Hoe kun je zo diep zinken? Meisje toch, schaam je je niet? Je hebt toch twee handen en twee voeten, waarom ga je niet werken? zei men tegen de bedelaarster met haar kindje.
Gerda van Dalen liep langzaam langs de rekken van de grote supermarkt, haar blik rustend op de kleurrijke verpakkingen. Ze kwam er elke dag, bijna alsof het haar baan was. Veel levensmiddelen had ze niet nodig, want een groot gezin had ze nooit gehad. Dus week de oudere vrouw elke avond uit naar het licht van de supermarkt om haar eenzaamheid even te vergeten.
s Zomers waren er de bankjes buiten, waar ze met de buurvrouwen praatte. Maar in de winter moest ze wel binnen een plek zoeken. Zo werd het winkelcentrum een warme toevluchtsoord.
De geur van versgemalen koffie hing in de lucht, tussen het zachte muziekje en al die producten die als speelgoed leken het maakte haar stiekem vrolijk.
Gerda hield een bakje aardbeienyoghurt in haar handen, keek turend naar het etiket, maar zette het weer terug. Die yoghurt was niet voor haar portemonnee weggelegd. Kijken mocht gelukkig wel.
Terwijl haar blik over de volle schappen gleed, dwaalden haar gedachten af naar vroeger. Ze zag weer de ellenlange rijen bij toogjes, de verkoopsters die soms kattig om de laatste waren vochten. Ze dacht aan al die grauwe papieren zakken waarin je spullen verpakt kreeg.
Een glimlach gleed over haar gezicht ze herinnerde zich haar rol als moeder. Voor haar dochtertje was ze tot alles bereid, liet geen enkele wachtrij haar tegenhouden. De gedachten aan haar dochter deden haar hart sneller kloppen. Gerda bleef staan bij de lage vriezer met diepvriesvis en leunde zwaar op het deksel.
Ze zag voor zich het lachende gezicht van Marijke haar Marijke, met de wilde, rossige krullen, grote grauwe ogen en dat kennmerkende stel sproeten over haar neus.
Wat was ze toch mooi, dacht Gerda weemoedig.
Ze liep onder het oplettende oog van de bakker naar de broodafdeling.
Alles in haar leven draaide om haar dochter. Marijke was verstandig en leergierig, maar toen ze haar geluk niet in haar baan vond, besloot ze draagmoeder te worden. Zoals Gerda haar al waarschuwde, bracht die keuze haar inderdaad geen goeds.
Wie van twintig luistert er nu naar haar moeder? Was haar vader nog maar in leven geweest, dan was het vast anders gelopen. Maar hoe kregen die mensen het voor elkaar zon meisje als draagmoeder te strikken?
Marijke lachte haar zorgen weg en streelde over haar zwangere buik. Gerda schudde haar hoofd. Hoe kun je dat kindje afstaan? Je hebt het negen maanden gedragen!
Maar Marijke wuifde het weg: Het is geen kind, het is geld.
De bevalling was zwaar. Ze konden Marijke niet redden ze deden niet eens hun uiterste best. Drie dagen na de geboorte van het meisje stierf ze.
Het kindje was meteen weggegeven aan de wensouders. Gerda kreeg uiteraard geen cent, want alles liep formeel via Marijke.
Gerda bleef alleen achter. Geen familie meer, geen vrienden, het voelde alsof ze in een zwart gat viel, en ze wilde er niet uit opkrabbelen. Zo was het eenvoudiger.
Nu liep ze naar het brood, uit gewoonte, kocht een klein kadetje om te laten zien dat ze niet zomaar kwam rondhangen. Ze telde haar kleingeld en liep naar de kassa, de muntjes strak in haar hand gesloten.
Op de tweede dag na de opening van de nieuwe supermarkt had Gerda voor het eerst de jonge bedelares gezien bijna een maand geleden. Gerda inspecteerde die eerste keer vol aandacht alles. Wat trok haar dan zo aan in die jonge vrouw? Misschien haar jeugdige uitstraling, het statische verdriet, of de manier waarop ze haar baby vasthield: beschermend en liefdevol.
