EEN BIJZONDER LEVEN
Op het huwelijk van mijn vriendin Marieke hebben we twee dagen gefeest: het was uitbundig, overvloedig en gezellig. De bruidegom, Bram, had het uiterlijk van een jonge Rutger Hauer en een bijzonder bescheiden houding voor zo’n knappe vent. Iedereen aan tafel zat stiekem naar Bram te gluren: helderblauwe ogen, belachelijk lange en volle zwarte wimpers (waarom krijgt een man zon cadeau van de natuur?!), een stevige kin, Griekse neus en een smetteloze, ietwat getinte huid. En daarbij was hij bijna twee meter lang en breedgeschouderd. Waren we niet zo gek op Marieke geweest, dan hadden we om deze uitmuntende man vast met zn allen gevochten op het trouwfeest. Bram was adembenemend.
Hoe heb jij toch zon knapperd aan de haak geslagen! vielen we Marieke lastig. Elk van ons probeerde er ongelukkiger uit te zien dan de ander, voor het geval dat Bram nog een even aantrekkelijke broer of neef had rondlopen.
Kom op, meiden, zo bijzonder is het allemaal niet! Ik hou van Bram om zijn eenvoud. Hij komt uit een klein dorp in Friesland, is bij zijn oma opgegroeid en kan alles maken. Mijn ouders kochten per toeval een vakantiewoning in zijn buurt. Hij is gevoelig, goedhartig en betrouwbaar. Hij had thuis een kippenboerderij waar je u tegen zegt. Een echte vent! Het was nog een heel gedoe om hem naar de stad te krijgen, daar ben ik minstens tien nachten kwijt aan geraakt, grinnikte ze.
Bram bleek niet alleen goed met zijn handen en familieleden, maar leerde zich in een paar jaar ook in de stad goed redden. Hij werd een kenner van goede wijn, parfum, politiek, kunst, reizen en zelfs van de AEX-index. Weg was zijn platte accent. Hij reed in een comfortabele Volkswagen, gul aangeboden door mijn schoonvader, en kreeg een prachtige baan in diens bedrijf. Wie het appartement cadeau deed, laat ik in het midden.
In het tweede jaar van hun huwelijk ontwikkelde Bram een merkwaardige liefde voor hagelwitte sokken. Uitsluitend in smetteloos witte exemplaren paradeerde hij thuis, bij anderen op bezoek en zelfs in laarzen. Op vieze vloeren stond hij zonder schoenen, alles als zijn sokken maar wit bleven.
Marieke kon zijn liefde voor witte sokken niet delen, maar poetste braaf elke dag twee keer de vloer, kocht liters bleekmiddel en zo werd Bram door al hun vrienden liefkozend De Sok genoemd.
Dat Bram een minnares had, hoorde Marieke pas toen ze acht maanden zwanger was. De affaire was dus al even aan de gang: de minnares verwachtte namelijk óók een kind in dezelfde maand.
De Sok werd in een etmaal uit huis gezet, ontslagen, vervloekt en beweend. Daarna kwam die stroperige, grijze herfst: dagen waarop Marieke op haar nu absurd groot lijkende bed lag, met droge ogen naar het plafond starend.
Huilen komt nog wel. Nu is het slecht voor de baby, zei ze.
Marieke lag daar als een levende pop, zwijgend op haar idiote bed. Wij, haar vriendinnen, wisselden elkaar als wachtsoldaten af om haar in haar verdriet bij te staan zonder woorden.
Het leek veiliger te schreeuwen, het boek van het lot door te bladeren en verraderlijke paginas eruit te scheuren, maar we zwegen. Gewoon wachten, dat was het enige wat we konden.
Op de dag dat Marieke uit het ziekenhuis werd ontslagen, kwamen we allemaal met ballonnen, vroegen de verpleegkundigen bijna om een toostje mee te doen en wensten iedereen van arts tot schoonmaker gezondheid en geluk toe. De verse opa deed zelfs extra zijn best: de dag ervoor had hij met krijt een gigantische, scheve boodschap onder het raam van Mariekes kamer geschreven: Dank voor mijn kleinzoon! Daarna probeerde hij een lied ten gehore te brengen, maar de beveiliging greep op tijd in. Gelukkig had één van de beveiligers wel zin in een borreltje met hem in het hokje proost, zonder verstoring van de orde.
De dag van ontslag was opa fit, stralend en, naar ik mij herinner, glom hij van trots en blijdschap. Hij huilde ook op de juiste momenten en recht uit het hart.
Wij pinkten ook allemaal een traantje weg, lachten, gaven Marieke zoenen, wierpen schuchtere blikken op het blauw omwikkelde pakketje, en zwegen extra hard over het Griekse neusje van kleine Ivo. Alleen Marieke huilde zelfs tijdens dit geluk niet:
Dat doe ik later wel. Stel dat het in mijn melk terechtkomt?
