Manlief kwam terug, maar niet тот
Heb je brood meegenomen?
Hij keek me aan alsof ik in het Fries begon te praten. Geen onbegrip eerder een pauze. Zon ongemakkelijke stilte die niet thuishoort in ons doodgewoon, oerhollands bestaan.
Wat voor brood? zei hij eindelijk. Niet verbaasd, niet vragend. Meer als een vaststelling.
Gewoon, volkoren. Van de bakker aan de Lindegracht, haal je altijd.
Hij zette de tas op de grond, keek rond in de keuken alsof hij die voor het eerst zag.
Ben niet langs de winkel gekomen.
Ik knikte en draaide me naar het fornuis. Niks aan de hand, sprak ik mezelf toe. Hij was moe. Week weg naar die conferentie in Eindhoven, hotel met slechte bedden, eten uit een buffet in aluminium bakken. Natuurlijk moe.
Maar brood vergat hij nooit. Al zeventien jaar komt hij thuis met een halve volkoren van De Graankorrel om de hoek, of hij nu uit Den Haag, Breda of van om de hoek kwam. Niet eens afgesproken of uit pure noodzaak gewoon hoe hij in elkaar steekt. Zo komt hij thuis.
Ik roerde de soep en liet het gaan.
Hij heet Bertus. Bert voor vrienden. Ik ben 58, hij 61. We wonen in Amersfoort, in zon duffe jaren-negentig portiekflat die we kochten toen onze dochter Marlies nog in haar Barbiefase zat. Marlies woont nu in Amsterdam, belt braaf op zondagen. Ik werk al jaren in een schoolbibliotheek, Bert is drie jaar gepensioneerd maar heeft een baantje erbij: hij geeft les in bouwvoorschriften op het ROC. We leven rustig, typisch Nederlands, met weinig gekibbel. Dat moet men even weten want niets aan onze routine verklaarde wat er na zijn terugkomst veranderde.
We aten die avond zonder woorden. Hij prikte zijn aardappels keurig, keek vooral naar zijn bord. Ik wachtte tot zijn standaard verhalen over slechte hotelkoffie, norse collegas of die ene student die op klompen binnenkwam. Altijd een verslag op de eerste avond thuis.
Hoe was Eindhoven? vroeg ik.
Gewoon.
Was het seminar nuttig?
Ja.
Ik legde mijn lepel neer.
Bert, alles goed met je?
Hij keek op. Dezelfde grijze ogen, maar moe.
Jawel. Gewoon moe.
Ik ruimde af, hij kroop met zijn telefoon op de bank. Alles leek normaal, alsof er niets was. Alleen was er geen brood. Geen verhaal. En iets anders, zonder naam.
De eerste nacht schreef ik toe aan vermoeidheid. De tweede ook.
Op dag drie, vrijdag, viel me iets geks op.
Ik dronk koffie bij het raam toen hij uit de douche kwam. Hij liep in de keuken naar de voorraadkast, pakte de pot boekweit, draaide het deksel open en rook eraan. Niets zei ik. Maar hallo: Bert eet nóóit boekweit. Vroeger lachten we daarom het is grijs zaagsel, goede mensen halen wel iets lekkers, zei hij altijd. Rijst, parelgort, aardappels prima. Boekweit? Te saai.
Maar nu pakte hij het zomaar. Alsof hij het overwoog.
Heb je opeens zin in boekweit? vroeg ik voorzichtig.
Nee, mompelde hij. Ging terug naar de huiskamer.
Lang tuurde ik naar de pot.
Zaterdag belde Marlies.
Is pap al terug? vroeg ze.
Woensdag, zei ik.
En? Alles goed?
Heel even stil.
Moe van de reis. Maar verder goed.
Ik kom in oktober trouwens, samen met Daan. Vakantie!
Je bent meer dan welkom.
Ik zei haar maar niets. Wat moest ik? Dat pa het brood niet haalde en aan boekweit rook? Dat klinkt niet zorgwekkend, eerder als een beginnende midlifecrisis met onverwachte voedingskeuzes.
Maar ik wist inmiddels dat het niet klopte. Niet met mijn hoofd, niet met logica. Maar ergens onder mijn ribben, waar je gevoel aanslaat.
Op zondag stelde ik voor om een wandeling te maken. Soms gingen we naar het Soesterkwartier, zaten we op een bankje bij de vijver, haalden een beker chocomel bij de kiosk en klaagden over onze stijve ruggen. Zon klein, kneuterig ritueeltje.
Zullen we naar het park? zei ik.
Hij keek op van zijn mobiel.
Welk park?
Het Soesterkwartier. Het weer is goed.