Hoe kun je zo diep zakken? dacht Gerda toen ze dichterbij kwam en haar kleingeld in het bakje gooide. Meisje, schaam je? Je hebt twee gezonde handen en voeten, je kunt werken!
De jongedame antwoordde bedeesd: Dank u voor de euros, mevrouw, maar ik moet door, het is dringend.
Met een zucht liep Gerda weg; ze hoefde geen preek te houden. Ze wilde alleen stil helpen. Niemand gaf echt om deze hulpeloze moeders niet de politie, niet de gemeente, iedereen keek er gewoon langsheen.
Op weg naar huis dacht Gerda onafgebroken aan het meisje en haar kindje. Die grijze ogen, de stem er was iets herkenbaars aan. Maar wat?
Ze opende thuis de voordeur, trok haar stevige schoenen uit, zette het licht aan, en zette zich met een sneetje roggebrood en een plakje leverworst aan de keukentafel. Met een kop zoete thee dacht ze: Wat zal zij honger hebben, daar buiten, in de kou. Wat een leven.
Ze keek uit het raam en verstijfde van schrik. Twee ongure kerels duwden de bedelares grofjes een auto in.
Verward rende ze naar de telefoon. Moest ze de politie bellen? Maar kon dat de situatie niet erger maken?
Toen ze nogmaals naar buiten keek, was het plein verlaten. Ze besloot de ochtend af te wachten; het kenteken van de auto kon ze toch niet zien.
Het werd een slapeloze nacht, vol gedachten aan het meisje en haar kind. Tegen de morgen droomde Gerda van haar dochter Marijke, staand bij het winkelcentrum met een kindje in haar armen. Het kind was blauw van de kou. Gerda probeerde haar te verwarmen maar Marijke voelde niks.
Mam, ik heb het niet koud, fluisterde haar dochter.
Gerda nam het kindje uit Marijkes armen en sloeg de deken opzij: er lag een grote pop met een hangertje om haar nek.
Met dat bekende hangertje, mompelde Gerda in haar droom, waarna ze wakker schrok.
Het was al negen uur. Ze haastte zich naar het raam.
De bedelares stond op haar plek. Alles leek rustig, goddank.
Het was oudjaarsdag; het vroor hard. Het kindje stond er al meer dan een uur wie weet hoe koud het was.
Gerda pakte brood, maakte belegde broodjes met kaas, vulde een thermosfles met zoete thee en trok haar warme jas aan.
De jongedame voor de supermarkt schrok zichtbaar toen Gerda op haar afliep.
Niet bang zijn, meisje. Hier, eet wat, zei Gerda en gaf haar het eten. Het meisje glimlachte met haar ogen en at hongerig. Ze slikte haast zonder te kauwen en hield haar baby angstig in het oog.
Dank u wel, nu halen we het tot zeven uur. Daarna halen ze ons op, zei ze zacht.
De rest van de dag bekeek Gerda telkens ongerust de buitenthermometer. De kou werd steeds feller.
Om vijf uur bracht ze een pan erwtensoep en extra geld naar het meisje. Ze knipoogde geheimzinnig en haastte zich weer naar binnen.
Nu was het tijd kruidenkaas en zilveruitjes te halen voor haar bescheiden oudjaarssalade. Geen weelderig feestmaal, maar ze zou het wel uitzingen. Toen Gerda terugliep, was het meisje verdwenen. Ook haar pan was weg. Vast aan het eten ergens, dacht Gerda tevreden.
Thuis begon ze te snijden, zette de karper in de oven, en dekte de tafel. Straks zou misschien een van haar oude buurvrouwen nog langskomen.
Kwart voor tien. Gerda keek weer uit het raam. Ze hoopte te zien dat het meisje was opgehaald, veilig binnen.
Onder de straatlantaarn zag ze haar echter zitten, schokkend van het huilen.
Gerda vloog door haar huis, gooide een warme omslagdoek om, slofjes nog aan, en rende naar beneden. Zeg niets, ze plofte naast de bedelares op de koude bank.
