Je wilt niet weten wat mijn buurmeisje uithaalde, joh! Had dus een soort rookhol gecreëerd pal naast mijn voordeur. Echt, ik heb er knoerthard iets van gezegd ze had totaal niet verwacht wat ervan zou komen.
“Waarom zou die lucht opeens van jou zijn?” blies ze, met zo’n bijtende Amsterdamse toon. “Het trappenhuis is van iedereen. Wil ik roken, dan rook ik. Wil ik spugen, dan spuug ik. Ken je rechten, mevrouwtje!”
Pleun, das de twintigjarige dochter van buurvrouw Marjolein, blies me plompverloren een dikke wolk zoetige damp recht in mijn smoel. En zij niet alleen op de vensterbank zaten twee van die halve gare gasten te lachen alsof ze op een festival waren. Overal op de vloer peuken, lege blikjes Red Bull, en die vieze schilletjes van zonnebloempitten.
Ik stond er als Marieke van Dijk, hoofdboekhouder bij DSM, en ze verwachtten dat ik zou gaan hoesten of wild zou zwaaien. Maar ik zette gewoon mijn bril recht, keek haar aan met die blik je kent het wel, dat soort blik waar chef-werkplaatsmannen het spontaan benauwd van krijgen tijdens de audit.
“Dit is inderdaad van iedereen, Pleun,” zei ik zo gejaagd als een gure noordwester op Scheveningen. “Dus hier wordt niet gerookt, niet gespuugd en geen vuilnisbelt gehouden. Je ruimt de boel op. Je hebt vijf minuten. Anders ga ik anders praten.”
“Nou, poeh hé, wat ben ik bang,” trok Pleun zon gek gezicht en knalde nog wat as op de vloer, net gedweild door de schoonmaker van de VvE. “Slik lekker een valdispert, je bloeddruk stijgt er vast enorm van. Ga je klagen bij mn moeder? Zij vindt het prima, zo lang ik niet binnen rook, zegt ze.”
Die gasten lachten zich helemaal suf. Ik klapte de voordeur dicht, hun herrie buiten latend.
Het rook normaal gesproken naar gebakken aardappels en oud hout in onze gang dat fijne, huiselijke, weet je wel? Nu had ik de hele tijd die gore rook in mn neusgaten, want het trok gewoon door het sleutelgat. In de keuken zat Daan.
Daan is 32, maar door zn kalende kop en gebogen houding lijkt ie zo veertig. Hij is de neef van mijn overleden man, woont al tien jaar bij mij. Hele rustige gozer, beetje wereldvreemd, hij stottert, werkt in een horlogewinkel. De buurt noemt hem altijd die zonderling of erger. Makkelijk mikpunt dus.
“Ma-Mariek, zijn ze er weer?” vroeg Daan met zon holle stem toen hij bonken hoorde op de gang.
“Eet gewoon je aardappeltjes, Daan. Dit is niet jouw zorg,” zei ik. Maar ik kookte van binnen.
s Avonds ging ik naar Marjolein toe. Ze deed open in een badjas, telefoon aan haar oor, gezichtsmasker nog op.
“Marjolein, jouw dochter maakt van het trappenhuis een rovershol, voor mijn deur nota bene. De rook dringt mijn appartement binnen, het is tot laat een rotzooi. Doe er wat aan.”
Marjolein rolde met haar ogen, de telefoon bleef aan haar oor. “Ach Marieke, je moet niet zo moeilijk doen. Die kinderen weten zich gewoon geen raad. Op straat is het koud. Zo erg is het toch niet? Ze zijn geen criminelen, gewoon een beetje samen. En jij hebt zelf geen kinderen, dus dan valt zoiets je sneller op. En Daan? Die merkt er vast niks van.”
Dat voelde als een dolksteek, recht in mn hart. Ik slikte en bleef kalm.
“Okee, dus jong zijn is een vrijbrief? En Daan is ook lastig? Goed Marjolein, ik hoor je.”
Ik ging terug, pakte mn ordner met documenten. Gevoelens zijn voor watjes, dacht ik. Echte oplossingen pak je netjes juridisch aan volgens het Nederlandse Burgerlijk Wetboek en het Huishoudelijk Reglement van de VvE.
De hele week daarna hield ik me rustig. Pleun dacht dat de oude zeurlap zich gewonnen had gegeven, dus ze eigende zich het trappenhuis nog meer toe. Er stond nu ineens een aftandse stoel bij, zo uit het grofvuil getrokken, en tot diep in de nacht bonkte de muziek.
Alles kwam tot een flink kooppunt op vrijdag.
Daan kwam thuis van werk, tas vol boodschappen en een klein doosje voor een klant. Precies toen hij langs het groepje op de trap liep, stak één van die gasten die noemen ze Krekeltje zn been uit.
Daan viel bijna, tas kapot, appels rolden door de smurrie van peuken en chips. Het horlogedoosje rolde ook over de grond.