Twee maanden bleef Marieke stil naast ons, toen, op een dag, ging ze Bram opzoeken. Niet met lucifers of zuur, maar met een allesverterend verlangen om te huilen, te eisen, te schreeuwen, te beschuldigen, zich te ontladen van de pijn die haar aan het bed vastklemde die pijn over te geven aan de verrader. Aan de man die hun wereld, haar dromen rond haar kind, haar gezin, verwoestte.
En ze wilde ook heel graag de vrouw die met haar man sliep, in de ogen kijken. Die moesten uiteraard brutaal en waarschijnlijk wél erg mooi zijn. In die ogen zou ze spugen. Zo, besloten. Indien nodig zelfs krabben.
De route naar het liefdesnest hoorde Marieke per ongeluk, tijdens een wandeling met haar kindje, van de plaatselijke oude buurvrouwen. Hun warme adviezen en de kleurrijke beschrijving van mogelijke wraakoefeningen waren niet mis. Marieke wilde bijna omkeren, maar liep door.
Nu staat ze daar, Marieke, voor de goede portiek van een oude flat in Amsterdam, alleen nog naar de vijfde verdieping klimmen en dan: schreeuwen of spugen, het maakt niet uit.
Op de eerste verdieping dacht ze: waarschijnlijk zit er straks niemand thuis. Dat zou haar geluk zijn. Op de tweede dacht ze: eigenlijk best fijn als ze niemand aantreft. Op de derde hoorde ze een kind wanhopig huilen, helemaal boven.
De deur werd geopend door een magere, huilende vrouw, beslist geen verleidster uit haar verbeelding. Terwijl Marieke naar die snikkende, slanke verschijning keek, bleef het kind gillen in de huiskamer.
Goededag mevrouw Marieke. Bram is hier al twee weken weg en waar hij is, weet ik niet snikte de vrouw en liet zich op de vloer vallen.
Marieke kreeg ineens geen zin meer in ruzie. Liever liep ze naar de kamer om de baby tot rust te brengen. Daarna kon ze nog altijd iets snijds zeggen: Je houdt van het leven, maar draag dan ook de lasten. Ja, dat zou ze zeggen. En haar minachtende blik was haar goed recht als bedrogen partij.
Het kind bleek alleen honger te hebben. Oogjes dik, stem schor, slapen nat van het huilen. Zijn moeder lag uitgeteld op het vloerkleed te jammeren.
Marieke moest met moeite terughalen hoe zij driftig keukenkastjes openrukte op zoek naar voeding, vergeefs de lege koelkast inspecteerde en uiteindelijk een briefje op tafel vond waar alleen stond: Help me alsje – de zin niet afgemaakt.
De vrouw op de grond snikte het Marieke allemaal toe, alsof ze een oude vriendin was. Binnen een paar dagen moest ze met haar baby uit de huurwoning, en geld had ze niet. Haar melk was opgedroogd, Bram was weg. Het was haar allemaal zo ontzettend spijtig, en ze schaamde zich. Ze bood haar excuses aan en als Marieke wilde slaan, mocht dat ook. De baby heette Taco, en Marieke moest dat onthouden voor het geval. Taco was negen dagen ouder dan Ivo.
Marieke ging snel naar huis over twintig minuten zou Ivo alweer drinken willen. Rijden was lastig: twee zware tassen met spullen van Saskia trokken aan haar armen, terwijl Saskia zelf naast haar liep met de inmiddels tevreden slapende Taco. Marieke liep en dacht waar ze straks nog twee extra bedden kwijt kon.
Drie jaar later vierden we Saskias bruiloft, een jaar daarop die van Marieke. Mariekes man haat witte sokken vindt dat het leven kleur moet hebben en is stapelgek op zijn vrouw, zoon en hun twee dochters. Saskia is moeder van vier jongens en haar man hoopt nog altijd op een meisjeEn soms, als we samen op een zomerse avond buiten zitten, met kinderen die in het gras stoeien en lachen, schenkt Marieke wijn in voor Saskia die weer een suiker klontje in haar thee doopt, zoals ze dat alleen in Friesland doen, en Taco met een brede glimlach naar de meisjes zwaait. Dan fluistert Marieke zachtjes: We kregen niet allemaal wat we wilden, maar we kregen allemaal genoeg en soms, méér dan dat.
We weten nu, gekeken door de seizoenen vol verlangen en verlies, dat het mooiste niet te plannen valt. Geluk nestelt zich in onverwachte armen, groeit op vreemde plekken, en heel af en toe, als de pijn nog onverwacht opduikt, lachen we erom. Een zacht soort lachen, dat stroomt tussen vriendschap, vergiffenis en versgeparkte koffie.
Op die avonden trekken er witte wolken voorbij niemand let nog op sokken. Alleen kleine Ivo, die met een stift stiekem Sok op zijn witte T-shirt schrijft, onder zijn trui voor als zijn moeder hem later vraagt waar hij zo om moest lachen.
En wij, wij weten het: het leven is bijzonder, juist ja, om alles wat je niet van tevoren kon bedenken.







