De Laatste Zonnestraal

DE LAATSTE ZONNESTRAAL

De afdelingshoofd van de interne geneeskunde, daar keek gewoon iedereen naar. Mannen met een blik vol interesse, vrouwen een tikkeltje jaloers. En logisch ook, want die witte jas stond haar prachtig, met haar slanke figuur en donkere ogen. Haar haar droeg ze altijd in een nette rol op de achterkant van haar hoofd, met zon keurig gesteven kapje eroverheen waardoor ze net wat langer leek. Misschien door de goede hakken onder haar schoenen, of omdat ze zo soepel liep haar voetstappen stoorden niemand.

Ze leek een jaar of vijfenveertig, maar haar exacte leeftijd wist niemand op de afdeling. Iedereen kende haar als de strenge, rechtlijnige Julieke van Loon. Zowel collegas als patiënten hadden een soort ontzag voor haar, soms zelfs lichte angst.

Mannelijke collegas en patiënten probeerden haar nog weleens te verleiden, met uitnodigingen, bonbons, bloemen. Maar zodra ze haar heldere, doordringende blik kregen, verstijfden ze en stokte elk leuk bedoelde gesprek. Geruchten over haar deden continu de ronde: een liefdesdrama, haar man verdronken op zee of omgekomen tijdens een UN-missie. Of dat ze een kind had verloren. Maar niemand wist waar de waarheid ophield en het roddelcircuit begon.

Wat iedereen wel wist: ze woonde alleen. Ze hield afstand, had met niemand echt contact of vriendschap. Maar je kon haar onmogelijk een kreng of een moeilijk mens noemen.

Vroeger was Julieke smoorverliefd geweest op haar studiegenoot, een knappe kerel genaamd Wouter van Loon. Ze kon niet eens ademen zonder hem. Maar Wouter, gewend aan vrouwelijke aandacht, vond haar totale toewijding verstikkend. Uiteindelijk koos hij voor een ander en was Juliekes hart, wellicht, nooit meer helemaal geheeld. Misschien hield ze nog steeds van hem. Misschien durfde ze gewoon niet opnieuw iemand toe te laten.

Die middag stond ze bij het balie van de verpleegkundige post.
Vera, mag ik het dossier van meneer de Wit uit kamer vijf even? Ik maak alvast zijn ontslagbrief voor morgen in orde.
Met het dossier stevig in haar arm liep Julieke naar haar kantoor.

“Nou, meneer komt er weer bovenop. Het hangt nu vooral van zijn eigen inzet en lijf af hoe snel we hem weer terugzien,” dacht ze terwijl ze in het systeem de standaard samenvatting aan het invullen was: alle onderzoeken, behandelingen, de labuitslagen…

Het was nog maar een half uur tot haar werkdag erop zat. Ze draaide de deur op slot en in de gang bleef ze plots verstijfd staan. Daar, aan het einde van de gang, stond een vrouw zachtjes te bellen terwijl ze uit het raam keek. Door de stilte hoorde Julieke flarden van het gesprek.

Nee, echt niet. Springlevend. Word nou niet boos. Ik heb het hem wel verteld Nee, niet zo Je denkt toch niet dat hij het niet doorhad? Nou, we spreken elkaar vanavond wel.

De vrouw stopte haar telefoon in haar jaszak en liep richting de trap zonder zich om te draaien.

Julieke liep kamer vijf binnen. Op andere dagen zou ze iets zeggen als er lege bedden stonden (Roken is nergens goed voor!), maar nu zag ze de gespannen rug van een man, gericht naar het raam, en zei niets.

Meneer de Wit, morgen begon ze, maar toen hij haar aankeek met zoveel verdriet en pijn, stokte haar stem.

Gaat het? Voelt u zich niet lekker? Waar heeft u pijn?
Ze ging op de rand van zijn bed zitten, zodat ze niet boven hem hing.

Zou ik mag ik misschien wat langer blijven? Ik Ik heb nergens om naartoe te gaan
Zijn stem was kwetsbaar, gefragmenteerd.

Zijn plek is allang ingenomen. Vrouw heeft een ander meegenomen, letterlijk. Ze zei het gewoon: Einde verhaal, ik heb iemand anders. En Sander kon zijn biezen pakken, riep de oudere man in het bed schuin tegenover.

Is dat echt zo? vroeg Julieke zacht.

Aha, dacht ze, dat was die vrouw bij het raam net aan de telefoon. Ze hoopte op zijn overlijden, maar nu hij toch leeft, is zijn plek bezet.