Hij dacht na. Ook al zo raar, normaal zei hij meteen doe maar of pak mn jas.
Eh, ja, vooruit.
Onderweg liepen we zwijgend. Hij keek om zich heen zonder haast, zonder die zondagse ontspanning eerder zoals een toerist die de route probeert vast te leggen.
Bij de ingang stond een oude man met een dikke bruine spaniel.
Kijk, daar is Boef, fluisterde ik. Zo noemden we sinds acht jaar alle bolle spaniels, naar de hond van buurvrouw Mevrouw Van Schaik. Onze eigen grap.
Hij keek naar de hond. Geen reactie.
Boef, zei ik nog zachter.
Lieve hond, zei hij netjes. Zakelijk.
Daar, achter een struik, bleef ik even staan voor schijn. Mijn hart bonkte te hard voor zon wandeling.
Hij herkende Boef niet. Of deed alsof. Maar waarom?
Bij de vijver was de kiosk dicht. Bert plofte op de bank, keek naar het water.
Mooi plekkie hier.
We komen hier al jaren, hè?
O ja?
Ik draaide me naar hem.
Bert, we komen hier al tien jaar.
Hij knikte. Niet van zijn stuk.
Kan. Ik zeg alleen: mooi plekkie.
En daar kneep iets in mij zich samen. Ik vond pas midden in de nacht woorden. Hij zei niet weet je nog of tuurlijk. Hij knikte zoals je knikt naar een onbekend feit.
Die nacht lag ik lang wakker. Dacht aan hoe psychologen vast zon verlies van vertrouwdheid uitleggen. Mensen veranderen na schrik of verdriet. Maar zon overdracht in Eindhoven? Dat leek niet het moment om een ander mens terug te krijgen.
Om drie uur stond ik op, dronk water. Het Amersfoortse uitzicht was doodgewoon, lantarenpaal flikkerde. Ik keek en dacht: oké, we wachten af. Misschien is het een waas van vermoeidheid of oud zeer. Gebeurt vast bij zestiggplus als het leven zijn tol vraagt en niemand weet voor hoe lang.
Terug in bed legde ik mn hand op zijn rug. Heel zacht, zoals altijd. Hij bewoog niet.
Maandagmorgen bel ik vriendin Greetje. Kende ik van de lerarenopleiding, werkt bij de huisartspraktijk. Geen fratsen, altijd rechttoe.
Kan ik langs komen?
Wat is er?
Geen idee. Gewoon even praten.
Kom maar om vijf uur, eet je mee.
Het ruikt altijd naar appeltaart bij Greetje, zelfs als de oven leeg is. We zaten in haar keuken, ik vertelde alles. Over het brood, de boekweit, Boef, het kan bij de vijver.
Greetje knikte, luisterde.
Jet, misschien gewoon depressie. Of iets met geheugen. Jullie zijn toch geen twintig meer.
Hij is pas 61.
Zie voorbeeld: onze Toon op nummer 5, begon ook zo. Niemand blijft hetzelfde.
Hij is altijd zo consistent. Beter geheugen dan ik.
Kan verkeren.
Ik staarde in mijn thee.
Greet, het is geen vergeetachtigheid. Hij kijkt naar me soms zoals je iemand voor het eerst ziet maar beleefd wil blijven.
Zij brak een stukje taart af.
Slaap je wel?
Nee.
Jet, je dramaqueen. Geef het een week rust.
Misschien had ze gelijk. Maar terug naar huis dacht ik alleen maar aan die pot boekweit.
Thuis zat Bert aan tafel met papieren. Ik pakte boodschappen uit. Hij keek niet op.
Was bij Greet.
Hm.
Taart meegenomen.
Hij keek op.
Waarmee?
Met appel, je favoriet.
Ik houd helemaal niet van appeltaart.
Ik zette de tas neer. Heel langzaam.
Bert.
Ja?
Je zei altijd dat je gek was op appeltaart. Je moeder bakte dat toch altijd?
Zijn blik bleef neutraal.
Mijn moeder bakte met peren.
Stilte.
Zijn moeder, Janna, is twaalf jaar geleden overleden. Ik was vaak genoeg bij haar het was altijd appeltaart met rozijnen. Haar succesnummer. Hij vertelde daar ontroerd over, nooit over peren.
Ik belde zijn zus, Loes. Woont in Zwolle, ze hebben weinig contact, maar bellen geregeld.
Jet! Hoe gaat het?
Goed. Even een gekke vraag wat bakte jouw moeder altijd voor taart?
Korte stilte.
Appeltaart, natuurlijk. En met rozijnen. Waarom?