“Haha, kijk die stakker!”, bulderde Krekeltje.
Pleun blies lui nog een pluimpje uit. “Let dan toch op waar je loopt, Daan. Je verpest nog de lucht. Ruim op voordat ik er genoeg van krijg.”
Daan werd vuurrood, handen beefden, hij begon de appels te rapen, tranen in zn ogen. Gewend aan pesten, dat niemand voor hem opkwam.
Toen gooide ik m’n deur open. Ik stond daar, maar niet met een bezem of zo gewoon met mn telefoon, camera gericht op Krekeltje.
“Vandalisme, belediging, schade,” zei ik helder. “Ik heb alles gefilmd. Ik bel de politie nu. En morgenochtend ligt het dossier bij de VvE en wijkagent.”
“Leg die mobiel weg, mens!” riep Krekeltje, maar hij deed niks mijn blik dreef hem zowat achteruit.
“Daan, kom nu maar binnen”, zei ik streng, nog steeds met ogen op dat zooitje.
“Maar de appels,” fluisterde Daan.
“Laat liggen, Daan. Dat is vuil, net zoals al het andere dat daar rondslingert.”
De deur viel dicht voor Daan, en ik draaide me naar Pleun.
“En nu goed luisteren, meisje. Je dacht dat ik afwachtte he? Nee, ik verzamelde bewijs.”
“Bewijs, waar heb je het over?” probeerde ze nog, maar haar stem trilde al.
“Ik heb contact met de eigenaar opgenomen. Je moeder is geen eigenaar toch? Het huis staat op naam van je vader, die nog in Rotterdam woont. Die denkt vast dat zn dochter keihard geneeskunde studeert, in plaats van dat ze er een zuipkeet van maakt op de trap.”
Pleun werd zo bleek als een laken. Haar vader is streng zeg maar gerust een boeman.
“Dat kun je niet maken, echt niet” piepte ze.
“Ik héb het al gedaan. Hij kreeg fotos en filmpjes van jouw feestje een kwartier terug. Samen met een klacht naar de politie, én de VvE, inclusief printjes met data, troep, overlast, rookgedrag. De wijkagent komt straks, je pa morgen vroeg. Je mag het mama alvast vertellen.”
Die zaterdag om acht uur daverde er een diepe mannenstem door het trappenhuis.
Ik zat lekker aan de thee, toen er werd aangebeld. Daar stond een enorme vent in een dure jas Pleuns vader, meneer Van den Broek. Marjolein stond ernaast met natte ogen, Pleun zelf nergens te zien.
“Mevrouw Van Dijk?” vroeg hij, beleefd maar dwingend. “Sorry voor het gedrag van mijn dochter en ex. De schoonmaaksters maken de boel nu schoon, kosten van het herstel vergoed ik zelf. Pleun vertrekt naar een studentenhuis. Ik trek de geldkraan dicht.”
Ik knikte, vond het prima.
“Juist. Maar er is nog iets.”
Ik riep Daan erbij. Hij kwam langzaam, hoofd ingetrokken, verwachtte vast weer wat lelijks.
“Uw bezoekers hebben mijn neef beledigd en zn werk beschadigd,” zei ik. “Daan is een topklokkenmaker. Zelfs in Zwitserland weten ze af en toe geen raad met de klussen die hij klaart.”
Van den Broek keek geïnteresseerd naar Daan.
“Klokkenmaker?”
“Re-reparateur,” hakkelde Daan.
“Dat komt goed uit,” zei Van den Broek. “Ik heb een collectie oude zakhorloges, een Breguet doet het niet meer, drie vakmannen kregen het niet voor elkaar. Wil jij ernaar kijken?”
Voor het eerst zag je aan Daan dat-ie zich serieus genomen voelde, als echte vakman.
“Ik ik wil het proberen. Als de veer niet gebroken is.”
“Klinkt goed.” Van den Broek schudde zijn hand stevig. “Sorry voor mn dochter. Ze heeft te veel ruimte gehad. Komt goed. Je krijgt een vergoeding én een klusje.”
Daan keek een volle minuut naar zn eigen hand, zon echte handdruk was nieuw voor hem. En voor het eerst in jaren trok hij zn schouders naar achteren.
“Tante Marieke,” zei hij vast, nauwelijks stotterend, “ik ga die appels zelf opruimen. Zonde om fruit te laten liggen.”
Ik draaide me naar het raam beetje slikken zodat hij de tranen niet zag.
“Komt goed, Daan. En zet de thee maar aan, het is vandaag een feestdag.”
Het trappenhuis was schoon, rook naar allesreiniger en nieuwe verf. Uit mijn wooning rook je appeltaart en hoorde je Daan enthousiast uitleggen hoe een tourbillon werkt.
Het rookhol was voorgoed verdwenen.