Meneer de Wit, fors gebouwd, grauwe haren, nog geen zestig maar al moe, lag met zijn gezicht naar het raam, zijn kaken strak gespannen.

Julieke volgde zijn blik. De lente was net begonnen; de bomen buiten in het ziekenhuispark stonden vol knoppen, klaar om open te barsten. Maar de lucht was grijs, nergens zon, en het zou zomaar kunnen gaan sneeuwen.

Heeft u geen vrienden? Kinderen? informeerde ze meelevend.

Iedereen heeft een eigen gezin. Voor een nachtje of twee kan het nog, maar in mijn positie is het gênant om te blijven aankloppen. Ik wist heus wel dat ze een ander zag. Dacht gewoon: komt vanzelf goed…

Maar meneer de Wit, op deze kamer blijven is geen optie. Nog een paar dagen maakt voor u niet het verschil, maar we hebben deze bedden hard nodig. zei Julieke en hield even in. Maar weet je? Ik heb een huisje op het platteland, tachtig kilometer van Utrecht, mooie weg ernaartoe. Stevig huis, maar er moet wel wat aan gebeuren. Er woont al jaren niemand meer. Morgen breng ik de sleutels mee en schrijf alles op over hoe je er komt, ze stond alweer bij de deur en gaf hem geen kans om te weigeren.

Kijk eens aan! klonk het vanaf het andere bed. Zo streng en dan toch zo aardig. Niet moeilijk doen, Sander. Jouw verloren poes is deze vrouw niet waard!

Het voorjaar was aangebroken; de koude wind verdween, en het werd steeds zonniger. Op een zondagochtend sprong Julieke in haar Honda en reed naar het huisje om te kijken hoe het met Sander ging.

Ze keek haar ogen uit toen ze zag hoe het huis erbij stond. De kozijnen waren vrolijk blauw geschilderd, het dak opgelapt. Op het trapje was een nieuw plankje gezet. Ze parkeerde de auto en liep naar het huis. Op de stoep stond Sander, in een t-shirt, een oude spijkerbroek en op blote voeten. Hij zag er piekfijn uit breeduit, gebruind gezicht, spieren op zn armen. Een heel andere man dan de gebroken patiënt uit het ziekenhuis.

Goeiemorgen, ik kom je even opzoeken. Gaat het allemaal een beetje met de buurt? vroeg ze vanuit de auto, leunend op de deur.

Ach, de enige drie oude dametjes van het dorp vinden het alleen maar gezellig dat hier nu iemand woont. En de zomergasten hebben wel wat anders aan hun hoofd, grinnikte hij, nog steeds een beetje onwennig.

De buitenlucht doet je goed. En werk? Ze bleef bij de auto staan; hij nodigde haar niet echt uit naar binnen, zo leek het.

Ach, mijn werk Dat stelde niet veel voor. Na mijn diensttijd in het leger bleek ik eigenlijk niet veel te kunnen behalve commandos uitdelen. Heb wat als beveiliger gewerkt, heeft me weinig gedaan. Mijn pensioen is gelukkig dik genoeg.

Maar vertel, laat eens zien wat je ervan hebt gemaakt. zei Julieke en nu pas sloeg ze resoluut de deur dicht en liep het trapje op.

Wat ben ik toch een oen, Sander sloeg zichzelf voor het hoofd. Ik schrok zo van je komst, sorry. Hij liep voor haar uit naar binnen, de deur uitnodigend openhoudend.

Binnen viel Julieke stil in de woonkamer. Over de keurig geschrobde grond lagen geweven matten die ze herkende van vroeger. Door het vitrage viel het zonlicht in een patroon van licht en schaduw. Op de vensterbank stonden twee bloempotten met geraniums. De oude wandklok tikte huiselijk.

Die heb ik gekregen van Marlou, je weet wel, die aan het einde van het dorp woont. Maakt het net wat gezelliger, toch? zei Sander, toen hij haar blik op de geraniums zag.

Wat ruikt het hier trouwens lekker! zei Julieke en keek hem onderzoekend aan.

Ik heb in de houtkachel zuurkoolsoep gemaakt, en aardappels. Zin om mee te eten? zei Sander, enigszins beschaamd maar met een brede glimlach toen hij haar voor het eerst zag lachen. Koken was wel even wennen hoor. Ik heb nooit op het platteland gewoond. De buurvrouwen hielpen me erbij. Het was steeds of rauw, of helemaal verkoold, lachte hij.

Julieke voelde plots zin om te rekken, zich uit te strekken. Dit huis, zo warm, deed haar denken aan haar oma, aan vroeger. Ze was hier niet meer geweest sinds haar moeder overleed, het lukte haar al die jaren niet. Maar verkopen deed ze ook niet, te veel herinneringen.