Wilde het recept even checken. Toch bedankt.
Ik hing op. Kreeg slappe benen absurd om je krachten te verliezen door een appeltaartje.
Misschien wat met zn geheugen. Iets neurologisch. Moet naar de dokter. Of gewoon zeggen wat ik merk.
Bij het avondeten:
Bert, hoofdpijn gehad lately?
Nee.
Slaap je goed?
Prima.
Wil je niet een keer je bloeddruk laten checken?
Hij legde zijn vork neer.
Waarom?
Gewoon, controleren.
Meet ik thuis. Alles prima.
Bert, ik maak me zorgen.
Hij keek lang naar me. Bestudeerde me bijna.
Denk je dat er wat mis is met mij?
Ik maak me gewoon druk.
Niks aan de hand, Jet. Laat het los.
En dat was dat. Bert had altijd talent om het met één zin af te kappen. Geen gedoe, geen drama. Meestal prima, nu vreemd.
Ik observeerde hem intussen. Nu hij at, hoe hij zijn vork vasthield volgens mij rechtshandig, ja toch? Maar iets meer voorovergebogen dan normaal. Wist ik dat eigenlijk zeker? Misschien verzon ik het erbij.
In de badkamer keek ik in de spiegel naar mezelf. Vermoeid hoofd, korte grijze plukjes die ik al jaren niet meer verf, kraaienpootjes om mijn ogen. Bert noemde ze ooit mijn lachrimpels, omdat ze er waren door het lachen. Ik keek en dacht: Jet, nu overdrijf je. Mensen veranderen, zeker na wat we niet zien.
Ik waste me en ging naar bed.
s Nachts schrok ik niet van geluid, maar van stilte van het gevoel dat je eigenlijk alleen bent. Ik zocht hem, maar zijn kant van het bed was koud.
Keukenlicht brandde. Hij zat te schrijven in een notitieboek. Handgeschreven, wat op zich al raar was, want Bert typte alles. Sinds zijn pensioen schreef hij alleen nog boodschappenlijstjes.
Bert?
Hij keek rustig op, niet schuldig of betrapt.
Slapen lukt niet, zei hij.
Wat schrijf je op?
Gewoon, wat dingen.
Mag ik zien?
Pauze.
Het is persoonlijk.
Hij keek me aan. Decennia was tussen ons alles bespreekbaar, eigen ruimte was er heus, maar persoonlijk in deze toon die herkende ik niet.
Oké, zei ik, ging terug naar bed.
Hoorde hoe hij bleef schrijven, uiteindelijk zijn stoel achteruit schoof en het licht uit deed.
In de ochtend was het boekje weg.
Ik zocht het. Geen idee waarom, maar deed het toch. Keek in de keuken, daarna stoer in zijn la. Oude bril, eurostaties, wat papiertjes. Geen notitieboek.
Hij nam het mee.
Op mn werk in de bibliotheek was het prettig rustig; de geur van papier is de beste troost. Tussen de tijdschriften vroeg ik me af: wanneer weet je echt dat iemand veranderd is? Niet een beetje, maar fundamenteel. Je kent elkaar zo, en even later klopt het niet meer.
Ik herinnerde me een term: psychologische vervreemding. Gelezen in de Margriet of zo. Iemand lijkt dezelfde, maar is het niet meer. Komt door stress, ouderdom of gewoon leven. Mensen veranderen, je raakt elkaar kwijt en weet niet eens precies wanneer dat begon.
Maar ik kende Bertus. Ik wist het zeker.
s Avonds was hij eerder thuis, stond uit het raam te staren niets voor hem, hij was altijd bezig. Niet zomaar dromend naar buiten kijken.
Wat doe je?
Niks. Even kijken.
Hoe was je dag?
Gewoontjes.
En de leerlingen?
Druk.
Ik begon aan het eten.
Vertel eens wat over Eindhoven.
Wat wil je weten?
Noem eens wat bijzonders. Hotel, collegas, gekke dingen.
Kleine stilte.
Het hotel was gewoon. Seminar was in het ROC-gebouw. Kregen rondleiding door een nieuwbouwflat. Tja, verder niks.
Wie waren er dan allemaal?
Wat mensen van mijn werk en uit andere steden.
Was Hansen er? (zijn vaste collega, die altijd meegaat naar zulke seminars).
Hij keek weg.
Hansen? Nee, die niet.
Die is anders altijd van de partij.
Dit keer niet.
Later, toen hij sliep, stuurde ik een voorzichtig appje naar Hansens vrouw: Goedenavond, was Hansen goed thuisgekomen na Eindhoven?