Ik weet niet waar ik heen moet, fluisterde het meisje.
Haar ogen klampten zich smekend vast aan Gerdas gezicht.
Zorgt u alsjeblieft voor hem, zei ze, en gaf haar het kind.
Gerda voelde het ijzig worden in haar hoofd. Die jonge moeder was duidelijk radeloos. Met haar laatste kracht rende ze haar achterna. Kom terug! Ga met me mee! riep Gerda en trok haar mee naar haar flat.
Boven in de warme kamer maakte ze het babytje los voor de kachel.
Hoe heet je? vroeg Gerda, maar toen viel haar blik op een kettinkje met een beertje aan de nek van het kind.
Maakt u zich geen zorgen, zei het meisje. Deze ketting is het laatste dat ik heb van mijn moeder.
Gerdas adem stokte. Dat hangertje herkende ze direct die had ze ooit aan Marijke gegeven, toen het geld krap was en ze een oude broche als ketting had laten verwerken.
Het meisje trok haar dikke kleding uit en keek vragend: Mag ik douchen?
Na een knik vertrok het meisje naar de badkamer, terwijl Gerda trillend een glaasje kruidenbitter inschonk.
Dit kan toch niet? dacht ze. Is zij werkelijk mijn kleindochter?
Ze legde het jongetje op de bank en zette haar gast aan tafel.
Hoe heet je? probeerde Gerda voorzichtig.
Femke, antwoordde het meisje verbaasd. Hoe weet u dat?
Vast gehoord, eet maar lekker, wuifde Gerda.
Het zweet stond op haar voorhoofd. Dit kon geen toeval zijn Femke was precies de naam die de draagouders ooit voor Marijkes ongeboren kindje hadden gekozen.
Femke begon te vertellen. Snel, chaotisch, vol overgeslagen verdriet: tot haar vijfde woonde ze met ouders en alles was fijn zelfs een eigen pony! Ogen dicht, even gelukzalig.
Maar de ouders kregen ruzie, scheidden. Haar moeder bracht haar naar een kindertehuis, tekende afstand.
Waarom, wist Femke niet. Het sprookje eindigde, ze werd als grofvuil aan de kant gezet.
Twaalf jaar woonde ze in de opvang. Daarna kreeg ze, als wees, een krot als flat toegewezen. Daar ontmoette ze Koen, een klusjesman.
Toen ze zwanger werd, verdween hij. De krot werd ontruimd, niemand stond voor haar klaar. Haar nieuwe woning was schijn iemand anders woonde er al.
Ze kon niet vechten, zeker niet met een baby.
Zo begon ze te zwerven, te bedelen bij het station. Totdat Kale Sjaak, een bendeleider, haar opmerkte.
Een mooie jonge moeder bedelt goed, dacht Sjaak. Zij kreeg onderdak in ruil voor hun geld.
Ze sliep met anderen samen in een vochtige kelder. Er waren gehandicapten, zieken, maar ook zogenaamde theaterbedelaars mensen die zich verwondingen schminkten en zo meer geld ophaalden. Femke kon niet toneelspelen, verdiende te weinig, en haar huilende baby werd niet gewaardeerd.
Vanochtend werd ze gewoon achtergelaten niemand kwam haar halen.
Ik weet niet hoe ik deze nacht had overleefd zonder u, zei ze uitgeput. Morgen vertrekken we weer. Als ik even mag slapen…
Ze viel aan tafel meteen in slaap.
Zachtjes hielp Gerda haar en het kind in bed. Toen het klokslag twaalf was, schonk zij zichzelf een drankje in, keek door het raam naar de vallende sneeuw.
Een rustig geluk vulde haar hart. Dankjewel, lieve Heer, voor dit onverwachte geluk. Dag, eenzaamheid. Ik heb opnieuw een familie.
Het leven leert ons soms dat zelfs uit het diepste verdriet onverwacht een sprankje hoop kan groeien. Soms hoeven we alleen maar het licht aan te laten voor wie aanklopt.







