem steeds juist beschermd. Maartje keek nieuwsgierig naar zijn peinzende blik maar vroeg niets.

s Avonds ging het hele gezin naar buiten voor een luchtje voor het slapengaan. Bij het bankje verzamelde zich de buurt. Terwijl ze langsliepen ving Wouter gefluister op:

Wat moeten we nou met hem? Niemand wil zon beest toch?

Nieuwsgierig keek hij over iemands schouder. Op de bank stond een schoenendoos, erin een piepkleine pup. Blind, zijn oogjes waren nooit gevormd. De buurt fluisterde.

Maartje was al vooruitgelopen en stond met de kinderwagen te wachten.

Wat nu? klonk het.

Waar moet zon misvormd dier naartoe?

Ik zou t niet kunnen, murmelden mensen.

Wouter wrong zich naar voren. De pup was prachtig, diepbruin van kleur. Hij piepte zachtjes en draaide met zijn kleine kopje naar elke kant, zoekend naar iets vertrouwds. Maar nergens was de warme geur van zijn moeder.

Wouter hield even zijn adem in. Toen sjaalde hij zijn das het was nog fris, ondanks de lente.

Voorzichtig pakte hij het diertje op, diens achterpootjes waren krom. Een vrouw snikte zacht.

Wouter wikkelde de blinde pup in zijn das, hield hem als een baby, en zei:

Nou kleintje, het lijkt erop dat nu mijn beurt is… We gaan je voorstellen aan onze mama. Ze is lief, en in haar koelkast staat zeker melk voor jou.

Hij liep naar de jonge vrouw bij de kinderwagen, die naar hem glimlachte warm, zacht, vertrouwd zoals alleen in dromen mogelijk is.

Please rate
Bagattia News
Van Haat naar Liefde