Binnen enkele minuten een reactie: Hansen was helemaal niet in Eindhoven. Ze hadden hem niet nodig.
Ik typte dat ik het fout had. Ging liggen, in het donker.
Dus hij wist niet of Hansen erbij was, of loog. Maar waarom?
Misschien ruzie, wil hij niet praten, misschien is hij niet eens in Eindhoven geweest. Oké, nu werd het paranoia.
Toch bleef het wringen.
Op woensdag vond ik een reden om samen naar De Linnenkast te gaan, de zaak waar we altijd onze gordijnen kopen. Gewoon een geijkte outing: ik snuffel, hij verveelt zich, daarna koffie en appelpunt. Ons ritueel.
Wil je mee, vandaag? vroeg ik opgewekt.
Moet dat?
Ja, deze zijn echt versleten.
Hij haalde zijn schouders op.
Goed.
Na eindeloos stoffen vergelijken stelde ik voor om koffie te pakken bij het tentje op de hoek.
Hiernaast even koffie?
Komen we daar vaker dan?
Altijd! Elke keer.
Hij keek naar het bruine bord: Koffiehoekje, sinds 1999.
O, niet gezien, zei hij. Kocht ik hier wel eens koffie?
We gingen naar binnen. Ik hield hem nauwlettend in de gaten toen hij at.
Op weg naar huis in de bus vroeg ik:
Bert, weet je alles van ons nog?
Hij keek verbaasd.
Natuurlijk, Jet. Jij bent mijn vrouw.
Ja, dat weet ik. Maar deel je ook al die herinneringen?
Wat is er?
Je lijkt zo anders de laatste tijd.
Mensen veranderen toch.
Jij zei altijd: Mensen blijven hetzelfde.
Hij beet in zijn gebak.
Misschien verander ik deze keer écht, zei hij.
Thuis keek ik maar uit het raam in plaats van naar hem. Dit is dus hoe angst voor een verloren geliefde voelt: geen paniek, eerder verlamming.
Op donderdag, toen hij weg was, checkte ik zijn studeerkamertje. Met tegenzin, maar toch.
In de la lag het notitieboekje.
Ik sloeg het open. De eerste paginas leeg, daarna lijstjes in keurig handschrift, níet dat van Bert: Jet vrouw 58. Werkt bibliotheek. Dochter Marlies, Amsterdam. Drinkt koffie zonder suiker. Wil gordijnen vervangen. Vriendin Greetje, werkt huisarts.
Verderop: Appeltaart favoriet volgens Jet. Parkzondag. Hond Boef, grapje. Achterop: Janna, moeder. Appel of peer checken.
Mijn adem stokte.
Het was een soort catalogus. Van onze familie. Alsof iemand notities maakte om onze routines niet te vergeten.
Ik legde het boekje terug, dronk water, en probeerde het logisch te duiden.
Amnesie? Dissociatie? Dat mensen na een klap hun geheugen moeten verzamelen? Misschien. Misschien was er met hem wat in Eindhoven gebeurd.
Maar dit was niet zijn handschrift.
Sommigen veranderen van handschrift. Na een beroerte misschien. Maar dan is er meer aan de hand.
Ik veegde over mijn gezicht. Rustig blijven, Jet.
Hij kwam om zeven uur thuis. Dronk zijn thee, gewoon weer zon avond. Ik keek naar hem, observeerde zijn handen. Was hij altijd al zo? Of beeldde ik het me nu in?
Bert, vertel weer eens over wanneer we elkaar leerden kennen?
Hij keek op. Dronk nog een slok thee.
Wat wil je weten?
Alles. Hoe weet je dat nog?
Hij legde zijn vork neer.
Via vrienden. Op een verjaardag. Jij in een blauw jurkje.
Dat klopt. Heel accuraat zelfs.
Daarna spraken we vaker af, zei hij. Kregen verkering.
Stilte.
Toen getrouwd. Marlies geboren. Huis gekocht.
Toen je me ten huwelijk vroeg, waar gingen we heen?
Hij bromde iets.
Zeg maar.
Stilte.
Weet niet meer alle details. Dat is lang terug.
Je vertelde altijd dat je het hele weekend onthouden had. Zelfs vorige zomer nog.
Stilte.
Bert, waar was dat? Waar vroeg je het me?
Lang stil. Geen schaamte, meer iets van: wanneer stopt zij?
Jet, moet dat nu?
Ik wil weten of je het nog weet.
Lang geleden, lieve schat. Wie weet nog alles?
Dit is geen detail. Dit was belangrijk.
Ik ruimde het servies af.