Ze dacht even terug aan hoe ze ooit de auto vol laadden met potten ingelegde augurken, jam, paddenstoelen en de voorraad de hele winter dooraten, elke keer terugdenkend aan de zomer en haar moeder.

Opeens haalde Sander haar uit haar mijmering:

Zeg het gerust hoor, hoe lang mag ik eigenlijk hier blijven? vroeg hij voorzichtig.

Blijf zolang je wil. Ik ben hier zon tien jaar niet meer geweest, het lukte gewoon niet. Ik kom je nog weleens opzoeken, als je dat goed vindt. Jij hebt het hier weer warm en gezellig gemaakt, precies zoals het was toen mijn moeder hier woonde. Ik heb er gewoon geen zin in dat huis en die grond. Ze keek wat verlegen naar beneden, Sander hield zich wijselijk stil.

O, trouwens, ik heb nog boodschappen bij me. Helemaal vergeten! riep Julieke en rende de deur uit.

Sander slaakte een zucht van verlichting. Voor het eerst zag hij haar zonder die witte jas en het kapje. Een zomerjurkje stond haar geweldig, ze leek wel tien jaar jonger. Haar haren hingen losjes, een paar lokken ontsnapten uit het knotje. Ze was ineens zo dichtbij, en een stuk menselijker. Sander keek naar zijn ruwe handen, vol schrammen van het klussen, en voelde zich plots zn leeftijd.

Ze vertrok pas toen de schemer inviel, maar haar parfum bleef subtiel in het huis hangen. Waar Sander ook aan zat, overal rook het naar Julieke. Zijn hart sloeg slag over, wat voelde hij zich anders, als herboren bijna. En eigenlijk dacht hij nog dankbaar aan zijn ex-vrouw.

Die nacht sliep Sander nauwelijks, fantaserend over haar geur, haar stem. Dat had hij al jaren niet meer gehad.

Twee maanden later kwam Julieke terug met boodschappen en zelfs een nieuw schepnet. Hij had het hek gerepareerd, vertelde trots dat zelfs vrouwen uit het naburige dorp langskwamen voor klusjes en daarvoor betaalden met melk, eieren of verse room.

Het huis leek ook rechtop te staan, borst vooruit trots op deze nieuwe bewoner.

‘s Winters krijg je mijn zelfgemaakte augurken! lachte Sander. Julieke zag meteen hoeveel strakker hij was geworden: zijn buik was verdwenen. Ze werd er verlegen van.

De zon ging al bijna onder, het huis baadde in het oranje schemerlicht.

Ik ben zo terug! Sander liep de tuin in.

Julieke dwaalde een beetje door het huis; alles had zijn plek gevonden, er was een nieuwe geur. Na een tijdje voelde ze onrust: hij bleef wel erg lang weg. Ze liep naar buiten, door de tuin, en zag Sander daar zitten op de grond, leunend tegen de heg.

Sander! ze stormde naar hem toe, viel op haar knieën.
Zijn pols was onregelmatig en gespannen. Ze rende naar de auto voor haar EHBO-tas, besefte halverwege dat ze water nodig had, rende terug naar het huis. Ze holde over het erf, haar jurk zwiepte om haar benen. Had ik hier maar een spuitje morfine, dacht ze, terwijl ze hem een pil in zijn mond duwde en water aanreikte.

Na een kwartier voelde hij zich beter. Julieke hielp hem overeind en liet hem op bed zitten.

Een beetje te lang in de zon gezeten vandaag, denk ik, zei hij, een beetje beschaamd. Wilde nog augurken voor je instoppen voor onderweg Wil je niet blijven? vroeg Sander ineens, zacht, en ging vanzelf over naar ‘je’ in plaats van ‘u’.

Julieke bleef staan, niet goed wetend wat ze moest zeggen. Sander legde zijn hoofd tegen haar buik en slaakte een zucht.

Geluk, dat is zoiets geks. Soms zoek je er jaren naar, soms verwacht je het niet meer. Je leert jezelf aan niemand nodig te hebben, niet bang te zijn voor teleurstelling. Maar plots kruist iemands pad het jouwe, en ga je samen een eind de toekomst in.

En liefde Liefde is ook nooit hetzelfde. Jong zijn, oververliefd, alles voor elkaar voelen. En met de jaren sluipt er rust in, warmte, zachtheid als de laatste zonnestraal op een mooie dag.

Please rate
Bagattia News
De Laatste Zonnestraal