Wij gingen naar Giethoorn. Fietsten, verdwaalden, hij duwde mijn fiets door een plas. Dát was zijn verhaal altijd.
Nu wist hij het niet meer.
s Nachts stuurde ik Greetje een lang bericht over het bokje, het handschrift, Giethoorn.
Ze antwoordde: Jet, je moet echt naar de huisarts. Met Bert en misschien zelf ook. Dit is geen keukentafelkwestie.
Ik lag naast Bert, luisterde naar zn rustige ademhaling, en vroeg me af hoe het is als iemand naast je zachtjes verdwijnt.
Vrijdag besloot ik het maar op tafel te leggen.
Hij zat in de keuken, maakte thee.
Bert, ik wil echt praten.
Hij keek op, neutraal.
Ik weet dat je wat weet, zei hij. Ik heb gezien dat je in de kamer was.
Ik zei niets. Wachtte.
Ga zitten.
We gingen aan tafel.
Het uitleggen is lastig, begon hij. Maar het is deels wat je denkt.
Deels?
Ik weet dingen niet meer… los van elkaar. Belangrijkste dingen vooral.
Giethoorn?
Geen idee.
Boef?
Nee.
Je moeder?
Haar gezicht, haar stem niet meer.
Wanneer begon dit?
Weet ik niet zeker. Langzaam.
Waarom zei je niks?
Was bang. En weet zelf ook niet echt waarom ik lijstjes maak.
En dat schrift? Niet jouw handschrift.
Lange pauze.
Weet ik.
Wat is er aan de hand?
Hij zei niets.
Bert, ben jij Bert?
Hij keek me aan. En ik zag iets pijn? Verdriet? Of gewoon verwarring?
Jet, ik weet niet hoe ik dat kan beantwoorden.
Is dat eerlijk?
Het meest eerlijke wat ik heb.
Buiten regende het zacht. Gewone Amersfoortse najaarsregen.
Wat moet ik hiermee? vroeg ik in het luchtledige.
Weet ik niet.
Ik schonk koffie in. Zwart, zonder suiker. Staarde uit het raam.
Hij stond op, kwam naast me.
Jet.
Ja?
Ik herinner me jouw stem. Van het begin af aan. Hoe je praat, je toon. Dat blijft.
Dat is weinig.
Ik weet het.
Geluid van regendruppels, een toeter op de straat, dan weer stilte.
Ik heb tijd nodig, zei ik.
Begrijpelijk.
Weet niet hoe het verder moet.
Ook logisch.
Ik keek hem aan. Hij stond daar, met zijn natte haar van de regen, met de kleine rimpel naast zijn mond. Precies Bert en toch niet Bert.
Ga anders maar brood halen, zei ik. Volkoren. Van De Graankorrel aan de Lindegracht.
Hij knikte, trok zijn jas aan. Stond bij de deur.
Jet?
Wat?
Ga je me ooit over Giethoorn vertellen?
Ik keek hem lang aan.
Wie weet, zei ik.
De deur sloot. Ik stond met mijn koffiekop bij het raam, hoorde zijn stappen op de trappen. Vierde verdieping, zestien treden. Altijd geteld.
Hij liep de poort door, trok zijn kraag omhoog voor de regen. Het beeld van een heel gewone man in een hele gewone stad.
Ik wist niet wat te denken. Niet wat te voelen. Er was iets van stilte overgebleven. Geen opluchting, geen oplossing, maar stilte en dat was genoeg voor vandaag.
Telefoon trillerde. Greetje.
En? vroeg ze.
Geen idee, Greet.
Heb je gepraat?
Ja.
Dus?
Kan het niet uitleggen. Hij ging nu brood halen.
Welk brood!
Volkoren. Van De Graankorrel.
Even stil.
Jet, je maakt me gek.
Komt goed. Bel later.
Koffie, lauw, maar nog steeds koffie.
Zestien treden. Altijd geteld.
Na twintig minuten sloeg de portiekdeur dicht. Trappen. Zestien.
Ik bleef staan.
Sleutel in het slot. Deur open.
Hier. Was de laatste, zei Bert.
Ik keek om. Daar stond hij, nat haar, een zak brood in zijn hand.
Zet maar op tafel.
Hij deed het.
We keken elkaar aan.
Thee? vroeg ik.
Graag.
Ik zette water op. Hij hing zijn jas op, ging aan tafel. Hij zweeg rustig, zonder spanning.
Jet, vertel je het straks over Giethoorn?
Water begon te koken. Heel zacht eerst, toen harder.
Nu even niet, zei ik. Misschien straks.
Goed, antwoordde hij.
En de waterkoker floot.







